Als eerste promovendus van het Groningse Kenniscentrum Landschap promoveerde Martin van den Broeke in de zomer van 2016 op een studie naar de buitenplaatsen van het Zeeuwse eiland Walcheren. Rond 1680 lagen er ruim vijftig buitenverblijven op Walcheren en in het midden van de achttiende eeuw was dit gegroeid tot meer dan 130. Het Walcherse buitenplaatsenlandschap werd in de late zeventiende eeuw omschreven als ‘het pryeel van Zeeland’ en enkele decennia later als het ‘Walchersche Arkadia’ (34–35). De Walcherse buitenplaatscultuur verspreidde zich overigens nauwelijks buiten Walcheren, wat vooral lag aan de moeilijke bereikbaarheid van de Zeeuwse eilanden. Het waren dus vooral Walcherse stedelingen die Walcherse buitenverblijven creëerden. Van den Broeke constateert dat men buiten Zeeland nauwelijks weet heeft van de bloeiende buitenplaatscultuur van weleer. Onder meer omdat er ‘in het landschap nog zo weinig van de buitenplaatsen is overgebleven’ (met name wegens latere sloop en door de inundatie van Walcheren in 1944–1945), maar ook omdat er ‘een gebrek aan onderzoek’ is (23). Met zijn eerdere studie over de buitenplaatsen op Noordgouwe (2014) en zijn proefschrift over de Walcherse buitenplaatsen maakt Van den Broeke veel goed.

Deze recensie dient met een nuance te beginnen. Op de achterflap lezen we namelijk: ‘Nooit eerder zijn buitenplaatsen zo uitgebreid in hun landschappelijke en sociale omgeving beschreven’. Een zin die vervolgens in andere recensies en boeksignaleringen is geïnterpreteerd alsof het de eerste regionale studie zou zijn naar buitenplaatsen in hun landschappelijke en sociale context. Zonder af te doen aan het prachtige onderzoek van Van den Broeke, moet dit gegeven toch genuanceerd worden. Er is namelijk eerder (regionaal) onderzoek gedaan naar buitenplaatsen in hun landschappelijke en sociale context. Bijvoorbeeld in mijn eigen thesis uit 2005, Landscape and society in Twente & Utrecht: a geography of Dutch country estates, circa 1800–1950. Ook de studie van economisch historicus Piet van Cruyningen, Landgoederen en landschap in de Graafschap (2005), gaat in op het verband tussen grotere sociale, agrarische en landschappelijke ontwikkelingen in de negentiende en vroege twintigste eeuw, de maatschappelijke en economische positie van de landgoedeigenaren, en de veranderingen in landgoedbeheer, en had – al is het geen landschapshistorisch onderzoek – qua methodiek toch als inspiratiebron kunnen dienen. Zeker relevant was de thesis van geograaf W.J. van Tent uit 1972 geweest over het ontstaan en de situering van buitenplaatsen van Amsterdamse kooplieden in de zeventiende en achttiende eeuw, waarin Van Tent wellicht als eerste in Nederland de opkomst van de buitenplaatsen van dit stedelijk patriciaat analyseerde als een ‘geografische reflectie’ van zowel landschappelijke omstandigheden als sociale processen (De buitenplaatsen van de Amsterdamse kooplieden in de zeventiende en achttiende eeuw – hun ontstaan en situering, 4 en 49). Slechts een paar relevante studies, die jammer genoeg niet gebruikt zijn in het ‘Pryeel’.

Wellicht is dit debet aan de zeer brede, cultuurhistorische, bril die Van den Broeke hanteert, zoals ook in de inleiding duidelijk wordt. De ‘stand van onderzoek’ in de inleiding neemt de lezer mee door een overzicht van een select aantal belangrijke historische, tuinhistorische, architectuurhistorische, geografische en bouwhistorische studies over buitenplaatsen en landgoederen, waarbij deze studies goed geanalyseerd worden.

De centrale vraag in het onderzoek was: Welke motieven en functies lagen ten grondslag aan het ontstaan, de groei en de teruggang van de buitenplaatscultuur op Walcheren in de periode 1600–1820 en hoe bepaalden die motieven en functies de aanleg en vormgeving van die buitenplaatsen? Met deze vragen reflecteert Van den Broeke in feite op de stelling van historici Wijnand Mijnhardt en Paul Brusse over buitenplaatsen in de zeventiende eeuw: ‘Country estates – for the first time in history – were pleasure resorts and nothing else. They served no agricultural purpose whatsoever – they were never centres of a commercial production system’ (Mijnhardt en Brusse, Towards a new template for Dutch history, 2011, 77). Vooruitlopend op het antwoord, benoemt Van den Broeke allereerst, en heel terecht, de complexiteit van en variëteit in de term ‘buitenplaats’, dat ook als buitengoed, buitenhuis, buitenverblijf, lusthof, hofstede, landgoed en speelhof voorkomt in contemporaine en hedendaagse literatuur. Van den Broeke’s begripsgeschiedenis is uitmuntend. Zelf hanteert Van den Broeke in zijn onderzoek drie categorieën van buitenverblijven: 1. Buitenplaats: een huis buiten de stad dat dienst deed als zomerverblijf voor stedelingen, met tuin of park; 2. Hofstede: een buitenverblijf verbonden met een boerderij, zoals een herenkamer of een koepel; 3. Speelhof: kleine tuinen, eventueel met een klein optrekje, die als buitenverblijf werden gebruikt (32–33). Daarmee richt het onderzoek zich dus niet enkel op wat tegenwoordig vaak als buitenplaats wordt gezien (een groot landhuis van allure omringd door tuinen en park, dat als zomerverblijf diende), maar op het buitenleven in het algemeen. De buitenverblijven in het ‘Pryeel’ variëren daarmee van op-volkstuin-lijkende tuintjes nabij de stad tot grotere buitenplaatsen verder op het platteland. Eén en ander is duidelijk gerelateerd aan de ruimtelijke indeling die Van den Broeke hanteert: langs de stadssingel, binnen de stadsrandzone (circa drie tot vier kilometer buiten de stad) en op het platteland (de rest van het eiland; 38–39). Wat niet helemaal duidelijk wordt, is in hoeverre urbane uitbreiding van Middelburg en Vlissingen de drie benoemde zones veranderde. Grote economische landgoederen die in dezelfde periode in oost Nederland bestonden, waren op het sterk verstedelijkte Walcheren overigens niet mogelijk.

Het boek is ingedeeld in vier perioden, die samen het hoogtepunt en verval van de Walcherense buitenplaatscultuur beslaan: ontstaan (1600–1670), expansie (1670–1720), verfraaiing (1720–1770) en neergang (1770 –1820). Deze perioden vormen de hoofdstukken 2 tot en met 5, die allemaal dezelfde thematische structuur gebruiken (Landschap, Functies, Macht, Aanzien en Architectuur) en die tot een zekere hoogte overeenkomen met de vier functies die Van den Broeke onderscheid voor buitenplaatsen: plezier, profijt, machtssymbool en teken van aanzien. Dit geeft een duidelijke structuur aan het grote geheel van voorbeelden en bronnen, die Van den Broeke in twintig jaar heeft verzameld. Een belangrijke bron van informatie waren de zogeheten overlopers: registers van percelen voor de heffing van belasting (omstreeks 1566–1675), die ongeveer vanaf het midden van de zeventiende eeuw werden vervangen door vergaarboeken, waarin grondeigendommen niet per perceel, maar per eigenaar waren geïnventariseerd. Ze zijn dus als het ware vergelijkbaar met het latere kadaster uit 1832 en de daaropvolgende kadastrale leggers. Weliswaar behandelt Van den Broeke de periode na 1820 niet, maar aan de hand van zulk bronnenmateriaal zou eventueel vervolgonderzoek de lijn kunnen doortrekken tot ver in de negentiende eeuw.

In grote lijnen manifesteerde het proces van opkomst en neergang van de Walcherse buitenplaatscultuur in de periode 1600–1820 zich als volgt. Rond de steden Middelburg en Vlissingen ontstond in de loop van de zeventiende eeuw een waar buitenplaatsenlandschap, een ‘verstedelijkt platteland’ waarbij veel grond en bestuursfuncties in bezit waren van stedelingen. Het was een neerslag van de economische welvaart van Zeeland, die gestoeld was op de successen van de VOC, WIC en de Commercie Compagnie. Interessant binnen dit proces was de beschikbaarheid van grond, een factor die in elk buitenplaatsenlandschap een cruciale rol speelt. Specifiek daarin noemt Van den Broeke de verkoop van geestelijke goederen vanaf 1576 (60–67) en de verkoop van ambachtsheerlijkheden door de stad Middelburg vanaf 1679 (165–167).

De meeste buitenverblijven kwamen in eerste instantie relatief dicht bij de hierboven genoemde steden tot stand. Langs de singels van de steden werden speelhoven gerealiseerd met boomgaarden, die zeer in trek waren bij de stedelijke middenklasse. De zone daarbuiten, de stadsrandzone, herbergde speelhoven en hofsteden, boerderijen met herenkamers; een zone die met name in het laatste kwart van de zeventiende eeuw toenam. Op het platteland, de laatste zone, werden hofsteden gesticht, die in de periode 1680–1720 uitgroeiden tot buitenplaatsen waarbij vermaak en profijt een belangrijke rol speelden. Van den Broeke geeft bij zijn langetermijnperspectief aan dat het profijt (akkerbouw, bosbouw, fruitteelt, et cetera) een zeer belangrijke rol speelde, en aanvankelijk zelfs de vormgeving sterk bepaalde, doch dat deze steeds meer werd verweven met het aspect van vermaak (zowel in de beeldvorming als in het daadwerkelijke buitenleven). Vervolgens neemt de auteur een scheiding waar tussen de twee aspecten vanaf het midden van de achttiende eeuw. Hij ziet ook dat er een verschuiving plaatsvond naar vermaak, iets wat duidelijk zichtbaar werd in het esthetische landschap van tuinen (van geometrische naar landschappelijke stijlen). Hiermee heeft hij aangetoond dat de stelling van Mijnhardt en Brusse duidelijk een nuance behoefde.

Van den Broeke laat met zijn uitgebreide analyse tevens zien dat de Walcherse buitenverblijven weliswaar in het bezit waren van de machthebbers maar daarom niet noodzakelijk een basis vormden voor macht. Ze waren geen ‘power houses’, zoals de beroemde sociaal-historicus Mark Girouard opmerkte voor Engelse country houses (M. Girouard, Life in the English country house. A social and architectural history, 1978). Wel waren de buitenverblijven een plek om status en aanzien te etaleren; niet alleen fysiek, maar ook in de vorm van prenten, zoals in de Nieuwe Cronyk van Zeeland (1696–1700), met voornamelijk buitenverblijven van Middelburgse en Vlissingse regenten die hun positie grotendeels aan stadhouder Willem III te danken hadden. Niet alleen het individu kon op deze manier zijn of haar prestige verhogen, begin achttiende eeuw vond zelfs een uiting van groepsidentiteit plaats via de vorming van buitenplaatsen. Dit resulteerde rond Oostkappele in de clustering van buitenplaatsen van eigenaren die door huwelijk en politieke voorkeur met elkaar verbonden waren. Van den Broeke vervolgt: ‘Dat deze buitenplaatsen vervolgens tot ver in de achttiende eeuw overwegend door erfenis in andere handen overgingen, onderstreept de geslotenheid van deze elite en de betekenis die de buitenplaats had in de veruitwendiging van hun maatschappelijke positie’ (406). Het doorgeven van de buitenplaatsen van generatie op generatie bleek behoudend. Terwijl in de late achttiende eeuw zich een ‘neergang’ in de buitenplaatscultuur manifesteerde en vele hofsteden en speelhoven werden opgekocht door boeren, bleven deze regentenbuitenplaatsen nog in stand. Eigenaren waren regentenfamilies als De Jonge, Van Citters en Steengracht, die later, in de negentiende eeuw, geadeld werden.

Met deze zeer uitgebreide studie van de Walcherse buitenplaatscultuur en het daarbij behorende landschap heeft Van den Broeke duidelijk een lacune opgevuld. De glans en rijkdom van de buitenplaatsen uit de zeventiende en achttiende eeuw rondom Oostkapelle, Vlissingen en Middelburg is weliswaar heden ten dage grotendeels verdwenen, maar via dit diepgaande en gedetailleerde onderzoek prachtig beschreven en in beeld gebracht. Het werk van twintig jaar archiefonderzoek en de grote passie van Van den Broeke voor het onderwerp straalt er van af.