Als er één woord is dat in deze studie over de schuttersgilden in Vlaanderen vaak gebruikt wordt is het wel ‘civic’. Het duikt veelal op in combinatie met begrippen als samenleving, identiteit, solidariteit en eer, om te onderstrepen dat de broederschappen in kwestie net zo bepalend waren voor de laatmiddeleeuwse urbane samenleving als de belforten, lakenhallen en rederijkerskamers. Het is de opzet van de auteur om door het natrekken van hun ontwikkeling en activiteit ons inzicht in de sociale samenhang van de stedelijke samenleving in de Nederlanden te vergroten. Nu zijn wat dat aangaat schuttersgilden zeker de moeite van het bestuderen waard. Er was in vijftiende eeuw geen stad zo klein of ze beschikte over één of meer corporaties van weerbare mannen die zich samen in het gebruik van de hand- of kruisboog bekwaamden. Deze mannen moesten uiteraard hun woonplaats verdedigen bij dreigend gevaar en namen heel af en toe ook deel aan militaire expedities van de landsheer. Ze hielden jaarlijks eigen schietwedstrijden met bijbehorende drinkgelagen en deden ook mee aan grootscheepse regionale toernooien. Ze hadden een gildeachtige organisatiestructuur, met een hoofdman en een deken, en boden hun leden een hiernamaalsverzekering met het doen opdragen van zielmissen, vaak aan een eigen altaar binnen een eigen zijkapel. Hun ledenaantal varieerde per stad. Het bewoog zich per gilde zo tussen de 40 en 60 man, met de kanttekening dat er ook wel vrouwen lid waren (ongeveer tien procent). Die hanteerden dan wel geen schietwapen maar namen zeker deel aan de sociale en religieuze activiteiten van het gilde.

Het hoeft geen betoog dat Vlaanderen een geschikt onderzoeksgebied vormt voor dit thema, dat al lang op een samenvattende bovenlokale analyse wachtte. Vlaanderen raakte immers vroeg verstedelijkt. En er is naar verhouding veel bronnenmateriaal voor overgeleverd, in de vorm van stadsprivileges, stadsrekeningen, eigen gildeadministraties en verhalende bronnen. De in Glasgow opgeleide Laura Crombie heeft ze intensief bestudeerd en haar bevindingen in een informatief, zes hoofdstukken tellend boek verwerkt. Achtereenvolgens komen daarin aan de bod (1) de oorsprong en militaire betekenis van de gilden, (2) hun organisatie, (3) hun sociale en devotionele activiteiten, (4) hun verhouding tot het stadsbestuur en de landsheer, (5) hun deelname aan toernooien, en (6) het belang van die deelname voor de versterking van regionale stedelijke netwerken. De hoofdstukken laten zich vlot lezen. Eerst wordt telkens de algemene lijn uitgezet, waarna enkele case studies volgen. Wat echter niet zo prettig werkt, is dat voorafgaand aan de cases steeds al de conclusie wordt gegeven, bijvoorbeeld op pagina 72 waar gezegd wordt dat de gildeleden uit alle lagen van de bevolking kwamen, behalve uit de ‘very lowest’, een slotsom die men dan op pagina 88 herhaald vindt. Dat geeft de gevalsstudies – die overigens niet alle even doorwrocht lijken – het karakter van een invuloefening.

De kracht van het boek zit behalve in de descriptie van aantallen, lidmaatschap, achtergronden, onderlinge verhoudingen en organisatie inderdaad in het ontleden van het stedelijk communale karakter van de gilden, al zou het voor de vergelijking goed geweest zijn als de auteur ook een paar rurale gilden in het verhaal had betrokken. Al was het maar om te bepalen wat we nu precies onder ‘civic’ moeten verstaan. Getuige de deelname van enkele dorpen aan meer lokale competities, zijn zulke dorpsgilden er namelijk wel geweest. Los daarvan is een belangrijk nieuw inzicht waarmee Crombie voor de dag komt, dat het onderscheid tussen jonge en oude gilden nooit slaat op de leeftijd van de schutters. Jonge gilden zijn haast altijd verenigingen die later zijn ontstaan.

Er zijn wel enkele minpunten aan te wijzen. Het belangrijkste is dat de militair functionele en machtspolitieke aspecten slecht uit de verf komen. In de eerste plaats ontbreekt het aan een goede beschrijving van de wapens, hun prijs, en hun ontwikkeling en gebruik in het gevecht, zowel op de wallen, bij een belegering als op het slagveld. Daardoor blijft duister in welke tijd de stad nu precies belang bij beide typen gilden had. Wat waren de verschillen? Zo tussen de regels door (op pagina 131 bijvoorbeeld) valt te lezen dat de kruisboogschutters meer in aanzien stonden dan de handboogschutters: ze kregen betere kleding en hogere vergoedingen. Crombie laat een systematische aanpak achterwege en volstaat met de vage opmerking dat dit in een ‘civic context’ moet worden bekeken. Het komt me echter voor dat de militaire bruikbaarheid hier het zwaarst telde: met een kruisboog konden van achter een muur vijanden effectiever worden uitgeschakeld dan met een handboog. Zo’n verschil in waardering gekoppeld aan effectiviteit is ook van toepassing op de kloveniersgilden. Uit de – in de literatuurlijst ontbrekende – studies van James Ward weten we dat de Hollandse boogschuttersbroederschappen in de jaren twintig en dertig van de zestiende eeuw door hun stadsbesturen onder druk werden gezet om zich te transformeren tot roerschuttersgilden. Ze moesten toen op straffe van verlies van voorrechten hun bogen verruilen voor vuurwapens, omdat die door hun verbeterde lonttechniek inmiddels bewezen hadden veel dodelijker te zijn. Wat dat betreft is het jammer dat Crombie het eindpunt van haar studie al bij 1500 legt, waardoor deze transformatie niet in beeld komt. Ze maakt hier en daar wel melding van culveriners’ guilds – die tegen het eind van de vijftiende eeuw in enkele steden al verschenen – maar gaat verder niet in op hun verhouding tot de bestaande boogschuttersgilden en de stadsbesturen.

De precieze relatie van de gilden tot de stadsmilitie komt al evenmin goed uit de verf. Crombie presenteert ze nu eens als zelfstandige eenheden los van het dienstplichtige stadsleger (pagina 46: ‘Ninove sent its shooting guilds as well as its militia’), dan weer als het meest waardevolle onderdeel ervan (ibidem: ‘the Bruges contingent includes 30 archers among the militia of 450 men’). In mijn optiek is het ontstaan van schuttersgilden het beste te verklaren als we hun leden zien als weerbare mannen die van oorsprong naast vele anderen moesten opkomen om hun gemeenschap te verdedigen. Ze konden met hun specifieke wapens apart worden ingezet, op strategische plekken, bij de poorten bijvoorbeeld. Maar ze zullen ook vaak tussen de piekeniers op de wallen hebben gestaan. Dat ze zich binnen de stadsmilitie aaneensloten maar er wel onderdeel van bleven uitmaken, zal komen omdat het omgaan met een boog meer training vergde dan het steken met een piek. Men moet schuttersgilden dus zien als oefengroepen van dienstplichtigen waarvoor door de stad faciliteiten beschikbaar werden gesteld. Dat die oefengroepen zich vervolgens net als ambachtsgilden tot sociabele verenigingen ontwikkelden is niet meer dan logisch. Het is voor dit aspect een gemis dat Crombie wel de kapellen en altaren van de gilden maar niet hun schietterreinen (schuttershoven of stadsdoelen) met bijbehorende accommodatie in kaart brengt. Kortom, de betekenis voor de stadsdefensie was, veel meer nog dan het offensieve gebruik door de landsheer, primordiaal. Wat de patronage door de landsheer betreft – de Bourgondische hertogen bedeelden tal van gilden rijkelijk met privileges, geschenken en insignes – meent Crombie dat die hun aandeel in ‘the civic community’ moest benadrukken. Ik vraag me af of dat echt het hoofdmotief was. Ligt het niet meer voor de hand dat de hertogen, die de potentiële opstandigheid van de steden vreesden, er zich tevoren mee probeerden te verzekeren van de loyaliteit van het best georganiseerde deel der stadsmilities?

Een ander aan te stippen punt is dat van de sociale afkomst der schutters. Crombie presenteert hen nadrukkelijk niet als een elite maar als representatief voor de hele stedelijke samenleving. Dat doet ze naar mijn smaak veel te stellig. Niet alleen de afbeelding op het omslag – een schietwedstrijd waarbij een knecht de voetboog spant voor de heren gildeleden – suggereert iets anders. Ook Crombie’s toetsing van het ledenbestand der Gentse schuttersgilden aan de ledenbestanden van de ambachtsgilden (pagina 85) is ermee in tegenspraak. Het blijkt namelijk dat de luxury craftsmen oververtegenwoordigd waren. Sommige aspirant-leden hoefden misschien geen intredegeld te betalen, maar ieder werd wel geacht zijn eigen (relatief dure) wapen, harnas en degen aan te schaffen. En dat konden toch alleen leden van de hogere en middenklassen zich permitteren.

Tot slot zij nog gemeld dat er veel slordigheden in de spelling van namen voorkomen. Zo bijvoorbeeld op pagina 52, Dyers (moet Dyer zijn); 59, Jansese (Janse); 67, Bijstervelde (Bijsterveld); 126, Brauene (Bruaene); 191, Marnet (Marnef). Of neem de aanduidingen van Axelle, Biervelt en Ardenbourg: zou de auteur niet begrepen hebben dat daarachter de Zeeuws-Vlaamse stadjes Axel, Biervliet en Aardenburg schuil gaan? Dit terzijde gelaten, kan geconcludeerd worden dat het boek veel wetenswaardigs bevat, als eerste poging de laatmiddeleeuwse schuttersgilden voor een belangrijke regio op één noemer te brengen. Het is in mijn ogen echter maar half geslaagd door zijn al te enge antropologische focus op de sociaal-culturele functie.