De studie van het ‘repertoire’ van sociale bewegingen heeft in de sociale geschiedenis een grote vlucht genomen sinds Charles Tilly het begrip vanaf eind jaren zeventig populariseerde om de handelingsvormen en strategieën aan te duiden die groepen tot hun beschikking hebben om het publiek te overtuigen van hun boodschap. Opvallend genoeg heeft de studie van actierepertoires nooit echt ingang gevonden in de Duitse historiografie, waar de aandacht vooral uitging naar de structurele ontwikkelingen die tot de opkomst van het nationaalsocialisme hebben geleid. De ongemakkelijke waarheid dat in de Weimarrepubliek veel elementen uit het actierepertoire van de nationaalsocialisten – zoals fakkeltochten, uniformen en massamanifestaties – ook werden gebruikt door sociale en politieke bewegingen die aan de ‘goede’ kant van de geschiedenis terecht zijn gekomen, werd daarmee terzijde geschoven. In zijn dissertatie Selbstinzenierung im öffentlichen Raum stelt Kristian Mennen deze kwestie alsnog aan de orde.

Mennen vraagt zich af hoe het kon dat het ‘performatieve repertoire’ van nationaalsocialisten rond 1930 ‘normaal’ werd gevonden en niet met eenzelfde afkeurende blik werd beschouwd als waarmee tegenwoordig dergelijk publiek vertoon wordt veroordeeld. Om deze vraag te beantwoorden analyseert hij de debatten die twee gematigde politieke kampen – katholieken en sociaaldemocraten – tussen ruwweg 1925 en 1935 voerden over hun eigen ‘performatief repertoire’ en dat van de nationaalsocialisten. Naast de vergelijking van deze twee politiek-maatschappelijke ‘zuilen’ kijkt Mennen ook naar de internationale overdracht van (opvattingen over) repertoire-elementen door zowel het Duitse als het Nederlandse discours te bestuderen.

Het is een brede en ambitieuze onderzoeksopzet, die Mennen concretiseert door een aantal repertoirevormen die rond 1930 zowel in Nederland als Duitsland onder sociaaldemocraten en katholieken levendige discussie opriepen, te analyseren. In thematische hoofdstukken bespreekt hij achtereenvolgens een aantal kleinere discussies over demonstraties, theater, zang en vaandels, discussies omtrent de uitingsvormen van jeugdbewegingen, discussies over paramilitaire repertoire-elementen als uniformen en marcheren en discussies over (straat)geweld. Mennen laat zien hoe katholieken en sociaaldemocraten zich verhielden tot de grote veranderingen die de openbare ruimte in de late jaren twintig en vroege jaren dertig doormaakte en hoe zij zich positioneerden ten opzichte van de nationaalsocialisten, die zich steeds sterker in de openbare ruimte profileerden.

In hoofdlijnen concludeert Mennen dat in de definiëring van een wenselijk repertoire vier strategieën benut werden. Ten eerste koos men voor wat nieuw en jong was om zich tegen het traditionele af te zetten. Ten tweede definieerde men – wanneer het uitkwam – het eigene tegenover het ‘vreemde’ of ‘buitenlandse’. Ten derde koos men ervoor zich te manifesteren in de openbare ruimte in plaats van binnenskamers – en de katholieken en sociaaldemocraten bleven vasthouden aan dit ideaal toen de straat op gewelddadige wijze geclaimd was door nationaalsocialisten en communisten. Ten vierde scheidde men strategisch vorm van inhoud wanneer men repertoirevormen van nationaalsocialisten wilde overnemen. Hoewel Mennen zich bewust is van het feit dat deze vier strategieën ideaaltypisch opgevat moeten worden, bieden ze een verhelderende inkijk in de wijze waarop sociaal-politieke bewegingen in het interbellum hun actierepertoire legitimeerden. Bovendien worden de conclusies gedragen door een indrukwekkende hoeveelheid bestudeerde auteurs en bronmateriaal.

Innovatief is vooral Mennens uitgangspunt om de repetoiredebatten vanuit een transnationaal perspectief te analyseren. Ofschoon de ‘transfer’ van ideeën en opvattingen – in lijn met de verwachting – vooral een eenrichtingsverkeer van Duitsland naar Nederland was, laat Mennen een opvallende verknooptheid van de repertoirediscussies in beide landen zien. Hiermee relativeert hij de uniciteit van de Duitse situatie en toont hij overtuigend de waarde aan van een transnationale benadering boven een internationale vergelijking.

Vanzelfsprekend zijn er bij een werk van deze omvang ook kanttekeningen te plaatsen. Opvallend is de expliciet geformuleerde vooronderstelling dat de uiterlijke vorm van het publiek vertoon van sociale en politieke bewegingen niet aan de inhoud van hun idealen gekoppeld hoeft te zijn (35). Om basis hiervan richt Mennen zich vooral op discussies over de inzet van repertoirevormen en niet op discussies over de politiek-ideologische boodschap die men over wilde brengen. De loskoppeling van deze twee aspecten weerspreekt echter de door de auteur opgevoerde definitie van performance als uitdrukkingsvorm van culturele betekenisinhouden (37). Bovendien is het jammer dat Mennen zich met deze aanname van een belangrijke verklaringscontext voor veranderingen in het repertoire van voornoemde ‘zuilen’ berooft. Dat katholieken en sociaaldemocraten nationaalsocialistische repertoirevormen decontextualiseerden wanneer ze deze zelf wilden inzetten was zonder twijfel noodzakelijk voor de legitimering van deze inzet, maar zegt op zichzelf nog niets over de reden van de toe-eigening van repertoirevormen. Waartoe anders dan het uitdragen van hun politieke en maatschappelijke idealen zetten katholieke en sociaaldemocratische bewegingen vaandels, theater en demonstraties in? Door de terugkoppeling naar de achterliggende ideologische overtuiging te vermijden, krijgt Selbstinzenierung im öffentlichen Raum een beschrijvend karakter.

Het wordt bovendien twijfelachtig wanneer Mennen dit postulaat tevens als conclusie presenteert. Of het nu gaat om de discussies over kleinere symboliek (170), over het aannemen van jeugdig elan (235), of over het gebruik van uniformen (279), telkens concludeert Mennen dat noch katholieken, noch sociaaldemocraten een relatie zagen tussen repertoirevormen en ideologische inhoud en derhalve zonder gewetensbezwaren nationaalsocialistische repertoirevormen konden overnemen. Het is zeer de vraag of deze conclusies getrokken kunnen worden in een onderzoek dat uitgaat van het strikte onderscheid tussen vorm en inhoud en derhalve de relatie hiertussen niet als onderwerp heeft.

Gelukkig houdt Mennen zich niet heel strikt aan zijn zelfopgelegde focus op vorm in plaats van inhoud. Het zevende hoofdstuk, waarin hij zich richt op de discussies over straatgeweld in de vroege jaren dertig, is wellicht het sterkste hoofdstuk van het boek. In een scherpe analyse laat Mennen zien hoe rond 1933 onder Nederlandse sociaaldemocraten veranderende opvattingen over democratie samenhingen met repertoirediscussies. Waar voor 1933 democratie een ideaal was om voor te strijden, werd het na 1933 een normatief handelingskader. Door geweld als ondemocratisch te bestempelen, konden sociaaldemocraten de nationaalsocialisten en communisten hun plek binnen de democratie ontzeggen. Omdat deze groepen fysiek geweld niet schroomden, betuigden ze zich volgens de nieuwe opvatting over democratie immers ‘ondemocratisch’.

Selbstinszenierung im öffentlichen Raum opent een debat over de relaties tussen het handelingsrepertoire van gematigde en radicale politieke bewegingen in het interbellum dat nooit echt grondig gevoerd is. Hoewel de discussie breder gevoerd mag worden dan de reikwijdte van dit onderzoek behelst, biedt het boek meer dan voldoende stof voor verdere discussie.