Pauline Micheels schreef een boeiende, pretentieloze, biografie over dr. Henriette (Jetty) Boas (1911–2001), die het meest bekend is geworden door haar rol van opiniemaker tijdens de Weinreb-affaire. In het boek ontbreekt iedere vorm van reflectie op het genre biografie, een bredere contextualisering van Boas, of zelfs maar een verantwoording van waarom deze biografie geschreven moest worden. Wie dit niet zoekt zal echter vermoedelijk niet teleurgesteld worden. Micheels leverde een vlot geschreven boek af, dat een neutraal ogend beeld schetst van een markante Joodse vrouw die met name in de laatste decennia van haar leven faam verwierf als notoire schrijfster van ingezonden brieven en een prominente rol speelde in de opinievorming over zaken die heel Nederland bezighielden.

Micheels baseert zich grotendeels op de zeer uitgebreide correspondentie van Boas die in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek wordt bewaard. Hierdoor kan de auteur vooral de tijdgenoten zelf aan het woord laten, wat de leesbaarheid bevordert en er voor zorgt dat ze zelf over het algemeen op gepaste afstand blijft .

Het leven van Boas wordt grotendeels chronologisch uiteengezet. Ze groeide op in Amsterdam, waar ze in de voetsporen van haar vader trad en promoveerde als classica. Toen Duitsland in 1940 Nederland binnenviel was Boas reeds een aantal maanden vertrokken naar Parijs met een studiebeurs. Via Parijs kwam ze in Londen, waar ze de oorlog zou doorkomen. Na de oorlog probeerde ze zich enkele jaren in Israël te vestigen, om, enigszins gedesillusioneerd, naar Nederland terug te keren. Daar ging ze uiteindelijk aan het werk als lerares klassieke talen op verschillende scholen, waarvoor ze pas op late leeftijd een vaste aanstelling kreeg. De twee rode draden in haar leven waren enerzijds het fanatisme waarmee ze brieven inzond over allerlei onderwerpen, vooral als het Joodse aangelegenheden betrof, en anderzijds haar onvermogen om gezonde (werk)relaties te ontwikkelen met andere mensen.

Boas’ moeizame relaties met anderen is wellicht het sterkste patroon dat naar voren komt in de biografie: ‘En toch, het patroon is bijna standaard: mensen die heel aardig of geschikt lijken, blijken na een tijdje toch niet zo perfect’ (79). Over de reden hiervoor laat de auteur vooral de tijdgenoten aan het woord (‘hysteria en schizophrenia’ (92); ‘uw geest is niet gezond’ (113); ‘notoriously unbalanced person’ (152); ‘complete lack of common sense’ (156). Boas wist zelf ook dat ze op persoonlijk vlak niet optimaal functioneerde (‘Ze functioneert niet goed en weet dat zelf ook wel’ (117)) en laat zich daarom in 1952 psychologisch testen. Boas was het eens met de conclusie dat ‘een verhouding van mens tot mens’ niet bij haar tot stand kwam. Ze vond de analyse echter weinig diepgaand en zocht verder geen psychische hulp. Boas’ moeizame omgang met mensen in combinatie met een bijna obsessieve drang om zaken die niet klopten of onrechtvaardig waren recht te zetten, zouden haar wellicht nu een diagnose van een storing in het autisme spectrum opleveren. Heel relevant is een dergelijk etiket echter niet voor de biografie, en de auteur houdt zich dan ook terecht verre van dat soort bespiegelingen.

Dankzij de onvermoeide ‘bemoeienissen’ van Boas wordt een mooie, en originele, inkijk gegeven op allerlei zaken van nationaal, en zeker ook Joods, belang, zoals het gebruik van de ‘Hollandsche Schouwburg’ na de oorlog, de bestemming van de in onbruik geraakte synagogen op het Jonas Daniel Meijerplein, het fenomeen Anne Frank, de publicatie van de geschriften van Etty Hillesum en het boek Ondergang van Jacques Presser. Voor de lezer die niet goed bekend is met Henriette Boas blijft het tot hoofdstuk 6 echter een raadsel waarom zij het onderwerp van een uitgebreide biografie is geworden. In de eerste vijf hoofdstukken komt zij vooral naar voren als een moeilijk persoon, die door weinigen serieus genomen werd en een zeer bescheiden plaats inneemt in de geschiedenis. Deze hoofdstukken hadden wellicht korter gekund, of in ieder geval meer kunnen vooruitblikken op de faam die Boas later zou vergaren. Veel van wat er hier aan de orde komt lijkt triviaal.

Pas als Boas’ rol in de Weinreb-affaire (hoofdstuk 6) wordt besproken dan wordt duidelijk waarom zij het onderwerp van een biografie is geworden. Weinreb was een Jood van wie lange tijd niet duidelijk was of hij in de oorlog een held of juist een collaborateur was. Boas was een van de voornaamste aanhangers van de tweede opinie. Nederland werd vanaf midden jaren zestig, mede door de complexiteit en gevoeligheid van de zaak, vele jaren door de Weinreb-affaire bezig gehouden. Boas heeft haar faam mede aan deze zaak te danken. Volgens de tegen haar agerende publiciste Renate Rubinstein was ze zelfs ‘een dame van wie nog nooit iemand zou hebben gehoord als Weinreb niet had bestaan’ (160). Ook in de zaak Menten (hoofdstuk 7), een veroordeelde oorlogsmisdadiger, speelde zij een prominente rol. Boas was de pensioenleeftijd al gepasseerd toen ze in de jaren tachtig steeds meer bewonderaars kreeg. Zoals ze zelf schreef: ‘Mijn bekendheid dank ik [...] aan mijn vele Ingezonden Stukken [...] als er weer eens onzin over Israël of het Jodendom wordt geschreven’ (218).

In zijn geheel is deze biografie een mooie aanwinst. Ook onderzoekers die zich niet interesseren in de persoon van Boas zullen bij het boek terechtkomen als ze iets willen schrijven over de vele zaken waarover zij zich uitgebreid heeft uitgelaten. Daarmee is het boek niet alleen een geslaagde biografie, maar geeft het ook een mooie inkijk in Nederland in de tweede helft van de twintigste eeuw.