In Nederland wonen meer dan een miljoen postkoloniale migranten: mensen die om uiteenlopende redenen uit de (voormalige) koloniën naar het Europese rijksdeel Nederland zijn gemigreerd (zie ook Ulbe Bosma, Terug uit de koloniën, 2009). Het is echter opvallend dat deze groepen in de Nederlandse publieke discussie van de afgelopen decennia maar zelden onder één noemer werden geschaard. Publieke en politieke debatten werden zelden gevoerd over ‘postkoloniale migranten’, maar eerder over ‘Indische mensen’, ‘Molukkers’, ‘Surinamers’ of ‘Antillianen’. In het boek Oude onbekenden van Charlotte Laarman (als proefschrift aan de Universiteit Leiden geschreven) worden deze verschillende groepen juist wel onder die ene onderzoekscategorie geanalyseerd.

Oude onbekenden stelt de vraag ‘door wie, wanneer en waarom discursieve strategieën werden gebruikt in politieke en publieke debatten over in- en uitsluiting’ van postkoloniale migrantengroepen, in de periode 1945–2005 (13). Laarman is niet zozeer geïnteresseerd in het door andere auteurs al uitvoerig beschreven beleid ten aanzien van deze groepen, als wel in de beeldvorming over postkoloniale migrantengroepen in het publieke discours: bewoordingen, assumpties, vooroordelen, overtuigingen.

In de inleiding introduceert Laarman drie hypotheses over vorm en inhoud van het discours rondom postkoloniale migranten. Ten eerste gaat zij ervan uit dat voorstellingen afkomstig uit de koloniale maatschappij met de migranten meereisden naar Nederland. Ten tweede hadden postkoloniale migranten niet alleen voordelen ten opzichte van anderen migrantengroepen – zoals (in sommige gevallen) juridisch burgerschap, culturele of biologische verwantschap, of de mogelijkheid om een beroep te doen op Nederlandse morele schuld – maar ook hun eigen specifieke nadelen. In aansluiting op de door Gert Oostindie in Postkoloniaal Nederland (2009) gebezigde terminologie van de ‘postkoloniale bonus’ spreekt Laarman hier van een ‘postkoloniale malus’. Ten derde stelt zij dat juist een studie van groepen die zich op het ‘snijvlak van discursief en juridisch burgerschap’ bevinden zicht kan geven op hoe, waar en waarom grenzen tussen etnische groepen werden getrokken.

De inleiding wordt gevolgd door een zestal empirische hoofdstukken: twee hoofdstukken over de koloniale achtergrond van de besproken migrantengroepen in respectievelijk Nederlands-Indië/Indonesië (hoofdstuk 2) en Suriname (hoofdstuk 5), en vier hoofdstukken over het publieke discours rondom verschillende migrantengroepen na hun migratie (Indische Nederlanders, hoofdstuk 3; Molukkers, hoofdstuk 4; Surinamers, hoofdstuk 6; Antillianen, hoofdstuk 7). De analyse is gebaseerd op circa 7.000 krantenartikelen, die zowel kwantitatief als kwalitatief zijn onderzocht. Voor ieder van de betreffende migrantengroepen focust Laarman op wat zij ‘scharnierpunten’ noemt: periodes waarin ingrijpende gebeurtenissen of nieuwe omstandigheden leidden tot hevige discussies waarin het beeld van de migranten veranderde (of juist verder in steen gebeiteld raakte). Dergelijke scharnierpunten zijn bijvoorbeeld de grootschalige migraties van Indische mensen in de jaren vijftig en van Surinamers in de jaren zeventig, de treinkapingen door Molukse activisten in de jaren zeventig, of de debatten over criminaliteit onder Antilliaanse jongeren in de jaren negentig en 2000.

Laarman identificeert een aantal factoren die de ‘discursieve ruimte’ van het debat beïnvloeden en dus bepalen wat deelnemers al dan niet kunnen zeggen als zij serieus genomen willen worden (21–23). Daaronder vallen onder andere de bekendheid met de betreffende groep onder de bredere Nederlandse bevolking, de bruikbaarheid van noties als (ere)schuld en morele verplichting of de samenstellende kenmerken van de betreffende groep (klasse, omvang, enzovoort). Niet voor ieder van de postkoloniale migrantengroepen werkten deze factoren op ieder moment hetzelfde. Over sommige groepen was de kennis in de Nederlandse maatschappij bijvoorbeeld uitgebreider dan over andere (Indische migranten vs. Surinamers of Antillianen). Ook leidde de opleiding of (culturele) achtergrond van sommige groepen tot verschillende mogelijkheden tot succesvolle vestiging in Nederland (Indische mensen vs. Molukkers, Afro-Surinamers vs. Hindostanen). In haar empirische hoofdstukken werkt Laarman dergelijke verschillen in detail uit.

Oude onbekenden sluit aan bij een rijke wetenschappelijke literatuur over postkoloniale migrantengroepen in Nederland. Zoals Laarman zelf terecht aangeeft worden in die literatuur over het algemeen de verschillende postkoloniale migrantengroepen afzonderlijk behandeld, waardoor te weinig bekend is over verschillen en overeenkomsten tussen de verschillende groepen (17). Laarman benadrukt verder herhaaldelijk dat haar studie in tegenstelling tot de meeste literatuur niet (alleen) het beleid met betrekking tot postkoloniale migranten analyseert, maar (ook) de publieke discussies (13, 218). Helaas maakt zij zelden expliciet welke nieuwe inzichten ten aanzien van de beeldvorming over postkoloniale migranten dit oplevert. Hier lijkt bovendien de keuze om te focussen op ‘scharnierpunten’ nadelig te zijn: door deze benadering komen uiteindelijk in het boek voornamelijk de reeds lang bekende en al uitgebreider onderzochte affaires en conflictmomenten aan bod (bijvoorbeeld momenten van massamigratie, de Molukse treinkapingen, discussies om slavernijverleden of om de oprichting van een slavernijmonument).

Een belangrijke rode draad door Oude onbekenden is de discussie die Laarman aangaat met de door Gert Oostindie geïntroduceerde these van een ‘postkoloniale bonus’. Het boek levert gedetailleerde en waardevolle illustraties op van hoe en wanneer deze bonus functioneerde. Laarman toont bijvoorbeeld dat op een aantal cruciale momenten – voor Surinamers midden jaren zeventig, voor Antillianen in de jaren negentig en 2000 – de postkoloniale bonus van het juridische staatsburgerschap ervoor zorgde dat groepen die discursief werden buitengesloten uit de Nederlandse maatschappij toch hun vestiging konden afdwingen. Op dit vlak ligt ook de waarde van Laarmans lange-termijn analyse: zij kan hierdoor laten zien dat noties van morele verplichting en schuld ten opzichte van de bevolking van de koloniën in de loop van de decennia sterk zijn verschoven.

Minder overtuigend is de herhaalde claim dat er naast een postkoloniale bonus eveneens een postkoloniale malus bestond. De uitwerking van deze analogie is onvolmaakt. Het idee van de postkoloniale bonus is dat het hier een specifiek voordeel betreft dat postkoloniale migranten hebben in vergelijking met andere migranten. Maar de meeste malussen die Laarman opvoert lijken algemene nadelen te betreffen die evengoed voor andere migrantengroepen hebben gegolden. Zo beschrijft zij de biologische verwantschapsclaim met de Nederlandse samenleving als een postkoloniale bonus voor Indische Nederlanders die in de jaren vijftig naar Nederland migreerden, maar identificeert in dezelfde passage het overheidsbeleid dat het (cultureel) anders-zijn van de groep benadrukt als een postkoloniale malus (100). De genoemde bonus is inderdaad een voordeel ten opzichte van niet-postkoloniale migranten groepen. De genoemde malus lijkt daarentegen niet specifiek postkoloniaal te zijn. In dit opzicht wreekt zich een belangrijk gemis in Oude onbekenden: enkel postkoloniale migrantengroepen worden bestudeerd, terwijl vergelijkingen met andere migrantengroepen (bijvoorbeeld Turkse en Marokkaanse ‘gastarbeiders’) slechts sporadisch en terloops worden gemaakt. Een definitieve conclusie over de postkoloniale bonus en postkoloniale malus kan echter alleen worden getrokken na een systematischer vergelijking met niet-postkoloniale migrantengroepen.

Al met al is Oude onbekenden een nuttig overzicht van (de beeldvorming over) postkoloniale migrantengroepen in Nederland, vooral vanwege de brede opzet. Met name de analyse van hoe koloniale discoursen met de migranten zijn meegereisd naar Nederland levert een waardevolle en overtuigende bijdrage aan hedendaagse discussies over postkoloniaal Nederland. Maar de discussie over het nut en nadeel van de analytische categorie ‘postkoloniale migrant’ zal met deze studie vermoedelijk nog niet afgerond zijn.