In het onderzoek dat Christiaan van der Spek in dienst van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie verrichtte, staat de vraag centraal hoe ‘Hollands’ het Hollandse leger was onder koning Lodewijk Napoleon (1806–1810) en tijdens de inlijving bij het Franse Keizerrijk (1810–1813). Onder Holland verstaat de auteur de gebieden van het huidige Nederland die in 1795 niet door de Fransen waren bezet. Belangrijke delen beneden de grote rivieren, zoals Limburg, vallen dus buiten het onderzoek. Van der Spek positioneert zijn dissertatie in de historiografie als een krijgshistorische aanvulling op recent onderzoek van historici als Johan Joor, Lotte Jensen en Martijn van der Burg, die de Franse tijd op respectievelijk politiek, cultureel en juridisch vlak kenschetsen als een periode van onrust en verzet. Zij nemen daarmee afstand van een oudere visie van gezapigheid en berusting tijdens de Franse overheersing, die vooral is uitgedragen door de invloedrijke historicus H.Th. Colenbrander (1871–1945).

Sous les Armes bestaat uit drie delen. De eerste twee delen handelen hoofdzakelijk over de organisatiestructuur, de sterkte en het operationeel optreden van het Hollandse leger onder koning Lodewijk Napoleon. De auteur beschrijft op begrijpelijke en deskundige wijze hoe Lodewijk laveerde tussen een lege schatkist, Hollandse belangen en de druk van zijn broer Napoleon Bonaparte om een groter leger te vormen. Vooral tijdens veldtochten in Duitsland en Spanje en bij een Engelse landing in 1809 op Walcheren ging Lodewijk gebukt onder het juk van de machtige keizer in Parijs. Napoleon duldde op deze voor hem belangrijke strijdtonelen geen initiatieven van de Hollandse koning, die hij in 1806 niet voor niets zelf op de troon had geplaatst om het land en zijn leger sterker aan zich te binden. Toch lukte het de eigenzinnige, eerzuchtige en ietwat ijdele Lodewijk soms bij minder gevoelige militaire kwesties een zelfstandige koers te varen. Zo stichtte hij tot ongenoegen van Napoleon een eigen ridderorde om eendracht en loyaliteit aan zijn persoon te bevorderen: de Koninklijke Orde van de Unie. Tijdens ceremonies die met veel on-Hollandse pracht en praal gepaard gingen, ontvingen geridderden fraai gedecoreerde kruisen en sterren uit zijn hand. Ook had Lodewijk in die eerste jaren een niet onbelangrijke vinger in de pap bij de legervorming. Bij de talrijke reorganisaties van divisies, brigades en bataljons – waar de dissertatie overigens wel erg gedetailleerd op ingaat – speelde de Hollandse koning en zijn legerleiding niet zelden een rol. Maar het grootste succes van Lodewijk was dat hij de gevreesde Franse conscriptie (dienstplicht) buiten de deur wist te houden.

Toen Lodewijk Napoleon in 1810 van het toneel verdween, bracht de inlijving bij het Franse keizerrijk alsnog dienstplicht met zich mee. Daarnaast werd het Hollandse leger volledig geïncorporeerd in de multinationale Grande Armée van Napoleon. In het derde deel veronderstelt Van der Spek aan de hand van dagboeken, reisjournalen en memoires van officieren, beroepsmilitairen en dienstplichtigen dat er in deze periode ondanks de Franse overheersing een eigen militaire identiteit bewaard bleef, die zich zelfs vertaalde in groeiende nationale, vaderlandslievende gevoelens. De Franse druk, de bizarre veldtocht in Rusland en de ontberingen van het militair bestaan zouden enerzijds een vijandbeeld en afkeer van de Fransen hebben aangewakkerd en anderzijds het saamhorigheidsgevoel hebben versterkt onder lotgenoten die dezelfde taal spraken.

In zijn slotbeschouwing concludeert Van der Spek dat er binnen het krijgsbedrijf wel ruimte was voor een eigen Hollandse koers, maar dat er merendeels sprake was van een door Parijs afgedwongen aanpassing. Hij nuanceert naar eigen zeggen daarmee het beeld van onrust en verzet dat de laatste decennia opgang heeft gemaakt. Dit is niet de eerste nuancering die Van der Spek in zijn dissertatie maakt, en dat is een schaduwkant van het verder helder geschreven en mooi geïllustreerde proefschrift. De auteur plaatst in het derde hoofdstuk een aantal stellige uitspraken, die hij vervolgens zwak onderbouwt of soms zelfs tegenspreekt. Een goed voorbeeld daarvan is zijn zienswijze over de desertie – de dienstontduiking voorafgaand aan de eigenlijke dienstplicht blijft grotendeels buiten beschouwing – van Hollandse militairen uit Napoleons leger. Op bladzijde 317 schrijft Van der Spek dat de Hollanders de Franse keizer na de desastreus verlopen Russische veldtocht massaal in de steek lieten en verderop dat de desertie onder Hollandse soldaten in de laatste maanden van het keizerrijk grote proporties aannam. Hij baseert zich daarbij enkel op dagboeken en memoires van de Hollandse militairen en niet op kwantitatieve gegevens. Het is een magere wetenschappelijke onderbouwing die Van der Spek in de volgende bladzijden bovendien zelf lijkt te ondergraven. Hij laat de geïnteresseerde lezer in verwarring achter wanneer hij schrijft dat de Hollanders tot het eind toe trouw voor de Fransen bleven vechten en dat, in tegenstelling tot verschillende Westfaalse, Saksische en Pruisische eenheden, geen Hollandse regimenten in hun geheel naar de tegenpartij overliepen. Vervolgens komt de auteur met een minder stellige bewering die de grootschalige desertie onder de Hollandse troepen nog verder tegenspreekt. Volgens Van der Spek waren de Hollandse militairen vanwege hun christelijke achtergrond waarschijnlijk volgzaam en minder geneigd tot deserteren. Hij vergelijkt de Hollandse gelovigen met de soldaten uit Frankrijk, een land waar volgens hem het geloof na de revolutie vrijwel uit het straatbeeld verdwenen was. Een vergelijking die aanvechtbaar is, want kende het katholicisme niet vooral op het Franse platteland nog een grote aanhang?

Een vergelijkbaar verwarrend beeld ontstaat wanneer de auteur de conscriptierellen na de invoering van de dienstplicht in 1810 behandelt. Hij schrijft over een grimmige sfeer onder de bevolking, die zich uitte in opstootjes en rellen. Maar ook nu volgt een nuancering: de omvang van het verzet moet volgens Van der Spek vanuit het oogpunt van de Franse autoriteiten niet worden overdreven. Hij illustreert dit met een verslag uit 1813 van de prefect van het departement van de Zuiderzee waarin deze vol trots aan de intendant voor Binnenlandse Zaken, François d’Alphonse, meldt dat er de afgelopen tweeëneenhalve maand tijdens de afgelopen conscriptieronde in zijn departement geen straffen zijn uitgedeeld. Het is om twee redenen opmerkelijk dat Van der Spek zich hier vooral baseert op verslagen van deze en andere prefecten. Ten eerste omdat aan de positieve toon van dergelijk verslagen – hij noemt het zelf ook – vaak politiek-opportunistische overwegingen ten grondslag lagen. Ten tweede omdat een belangrijk punt van kritiek van Joor op de traditionele geschiedschrijving van Colenbrander juist was dat die zich beperkte tot de archieven van centrale autoriteiten en aan archiefmateriaal op een lager lokaal niveau geen aandacht besteedde. Nu nuanceert Van der Spek ironisch genoeg op basis van dezelfde diplomatieke centrale bronnen als Colenbrander de visie van Joor.

De studie van Van der Spek geeft een gedetailleerd beeld van het wel en wee van het Hollandse leger en zijn manschappen in de periode 1806–1813. De legerorganisatie, reorganisaties en veldtochten komen op een niet eerder beschreven integrale wijze aan bod. Sous les Arms is daarmee een interessante bijdrage aan de Nederlandse militaire geschiedenis. Of de studie ook een aandeel levert aan het bredere wetenschappelijk debat over de mate waarin de Nederlandse bevolking zich verzette tegen de Franse overheerser moet, op grond van een aantal niet eenduidige antwoorden en vragen die het boek na lezing achterlaat, worden betwijfeld.