Er is relatief weinig wetenschappelijke aandacht geweest voor de Nederlandse kolonisatie in Brazilië in de afgelopen eeuw. Dat komt wellicht door de geringe omvang van dit fenomeen enerzijds en de dominantie in de historiografie van de emigratiebeweging naar Noord-Amerika anderzijds. Die laatste is zo ruim bedeeld met populaire en wetenschappelijke studies, dat het bijna synoniem is geworden voor de Nederlandse emigratie-ervaring. Inderdaad vestigde negentig procent van de kwart miljoen landgenoten die tussen 1840 en 1940 vertrokken zich in Amerika. Ook na de Tweede Wereldoorlog bleven Canada en de VS populair naast Australië en Nieuw-Zeeland. Brazilië was weliswaar geen echte trekpleister, maar speelde wel een belangrijke rol, toen als alternatieve bestemming en nu als vergelijkingsmateriaal voor de totale migratie-ervaring. Dankzij het gedetailleerde en doorwrochte boek van Mari Smits over de Nederlandse gemeenschap in Brazilië kunnen motieven, patronen en vooral het effect van toenemende overheidsbemoeienis op deze gemeenschappen onderzocht worden. Dit boek komt op een belangrijk moment. Omdat deze migranten hun erfgoed aan hun nazaten moeten overdragen, biedt deze publicatie het raamwerk om deze migratie te begrijpen.

Auteur Mari Smits, die zijn sporen heeft verdiend met de geschiedenis van boerenorganisaties, ontwikkelingshulp en Europese integratie, beschrijft op een toegankelijke manier de interactie tussen boeren (en hun bonden), diplomaten en regeringsfunctionarissen die er met elkaar voor zorgden dat er groepsgewijze kolonisatie in Brazilië kon plaatsvinden. Deze buitenlandse kolonisatie was een oplossing voor het binnenlandse probleem van de verwachte Nederlandse overbevolking en paste in het actieve beleid om internationale ontwikkelingsprojecten op te zetten. Tegelijkertijd waren wereldlijke en geestelijke leiders beducht voor het risico van ontworteling in een nieuwe omgeving. Om deze bedreiging te minimaliseren moest het project planmatig worden aangepakt. De betrokkenen zetten in op het behoud van het katholiek erfgoed, dus van geloof, taal en gezin. Daarom moest de emigratie goed begeleid worden en de kolonisten moesten voor dat doel worden geselecteerd. Het proces kon niet meer aan de zelfredzaamheid van de landverhuizers overgelaten worden.

In Brazilië waren eerdere pogingen dramatisch verlopen: in de negentiende eeuw werden protestantse emigranten aan hun lot overgelaten, waardoor ze verarmden, verpieterden en ternauwernood overleefden. Reden te meer om deze onderneming in de naoorlogse fase van geplande wederopbouw stevig te begeleiden. Echter, in de uitvoering ging er intern van alles mis door bureaucratische hindernissen en persoonlijke tegenstellingen, en extern door concurrentie van andere emigrantengroepen en antipathie van de plaatselijke bevolking, die het afkeurde dat de Nederlanders zich voor hun omgeving afsloten. Zo werd de landbouwkolonie in de buurt van Sao Paulo in het zuidoosten van Brazilië de speelbal van een machtsstrijd tussen Nederlandse emigrantenorganisaties en antikatholieke krachten en de behoeften van ambtelijke controleurs.

Het gebrek aan samenwerking zette een gezonde exploitatie van de coöperatie onder grote druk. Die leed in de beginjaren onder het uitblijven van overbruggingskredieten, een goede taakverdeling, gebrekkig leiderschap en de onevenwichtige samenstelling van de groep emigranten die op hun financiële bijdrage en niet op de noodzakelijke expertise was geselecteerd. Toen deze spanningen door de Nederlandse pers werden opgepikt, smolt het onderling vertrouwen nog verder weg. Paradoxaal genoeg, hielpen deze negatieve berichten vervolgens om de zo nodige bemiddeling en financiering uit Nederland te krijgen waardoor het project van de ondergang gered werd en nieuwe kolonies konden worden opgezet. Die waren hard nodig om de groei van de kolonie op te vangen en de draagkracht van de gemeenschap te vergroten. Net op tijd werd een stabiel aantal bereikt, want in de jaren 1960 viel de belangstelling om uit Nederland te emigreren snel weg. De welvaart steeg en de droom van het verwerven van een eigen boerenbedrijf verloor snel terrein ten voordele van meer stedelijke ambities. Bovendien streek de collectieve formule de onafhankelijke boeren tegen de haren in.

Zo vangt dit boek de kortdurende ‘window of opportunity’ voor groepsmigratie. De klemtoon ligt daarbij op het bestuurlijke kader en de auteur doet een oproep om dat verhaal aan te vullen met analyses van de Braziliaanse zijde en met internationale vergelijkingen. Met dit boek kan een antwoord gegeven worden op de vraag waarom de Amerikaanse emigratie versnelde en de Braziliaanse stagneerde. Het antwoord ligt in de duurzame culturele en institutionele netwerken die onder immigranten in de VS sterk waren ontwikkeld en in Brazilië beperkt werden door het alles-overtreffende belang van de familiebedrijven. Daarnaast bood de VS veel meer opties, omdat emigranten op diverse locaties waar Nederlandse emigranten woonden een bestaan konden vinden in verschillende bedrijfstakken. Bij gebrek aan alternatieven in Brazilië zelf was de transnationale relatie tussen Nederland en Brazilië veel sterker dan die tussen Nederland en Amerika, waardoor Braziliaanse emigranten gemakkelijker terugkeerden.

Vervolgonderzoek zou zich kunnen richten op het internationale verwachtingsmanagement: de invloed die de verwachtingen in Brazilië alsook de rol van raciale vooroordelen hebben gespeeld op het succes van projecten elders. Daarnaast zou nog explicieter gekeken kunnen worden naar de ondersteuning vanuit regionale netwerken en de verbinding met Nederlandse handelsbelangen, zoals de Holland Amerika Lijn en de Koninklijke Hollandsche Lloyd, en de invoering en doorwerking van Nederlandse producten en werkprocessen.

De belangrijkste bijdrage van dit boek is de aandacht voor de tegenstrijdige rol van de Nederlandse overheid. Die maakte het zowel zwaarder voor de emigranten, door op continuïteit aan te sturen waardoor de kans op steun van de Braziliaanse omgeving verminderde, als lichter door de financiële steun te leveren die cruciaal bleek voor het slagen van het experiment. Beide elementen tonen aan dat het succes verre van vanzelfsprekend was. Het boek had nog meer aan waarde gewonnen als het zich explicieter had afgevraagd hoe de verhouding was tussen de harde problemen (economische tegenslag, financiering en grondcondities) en de zachte problemen (leiderschap, vertrouwen en cultuur), die samen de uitkomst van de kolonisatie bepaalden. Desalniettemin is Holambra een zeer relevant boek waar anderen verder op kunnen bouwen.