In 1977, toen Theun de Vries op de jaarvergadering van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden benoemd werd tot erelid, kwam hij nogal moeizaam het podium op om zijn dankwoord uit te spreken. Hij had op dat moment last van spit en het kostte hem moeite zich te bewegen en te bukken. Maar, zei hij, dat laatste was voor hem niet zo nieuw: ‘In ander verband was moeilijk bukken er voor mij steeds wel bij – in het gezin, de school, in de maatschappij, in de bezettingstijd, en ook in de partij waarin ik mijn politieke bestemming meende te hebben gevonden.’ (Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1976–1977, 19)

Wie de uitstekende biografie van Jos Perry over de literator De Vries, bekend om zijn historische romans, heeft uitgelezen, moet zich wel over die uitspraak verbazen. Zeker, bij tijd en wijle was De Vries erg opstandig en wilde hij zich niets laten gezeggen. Maar zijn, zoals ik het zie, jarenlange hondentrouw aan de Sovjet-Unie en de Communistische Partij Nederland, tot ver na de dood van Stalin, en zijn onmiddellijk bukken voor wat de partijlijn ook maar voorschreef, staan in schril contrast tot het beeld van de immer revolterende auteur dat De Vries van zichzelf wilde ophangen. In de oorlog toonde hij zich een goede vaderlander, maar voor en na de oorlog liet hij zich keer op keer voor het karretje van de Sovjetpropaganda spannen en negeerde hij consequent alle aanwijzingen dat de Sovjet-Unie bepaald geen heilstaat in wording was. Een dieptepunt was in 1949 wel de ode aan Stalin (‘heeft zich in hem het fier genie onthuld/van ’t volk dat niet meer duldt, maar zelf beschikt’, 135). Later heeft De Vries wel ingezien dat hij een fundamentele fout had begaan, maar tot kritisch zelfonderzoek kwam het niet. Mensen die het vroeger hadden gedurfd om de Sovjet-Unie op de korrel te nemen en daarom door De Vries verketterd waren, maar die achteraf volkomen gelijk hadden gekregen, moesten het doen met dooddoeners in de trant van ‘de intentie was goed, de uitvoering verkeerd’. Het communisme in de Sovjet-Unie was ontaard, maar het principe deugde (288–289).

Dit alles staat, voor wie het lezen wil, heel duidelijk in Perry’s biografie. De auteur heeft duidelijk een zwak voor De Vries – op zichzelf geen slecht uitgangspunt voor een biografie – maar verbloemt ook niets wat tegen de schrijver zou kunnen pleiten. Toch legt hij de nadruk op iets anders. De kern van het leven van De Vries is volgens Perry de metamorfose die de auteur steeds onderging. De Vries was iemand die zichzelf steeds opnieuw uitvond, die zich steeds weer losscheurde van wat hij was geweest en die zo, door steeds opnieuw de oude huid af te stropen, pas waarlijk mens werd, ‘vrij en soeverein’ (341). In een tijd die ‘identiteit’ vaak vereenzelvigt met afkomst en waarin iedereen zich blindstaart op ‘roots’ en ‘genen’, is dat voor Perry een tegendraads en inspirerend perspectief. Dat was de ware Theun de Vries, de man, die als hij eenmaal achter zijn schrijftafel zat, gegrepen door het onderwerp van zijn nieuwe roman, de taal en de sfeer van de politieke propaganda ontsteeg. ‘Zo volgzaam als hij jarenlang in de politiek is geweest, zo eigenwijs was hij in de literatuur’ (340).

Op dit stramien heeft Perry een knappe biografie geschreven, aangenaam van toon en taal, uitstekend gedocumenteerd en helder geannoteerd, mild-kritisch en toch loyaal jegens zijn onderwerp. In de beproefd chronologische opzet van het boek kunnen we het leven van Theun de Vries vanaf zijn Friese en Apeldoornse jeugd goed volgen. Nergens ontaardt het boek in een aaneenrijging van leesverslagen en soms worden de romans en novellen van De Vries zelfs zo beschreven dat althans deze lezer de neiging bekroop om een boek van De Vries uit de bibliotheek te halen of op het internet op te zoeken (alleen de verzetsroman Het meisje met het rode haar is nog in druk). Maar of Perry erin is geslaagd De Vries te ontdoen van het imago dat hij een vlotte verteller was zonder psychologische diepgang, een nijvere boekenfabrikant eerder dan een literator (aldus W.F. Hermans), waag ik te betwijfelen. Daarvoor gaat ook de psychologie van de biograaf niet erg diep – al is dat helemaal geen bezwaar. Zo had ik graag – gezien juist de thematiek van de man die zich via de literatuur steeds weer losmaakt van het oude en een nieuwe identiteit aanneemt – meer willen weten over de Fries in Theun de Vries, over zijn verhouding tot zijn Friese afkomst. Dat er sprake is geweest van verwijdering tussen hem en zijn Heitelân is duidelijk, maar lag het aan de Friezen of aan De Vries? Wie werkelijk vrij is, kan zich zonder problemen verdiepen in waar hij vandaan komt.

Maar er is ook die andere kant, de politieke Theun de Vries. Nadat hij jarenlang, als trouw CPN’er, gemeden was door de ‘burgerlijke’ literatoren, trad er al in de jaren zestig een proces op dat als rehabilitatie of als verzoening kan worden gezien. Steeds meer literaire eerbewijzen vielen hem ten deel, waaronder de P.C. Hooftprijs en het erelidmaatschap van de Maatschappij. Toen De Vries zo op het oog niet meer de spijkerharde stalinist was die hij lang na de oorlog nog meende te moeten zijn, sloot letterminnend Nederland hem weer in de armen. Is dat niet vreemd? Een nationaalsocialist zonder bloed aan zijn handen zal in Nederland nooit gerehabiliteerd worden, maar voor een stalinist, ook zonder bloed aan zijn handen maar net zo goed jarenlang trouw aan een regime dat miljoenen slachtoffers maakte, bestaat die mogelijkheid kennelijk wel, ook zonder kritisch zelfonderzoek. Wat zegt dat over ons, over Nederland? Is het omdat wij nog steeds gevangen zitten in het vooroordeel dat de intenties bij de ene partij op elk punt fout en bij de andere in essentie goed waren? Perry’s biografie van De Vries roept keer op keer dit soort vragen op, in ieder geval bij deze recensent, maar antwoorden zullen we zelf moeten bedenken.