In Eigenwijs Vaderland bestudeert Anne Petterson nationalisme als een populaire praktijk. Centraal staat de vraag hoe en in hoeverre gewone Amsterdammers in de tweede helft van de negentiende eeuw de natie vormgaven en beleefden. Met haar keuze voor een specifiek stedelijke context en haar focus op ‘gewone’ mensen blaast Petterson het aloude thema van nationalisme nieuw leven in. Zoals de auteur zelf in de heldere inleiding aangeeft, werd de historiografie van het nationalisme lange tijd vooral gedomineerd door het debat tussen primordialisten (die de natie als een natuurlijk gegeven beschouwden) en modernisten (die de natie als een historisch construct benaderden). Historici waren daarbij vooral geïnteresseerd in de initiatieven van maatschappelijke bovenlagen om de natie vorm te geven. Het doelpubliek van die initiatieven bleef veelal buiten het blikveld. Lagere sociale groepen werden tot voor kort nooit echt in het onderzoek betrokken. De cruciale vraag wat de natie precies voor de gewone burger betekende, bleef daardoor onbeantwoord.

Eigenwijs Vaderland maakt deel uit van een nieuwe fase in de internationale historiografie. De afgelopen jaren is steeds meer onderzoek verricht naar het proces van natievorming ‘van onderop’. Petterson zelf is daarbij geïnteresseerd in de dagelijkse praktijk van gewone burgers. Om tot die praktijk te kunnen doordringen kiest ze voor het concrete kader van een fysieke stedelijke ruimte. Dat is een slimme keuze. Wil je voorbij elitaire initiatieven en discoursen kunnen kijken, dan is het noodzakelijk om het nationale toneel van regeringsleden, administraties en commissies te verlaten. Kleinere praktijken en uitingen van nationalisme zijn vanzelfsprekend meer in de lokale ruimte verankerd. De keuze voor Amsterdam als hoofdstad biedt het extra voordeel dat de meer elitaire initiatieven geconfronteerd kunnen worden met de beleving en praktijken van gewone burgers.

Hoewel stedelijke ruimte en cultuur niet de hoofdrol spelen in Eigenwijs Vaderland, past het boek ook binnen contemporain stadshistorisch onderzoek met aandacht voor kleine praktijken en de beleving van de stedelijke ruimte. Daar schuilt voor mij als stadshistorica ook meteen de grootste troef van dit boek. De auteur weet de verschillende Amsterdamse straten en wijken op uitmuntende wijze tot leven te brengen aan de hand van een bijzonder vakkundig onderzoek in een erg uitgebreide waaier aan bronnen. Zo raadpleegde ze gedigitaliseerde kranten en tijdschriften, het archief van de gemeentelijke politie, het omvangrijke archief van de afdeling Algemene Zaken van de stad Amsterdam, egodocumenten, losse pamfletten, liedjes, foto’s, film- en ander beeldmateriaal. Petterson slaagt er dankzij die bronnen buitengewoon goed in om dichter op de huid te komen van een grote groep gewone burgers – al blijven de armste der Amsterdammers onvermijdelijk wat meer buiten beeld. Via close reading en thick description biedt ze de lezer toegang tot het anders zo moeilijk bereikbare geheel van gevarieerde (klein)burgerlijke en volkse praktijken van nationalisme. Dat doet ze overigens op eloquente wijze in een boek dat leest als een trein.

Eigenwijs Vaderland is opgebouwd uit vijf thematische hoofdstukken. Achtereenvolgens komen aan bod: de oprichting van standbeelden, het volkslied, de Oranjeliefde, de Boerenoorlogen en de commercialisering van de natie. Samen laten de hoofdstukken mooi zien hoe Amsterdammers op veel verschillende momenten en manieren vormgaven aan de natie. De opbouw van het boek, vertrekkend van een hoofdstuk over weinig populaire standbeelden en eindigend met een uitstekend hoofdstuk over de natie als consumptieproduct, leidt als vanzelf tot de conclusie dat er in de praktijken van het nationalisme tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw schaalvergroting optrad. Petterson waakt in haar conclusie evenwel voor een al te eenvoudig democratiseringsdiscours. Het natie-idee werd door elites inderdaad steeds meer gezien als iets wat moest worden gedragen door de bredere maatschappij, maar in de praktijk gaf het gewone volk al van voor het midden van de negentiende eeuw op eigenzinnige wijze vorm aan het vaderland. Het waren vooral de elites die zich aanpasten en tegen het einde van de eeuw aansluiting zochten bij populaire gevoelens en behoeften. Rond 1900 waren zij niet langer bang van de massa, maar wisten zij die steeds beter uit te buiten. Het gevolg daarvan was dan weer dat de nationalistische praktijken meer georkestreerd werden en dat de ruimte voor spontane initiatieven onder het volk uiteindelijk verminderde.

Petterson geeft in de inleiding duidelijk aan dat Eigenwijs Vaderland niet gaat over de vraag ‘wat is de natie’. Ze kiest ervoor om bekende thema’s uit de Nederlandse geschiedschrijving opnieuw te verkennen vanuit het lokale en volkse perspectief. Aangezien het geen makkelijke opdracht is om toegang te krijgen tot de overtuigingen en gebruiken van lagere sociale groepen is het logisch dat de auteur voor de houvast van bekende thema’s heeft gekozen. Tegelijkertijd is die keuze ook enigszins problematisch. De thema’s zijn namelijk ontleend aan een literatuur die door de auteur bekritiseerd wordt omwille van een te enge focus. Uiteraard is het een belangrijke eerste stap om na te gaan op welke manier deze ‘elitaire’ thema’s al dan niet terugkeren bij de gewone bevolking. Tegelijkertijd zou een echte aanpak ‘van onderop’ helemaal moeten vertrekken vanuit de leefwereld van de gewone Amsterdammer. Wat voor de elites een thema is, is dat niet noodzakelijk in volksbuurten en omgekeerd.

In het hoofdstuk over de Boerenoorlogen komt die spanning het duidelijkst naar voren. De voorbeelden die Petterson van Boerensympathie uit stamverwantschap geeft, komen steevast uit de mond van opiniemakers. De meer populaire acties en reacties lijken – zoals de auteur ook zelf aangeeft – veel meer vanuit een anti-oorlogsdiscours of vanuit algemene menslievendheid te vertrekken. Het vasthouden aan het thema van de Boerenoorlogen voelt daardoor wat krampachtig. Was het niet interessanter geweest om de bredere vraag te stellen op welke manier burgers tijdens allerhande evenementen, festivals of collectes vormgaven aan de natie? Het argument dat samen collecteren of opgaan in de massa tijdens het bezoek van Paul Kruger een gevoel van samenhorigheid tot stand bracht, is namelijk wel overtuigend. Dat die samenhorigheid onder het gros van de bevolking nog enig verband hield met het gevoel van stamverwantschap met de boeren is weinig waarschijnlijk.

Aan de hand van de gekozen thema’s kwam Petterson nu al tot de belangrijke conclusie dat de natie onder het volk vaak onbedoeld vorm kreeg. Of een winkelier zijn etalage oranje liet kleuren uit vaderlandsliefde, uit winstbejag of uit een combinatie van beide is moeilijk vast te stellen. Het resultaat was in ieder geval hetzelfde. Het maakt dan ook niet uit, want iets wat vertrekt vanuit een andere drijfveer – of dat nu vermaak, persoonlijke status of gewin, wijk-prestige of zelfs baldadigheid was – kan toch uitmonden in een gevoel van samenhorigheid. Dat is uiteraard een belangrijke conclusie. Alleen brengt die conclusie onvermijdelijk de vraag met zich mee of die samenhorigheid genoeg is om van een natie te spreken. Uiteindelijk draait het boek dus toch uit op de vraag die de auteur niet wilde stellen: wat is de natie? Hoe veranderen de in dit boek zo mooi blootgelegde praktijken van populair nationalisme ons begrip van wat nationalisme en natie precies betekenen? In het antwoord op die vragen zit ongetwijfeld voer voor een nieuw, eigenwijs boek.