Niet veel Nederlanders zullen zijn naam nog kennen, maar onder theologen geniet hij nog steeds naam en faam: Kornelis Heiko Miskotte. Er bestaat zelfs een heuse Miskotte-Stichting, die er veel aan gelegen is de belangstelling voor het werk van de theoloog levend te houden. De Stichting geeft onder meer Miskottes Verzameld Werk uit, waarvan nu veertien delen zijn verschenen. En ze heeft Herman de Liagre Böhl aangezocht als biograaf.

Dat is, om met de deur in huis te vallen, een gouden greep geweest. De Liagre Böhl is een historicus, geen theoloog, en dat is voor deze biografie beslist een voordeel. Met Miskotte wordt door theologen namelijk nogal gedweept. De theologische proefschriften die over (aspecten van) zijn werk verschenen zijn nogal cerebraal van toon: zijn theologie wordt tot achter de komma geanalyseerd, de mens verdwijnt na een korte inleiding dikwijls achter horizon.

Terwijl er over de mens Miskotte nogal wat te zeggen valt, zo maakt de psychologiserende biografie van De Liagre Böhl duidelijk. Kornelis Heiko Miskotte werd op 23 september 1894 geboren in Utrecht als oudste jongen in een gezin dat verder alleen maar meisjes telde. De Liagre Böhl omschrijft Miskottes vader als een bedaarde en evenwichtige man, die echter niet opgewassen was tegen zijn temperamentvolle vrouw die gekenmerkt werd door stemmingswisselingen. Moeder Miskotte was beïnvloed door de negentiende-eeuwse theoloog Hermann Friedrich Kohlbrugge, wiens theologie door De Liagre Böhl beknopt maar glashelder wordt samengevat. Kohlbrugge beschouwde de mens als een door en door zondig wezen die zich echter tegelijkertijd geheiligd mocht weten in Christus. Dat wil zeggen: Jezus van Nazareth (‘Zoon van God’) zou met zijn kruisdood de zonden van de mensheid op zich hebben genomen en de mens zo hebben verzoend met God. Niet alleen moeder Miskotte, ook zoon Kornelis Heiko zou de invloed van Kohlbrugge ondergaan.

Schijnbaar haaks op de invloed van de vrome Kohlbrugge stond die andere invloed die de theologiestudent zou ondergaan: die van het socialisme, waarin een nieuwe lente en een nieuw geluid werd beloofd en de mensheid een lichtende toekomst in het vooruitzicht werd gesteld, ook al moest voor die stralende toekomst dan eerst een zware strijd worden gestreden. Vooral dichteres Henriëtte Roland Holst sprak hem aan. En dan speciaal de marxistische dichteres, niet de zweverige die ze later zou worden. De tegenstelling tussen de vrome en de socialistische Miskotte is echter slechts schijn: in beide gevallen lijkt Miskotte eerst en vooral een idealist te zijn geweest. En, zo moet daaraan worden toegevoegd, een idealist die wortelde in de grauwe realiteit van alledag en die tot aan het eind van zijn leven dikwijls aan depressies leed .

Een derde invloed zou Miskotte later ondergaan van Karl Barth, de Zwitser die bekend staat als de belangrijkste theoloog van de twintigste eeuw. De Liagre Böhl onderkent dat de verhouding tussen de twee ongelijkwaardig is, maar ziet nog een zelfstandige rol voor Miskotte weggelegd. Waar Barth grotendeels doof en blind was voor literatuur, toonde Miskotte zich een gretig lezer van schrijvers als Franz Kafka en Thomas Mann. Het zou hem een tot een eigenzinnig leerling van Barth maken. Dat kan zijn, maar de kleffe aanhef van sommige brieven aan Barth (‘Hooggeëerde professor’, ‘zeer geëerde meester’, ‘geliefde meester’) werpen een schril licht op deze ongelijkwaardige verhouding, alle vriendschap ten spijt.

Dat Miskotte als een van de groten van de twintigste-eeuwse theologie in Nederland beschouwd moet worden komt goed uit verf in deze biografie. Met Het wezen der Joodse religie (1932) en Edda en Thora (1939) toonde Miskotte in de jaren dertig scherp aan gevoel te hebben voor de tijdgeest. Terwijl onder invloed van het nationaalsocialisme de Bijbel ‘ontjoodst’ werd, beklemtoonde Miskotte juist dat de Bijbel een door en door Joods boek was en besteedde hij veel aandacht aan het Oude Testament, dit in navolging van Kohlbrugge. Het is geen toeval dat Miskotte na de Duitse inval een rol van betekenis speelde in het verzet, waarbij het een wonder mag heten dat de theoloog nooit gearresteerd is.

Veel werk maakt De Liagre Böhl terecht van hét grote drama in het leven van Miskotte: de dood van zijn vrouw Cor en zijn dochter Alma. Op 18 september 1946 zat het gezin Miskotte, dat vijf kinderen telde, aan een diner in het restaurant van het Amsterdamse American Hotel. Even tevoren had Miskotte het huwelijk ingezegend van twee jonge mensen die tijdens de oorlog bij hem ondergedoken hadden gezeten. De disgenoten aten een haringsalade met een bedorven saus, waardoor het hele gezin van Miskotte doodziek werd. Alleen hijzelf raakte niet besmet, vermoedelijk omdat hij geen haring at die avond. Dat zijn vrouw en een van zijn dochters stierven werd door Miskotte opgevat als een straf van God. Hij zou te egocentrisch zijn geweest, te weinig in het huishouden hebben gedaan en zich teveel in zijn studeerkamer hebben teruggetrokken. Het waren grieven die zijn vrouw Cor bij leven wel had geuit. De verwijten troffen hem na haar dood dubbel en dwars en kregen een metafysische lading. Pas jaren later, nadat hij hertrouwd was met een veel jongere vrouw, luwde het zelfverwijt wat en kon hij de draad van zijn leven weer oppakken.

Miskotte was in 1945 benoemd tot hoogleraar theologie in Leiden, waar de theologie niet alleen conservatief maar ook liberaal was. Miskotte’s theologie was geen van beide: die was bezield door (maatschappelijke) opstandigheid en tegelijkertijd orthodox. Met wetenschap, zo analyseert De Liagre Böhl scherpzinnig, had het werk van Miskotte niet veel van doen, met essayistiek veel meer. In die essayistiek ligt ook de ware betekenis van deze theoloog. Terwijl brave dominees en saaie hooggeleerden hun eenvoudige preekjes bleven afsteken, groef Miskotte diep. Niet alleen in zijn werken over het religieuze jodendom, ook in zijn laatste grote werk: Als de goden zwijgen (1956), een studie die vooruitliep op de secularisatietheologie die in de jaren zestig van zich zou doen spreken.

Miskotte werd een gezien figuur onder allerlei rechtzinnige gelovigen, zelfs onder de gereformeerde afstammelingen van Abraham Kuyper, die hij scheurmakers had genoemd omdat ze zich losgemaakt hadden van de Nederlandse Hervormde Kerk in de negentiende eeuw. Maar Miskotte werd geen figuur in Leiden, waar neergekeken werd op deze in wezen orthodox gebleven bevindelijke gelovige.

Met de theologie van Miskotte is (zoals met alle theologie) natuurlijk een probleem: alleen degenen die zijn uitgangspunt delen dat de Bijbel ‘het boek der boeken’ is en de God van Israel de God onder de goden is, zien goud in dit werk. Wie het werk vanuit atheïstisch standpunt bestudeert en er de uitgangspunten niet van deelt, zal er aanzienlijk minder gevoelig voor zijn. Maar wie kennis neemt van de bewogen, existentiële worsteling van Miskotte met de grote thema’s van zijn tijd (nationaalsocialisme, Jodenvervolging, secularisatie) kan niet anders dan ontzag voelen voor de werkkracht en inzet van deze man. En juist die bewogen, existentiële worsteling van Miskotte is door De Liagre Böhl voorbeeldig in kaart gebracht.