In 1919 leidde een diplomatiek conflict tussen België en Nederland, uitgevochten tijdens de vredesconferentie van Versailles, tot zeer hoog oplopende emoties aan beide kanten van de grens. De Belgische regering eiste dat Nederland afstand zou doen van Zeeuws-Vlaanderen en Nederlands Limburg, twee gebieden die bij de boedelscheiding tussen beide landen in 1839 aan Nederland waren toegewezen, ondanks protesten van de zuiderburen. Dat onrecht had tijdens de Eerste Wereldoorlog desastreuze neveneffecten gehad, en alleen door het ongedaan te maken zou België zich beter kunnen verdedigen tegen eventuele hernieuwde Duitse agressie, stelde de Belgische delegatie. Het liep anders, schrijft de Amerikaanse historicus Hubert van Tuyll van Serooskerken in zijn goed onderzochte en geschreven, maar weinig vernieuwende studie van het conflict.

De Belgische eis was onlosmakelijk verbonden met de Eerste Wereldoorlog, die in de beide buurlanden op een fundamenteel andere wijze was ervaren. België was in augustus 1914 door Duitsland binnengevallen en (grotendeels) veroverd, de restanten van haar leger vochten door aan de IJzer in het uiterste zuidwesten van het land. Door honger en oorlogsellende werden de in vredestijd al bestaande politieke en sociale spanningen verder aangewakkerd. In Nederland was het er heel anders aan toegegaan. Neutraal Nederland bleef gedurende de oorlog verschoond van loopgraven en vreemde bezetters, en menigéén profiteerde van de mogelijkheid om met beide strijdende partijen handel te drijven. Dat was wellicht gunstig voor de portemonnee, maar erg populair werd Nederland er niet van. Daarbij circuleerden er ook nog hardnekkige geruchten dat het Nederlandse leger in de zomer van 1914 verzuimd had om de zuidelijkste puntjes van Limburg te verdedigen, wat zou verklaren waarom de Duitse opmars zo soepel was verlopen: ze konden simpelweg om het Belgische leger heen wandelen. Nederland had bovendien de Westerschelde afgesloten, zodat er geen Brits leger in Antwerpen kon landen. Tenslotte had de Nederlandse regering, vlak voor de wapenstilstand van november 1918, de terugtrekkende Duitse troepen toegestaan om – ongewapend – door Nederland terug naar Duitsland te trekken, en had Den Haag aan de gevluchte keizer Wilhelm II politiek asiel verleend. Het contrast tussen de ‘deutschfreundliche’ Nederlanders en ‘brave little Belgium’, dat zich tot het uiterste had verzet tegen de Duitse overweldiger, had in de ogen van de zegevierende geallieerden niet groter kunnen zijn. Toen de Belgische regering bij monde van minister van Buitenlandse Zaken Paul Hymans in Versailles eiste dat Nederland grondgebied zou moeten afstaan aan België en daarvoor met stukjes verslagen Duitsland gecompenseerd zou worden, leek het een gelopen race, aldus Van Tuyll van Serooskerken.

Waarom moesten de Belgen dan toch met (bijna) lege handen Versailles verlaten? Historici als Sally Marks hebben het antwoord op die vraag gezocht in het optreden van Hymans, die tijdens de Parijse onderhandelingen zo onuitstaanbaar zou zijn geweest dat hij de belangrijkste geallieerde leiders tegen zich in het harnas zou hebben gejaagd. Anderen, waaronder Rolf Schuursma, keken juist naar zijn Nederlandse evenknie Herman van Karnebeek, die een ragfijn diplomatiek spel zou hebben gespeeld. En weer anderen, tenslotte, waaronder ondergetekende, zijn van mening dat het er helemaal niet zoveel toe deed wat de diplomaten uit de Lage Landen bekokstoofden: de belangrijkste geallieerde landen – de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk – zouden sowieso nooit akkoord gaan met annexatie. Van Tuyll van Serooskerken doet een dappere poging om tot een nieuwe interpretatie te komen van de Belgisch-Nederlandse burenruzie door deze te verklaren vanuit een verschil in politieke stijl tussen afgevaardigden uit beide landen in Versailles, maar echt overtuigen doet zijn analyse niet.

Dat ligt in de eerste plaats aan de wel erg lange aanloop die hij neemt. Zijn boek begint met een nogal moeizame analyse van, achtereenvolgens, het veiligheidsdilemma van kleine staten en van de nationale identiteit. In beide gevallen baseert Van Tuyll zich op achterhaalde literatuur. Kleine staten, stelt Van Tuyll, hebben in het kaartspel van de internationale politiek minder troeven tot hun beschikking, en moeten die dus slimmer uitspelen. Daarnaast moeten ze hun grote tegenspelers tegen elkaar uitspelen. Dat is een wel erg simplistische kijk op ‘kleine staten’, gebaseerd op een, inmiddels wel erg ouderwets geworden, klassiek-realistische visie op machtspolitiek in de internationale arena. Hetzelfde simplisme zien we terug in Van Tuylls visie op ‘nationale identiteit’ – kennelijk een soort cocktail van geschiedenis, taal en religie – die resulteert in een nogal teleologische blik op Nederland en België. De één wordt neergezet als een natuurlijke eenheidsstaat, de ander als een moeizaam construct. Erger, en ergerlijker, is dat beide methodologische concepten uiteindelijk nauwelijks een rol spelen in Van Tuylls analyse van het Belgisch-Nederlands conflict in 1919.

Vervolgens schakelt Van Tuyll in een andere versnelling, en worden in twee hoofdstukken de Eerste Wereldoorlog-ervaringen van Nederland en België behandeld. Wat Nederland betreft baseert Van Tuyll zich vooral op zijn eerdere, en betere, boek The Netherlands and World War I uit 2001. De Belgische kant van de zaak komt er, zeker in contrast, wat bekaaider vanaf. Pas op pagina 96 is de lezer in 1918 aangeland en worden langzamerhand de contouren van het latere conflict geschetst.

Van Tuylls analyse van het Belgisch-Nederlands conflict in 1919 valt in twee delen uiteen. De eerste richt zich vooral op het politieke landschap in Nederland en België anno 1918–1919. Nederland had net een nieuwe premier die kon bogen op een kleine, maar stabiele meerderheid in het kabinet. Die premier, geleverd door de grootste partij, was ook nog eens een katholiek, en daarmee leek enig ressentiment dat in het door annexionistische Belgen bedreigde Zeeuws-Vlaanderen en (met name) Limburg ten opzichte van protestants ‘Holland’ nog zou leven, geneutraliseerd. De immense populariteit van koningin Wilhelmina – zeker na de gefnuikte revolutie van november 1918 – en de weerzin die in brede lagen van de bevolking gevoeld werd tegen een gedwongen afstand van Nederlands grondgebied deed de rest. Nederland was, kortom, een verenigd front. Dat kon van België niet worden gezegd: de oorlog had allerlei politieke conflicten aan de oppervlakte gebracht, die nog eens verergerd werden door de annexatie-kwestie. Want wat zou er met België gebeuren als er een miljoen Nederlands-sprekende, overwegend op katholieke politici stemmende, inwoners bij zou komen? De annexatie-kwestie werd zodoende inzet van felle partijpolitieke strijd, in tegenstelling tot de noorderburen.

Tijdens de onderhandelingen speelde die interne strijd Hymans parten, maar er was meer aan de hand. Hymans opereerde onhandig en bot, terwijl Van Karnebeek zich als een echte heer gedroeg en zo de sympathieën van de ‘groten der aarde’ wist te winnen. Van Karnebeek was ook een (jonk)heer: als echte aristocraat, zo stelt Van Tuyll, was hij veel beter in staat om het diplomatieke spel te spelen dan de verpolitiekte liberaal Hymans. En zo kwam het, aldus Van Tuyll, dat de geallieerden, hoewel ze dat aanvankelijk wel van plan waren, de Belgen hun zin niet gaven.

Alleen dat laatste onderdeel van Van Tuylls analyse is echt vernieuwend; de rest was al genoegzaam bekend uit de (vele) andere publicaties over dit onderwerp. Van Tuyll staart zich bovendien teveel blind op de kleine landen Nederland en België, en vraagt zich onvoldoende af in hoeverre de geallieerde beleidsmakers in Versailles ooit echt van plan waren om Nederland te dwingen grondgebied af te staan. Dat er scenario’s ontworpen werden om Nederland eventueel te compenseren met stukjes Duitsland, dat over de zaak gesproken werd met België, en dat geprobeerd werd de burenruzie te sussen door de beide kemphanen hun zegje te laten doen tijdens de grootste internationale conferentie ooit georganiseerd, zegt volgens Van Tuyll genoeg, maar dat lijkt me toch iets te simpel geredeneerd: overheden doen immers niets anders dan plannen maken voor alle mogelijke eventualiteiten. De vraag blijft dus of het wat uitmaakt hoe charmant Van Karnebeek of hoe bot Hymans was geweest - en die vraag wordt niet beantwoord, of zelfs maar gesteld. Wat, tenslotte, ook niet helpt is dat Van Tuylls boek wordt ontsierd wordt door fouten en slordigheden – de meest hilarische is een kaart van het Nederlands ‘koloniale rijk’ (16), dat kennelijk uit Zeeuws-Vlaanderen en Limburg bestaat – en lijkt gebaseerd op verouderd onderzoek: in noten wordt steevast verwezen naar het Algemeen Rijksarchief (dat al sinds 2002 het Nationaal Archief heet).

Kortom, Van Tuylls boek valt dus tegen. Zowel zijn poging om moeilijke begrippen als ‘klein land’ of ‘nationale identiteit’ te operationaliseren, als zijn bijdrage aan het historiografisch debat rondom de annexatiekwestie, schieten tekort. En dat is jammer: Van Tuyll is overduidelijk thuis in het archiefmateriaal en schrijft aanstekelijk. Hopelijk komen die kwaliteiten in een volgende publicatie beter tot hun recht.