Inleiding

In Vlaendren daer nam hi sijn beghinssel

Doe de roomschconinck te Brugghe lach ghetoeft1

Zo verhaalde een dichter, die we alleen als A.J. kennen, over de rol van de Hollandse jonker Frans van Brederode in de op dat moment uitslaande Jonker Fransenoorlog. Het gedicht suggereert dat jonker Frans zijn strijd begon in Vlaanderen op het moment dat Maximiliaan van Oostenrijk in Brugge gevangen genomen werd door Vlaamse opstandelingen die zijn regentschap voor zijn minderjarige zoon Filips de Schone weigerden te aanvaarden.2 De Jonker Fransenoorlog, die Holland teisterde tussen november 1488 en augustus 1490, staat in dit artikel centraal. Deze opstand van Hollandse Hoeken onder leiding van jonker Frans wordt verbonden en vergeleken met de opstandigheid die gelijktijdig plaatsvond in Vlaanderen. Zo draagt dit artikel bij aan internationale historiografische debatten over opstandigheid in laatmiddeleeuws Europa en meer in het bijzonder in de Nederlanden. Opstand en opstandigheid worden gedefinieerd als een vorm van collectieve actie door mensen die gericht zijn op gemeenschappelijke sociaal-politieke en/of economische belangen. Opstand onderscheidt zich van revolutie doordat opstand niet op structurele maatschappelijke verandering is gericht. Het gaat immers niet om het omverwerpen van de bestaande politieke orde.3 Het in opstanden gebruikte geweld kon zulke vormen aannemen dat er van oorlogsdaden sprake is, ook al gaat het hier niet om oorlog tussen soevereine machten.4

De basis van de moderne geschiedschrijving over premoderne opstanden is terug te voeren tot George Rudé’s studie over de volksmassa in de Franse Revolutie. Rudé zag de Franse Revolutie als een belangrijke cesuur in de geschiedenis van volksopstanden. Vóór de Franse Revolutie zouden opstanden vooral zijn veroorzaakt door schaarste en hoge voedselprijzen en zouden vrouwen hierin een vooraanstaande rol gespeeld hebben. Vanaf de Franse Revolutie, met de Champs de Mars van juli 1791, zou de moderne volksopstand zijn ontstaan met stakingen die vooral een zaak van mannen waren. Vervolgens hebben historici en sociologen, onder wie de invloedrijke historische socioloog Charles Tilly, dit onderscheid tussen premoderne en moderne opstanden verder vorm gegeven. Zo kregen de deelnemers aan middeleeuwse en vroegmoderne opstanden onder meer religieuze ideologieën en millenaristische ideeën toegeschreven. Pas na de Franse Revolutie zouden volksopstanden seculier zijn geworden.5

Samuel Cohn is vervolgens nagegaan in hoeverre laatmiddeleeuwse opstanden voldoen aan het model van premoderne opstandigheid zoals dat sinds Rudé opgang heeft gemaakt. Voedselrellen waren volgens hem zeer zeldzaam, vrouwen waren vaak afwezig en van brute onderdrukking was zelden sprake. Ook was adellijk leiderschap veeleer uitzonderlijk. Cohn stelde ook vast dat de laatmiddeleeuwse opstanden het resultaat waren van planning, onderhandeling, vergaderingen, broederschappen en/of verkiezingen. Hij wees erop dat religieuze dogma’s meestal ontbraken, dat het afslachten van onschuldigen in de late middeleeuwen uitzonderlijk was, en dat een belangrijk deel van de laatmiddeleeuwse opstanden slaagde. Cohn beargumenteert dat laatmiddeleeuwse opstanden op al deze punten ook afwijken van moderne opstanden, zoals de Arabische Lente.6 Terwijl Cohn en anderen betoogden dat laatmiddeleeuwse opstanden moeten worden gezien als vormen van ordeverstoring door sociale klassen die reageerden op toenemende militaire en fiscale eisen, gaan andere historici er daarentegen van uit dat opstanden staatsvormingsprocessen juist ondersteunden.7

Cohns conclusies zijn hoofdzakelijk gebaseerd op onderzoek naar veertiende-eeuwse opstanden.8 In de vijftiende eeuw vond er een omslag plaats waarin de staat meer autoritaire en hiërarchische structuren kon inzetten om haar voortbestaan te garanderen en de stabiliteit te vergroten. In Frankrijk en de Bourgondische Nederlanden bijvoorbeeld werden stedelijke elites vanaf deze periode meer bij het centrale bestuur betrokken waardoor de kansen op het slagen van stedelijke opstanden afnamen.9 In recent onderzoek staat de relatie tussen opstanden en hun institutioneel-politieke context centraal.10 De opkomende staat wordt niet langer als één geheel gezien, maar veeleer als een samengesteld complex, waarvan het bestuur lang niet altijd één front vormde, maar moet worden gezien als ‘polycentrisch’. Volgens Patrick Lantschner, die deze benadering hanteert, betekent dit dat opstanden niet noodzakelijkerwijs tegen ‘de’ staat waren gericht, maar beschouwd moeten worden in een context van veelvoudige interacties die plaatsvonden in een gelaagde en potentieel fragiele omgeving.11 In dit verband is het bijvoorbeeld interessant te kijken naar de rol van elites in opstanden.12

Dit polycentrische perspectief, dat in dit artikel als uitgangspunt fungeert voor een studie naar de Jonker Fransenoorlog, vinden we terug in het recente onderzoek naar opstandigheid in België en Nederland, dat in beide landen een lange traditie kent. De strijd van de particularistische steden tegen de oprukkende staat is een klassiek thema, al zijn er verschillen in aandacht en prioriteit. In Nederland gaat de interesse als vanzelfsprekend eerst en vooral uit naar de Nederlandse Opstand. Deze Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) begon als opstand, en groeide uit tot een burgeroorlog en werd uiteindelijk opgevat als de onafhankelijkheidsstrijd van de Nederlandse Republiek.13 In Nederland bestaat er relatief weinig belangstelling voor de opstandigheid die aan de Tachtigjarige Oorlog vooraf ging.14 In België heeft de grote opstandige traditie in Vlaanderen en Brabant in de late middeleeuwen de meeste aandacht getrokken. Het onderzoek naar de Vlaamse Opstand aan het einde van de vijftiende eeuw past in deze traditie, zij het dat dit onderzoek pas in recente jaren een hoge vlucht heeft genomen, met name door het werk van Jelle Haemers.15 Het is duidelijk geworden dat de Vlaamse Opstand niet een opstand was van steden tegen de opkomende staat, maar veeleer een strijd tussen facties zowel aan het hof als in de steden, waar een sterke verdeeldheid ontstond over het regentschap van Maximiliaan van Oostenrijk. Ook de opstandigheid in andere gewesten, waaronder Brabant en Utrecht, heeft recentelijk de aandacht van historici getrokken.16

De opstandigheid in de Nederlandse gewesten aan het einde van de vijftiende eeuw moet in het verlengde worden gezien van de regeringscrisis waarin de Nederlanden sinds 1477 verkeerden. De Bourgondische hertog Filips de Goede had zijn verzameling Nederlandse gewesten, die zich aanvankelijk beperkte tot Vlaanderen en Artesië, tussen 1425 en 1435 uitgebreid met Brabant, Limburg, Namen, Luxemburg, Holland, Zeeland en Henegouwen. In Holland en Zeeland was de machtsstrijd die Filips van Bourgondië gedurende drie jaar met Jacoba van Beieren uitvocht een bloedige oorlog waarin de eerste gesteund werd door de Kabeljauwen en de laatste door de Hoeken. De strijd eindigde met de Zoen van Delft van 1428 waarin Jacoba Filips als haar erfgenaam en stadhouder erkende. Tegelijkertijd streefde de vorst naar integratie van zijn territoria door, onder andere, de vestiging van administratieve, juridische, financiële, fiscale en militaire instellingen en procedures en intensivering van het overleg met zijn onderdanen in de Staten-Generaal en gewestelijke statenvergaderingen. De edelen en de stedelijke elites werden in toenemende mate betrokken in de Bourgondische instellingen en dankten hun rijkdom en invloed in toenemende mate aan de vorst.

Onder Filips’ opvolger Karel de Stoute, die een agressieve, vooral tegen Frankrijk gerichte buitenlandse politiek voerde met het doel de Nederlanden en Bourgondië geografisch met elkaar te verbinden, namen de spanningen in de Nederlanden toe ten gevolge van oorlogvoering en de daaraan gerelateerde verhoging van de belastingdruk. Ook de voortgaande uitbouw van centrale instellingen en de verkoop van ambten riepen in toenemende mate weerstand op, die met Karels onverwachte dood op het slagveld bij Nancy in januari 1477 tot een ernstige bestuurscrisis leidden. De onder het bewind van Karel de Stoute ontstane onvrede resulteerde in het Groot Privilege van 5 februari 1477. Hierin werd het centralisatiebeleid van de vorst teruggedraaid. Karels dochter, Maria van Bourgondië, moest dit privilege bezegelen in ruil voor de erkenning van haar opvolging. Holland en Zeeland stelden hun eigen eisen, die onder meer gericht waren op het vervangen van niet-Hollandse en niet-Zeeuwse ambtenaren door autochtonen en op rechtsbescherming van Hollanders en Zeeuwen. Vele bepalingen van het Groot Privilege werden in de praktijk al snel teruggedraaid op aansporing van Maria’s echtgenoot, aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk, zodat met het overlijden van de hertogin in 1482 een opvolgingscrisis ontstond die samenviel met grote onvrede over de oorlog tegen Frankrijk, de zware belastingen en de schendingen van de privileges.17 In verschillende delen van de Nederlanden braken opstanden uit waarvan de Vlaamse Opstand het meest in het oog springt.

Het Bourgondische staatsvormingsproces wordt in recent onderzoek gerelativeerd door de Bourgondische personele unie niet langer aan te duiden als een staat, maar veeleer als een composite monarchy.18 Hierdoor ontstaat meer aandacht voor regionale en lokale verschillen van deze Bourgondisering en van de reacties hierop.19 In dit kader past hernieuwde aandacht voor de ontwikkelingen in het gewest Holland ten tijde van de Vlaamse Opstand, en in het bijzonder voor de Jonker Fransenoorlog, waarin de Hoekse edelen Frans van Brederode en Jan van Montfoort respectievelijk Rotterdam en het toen nog tot Holland behorende Woerden bezet hielden. De Jonker Fransenoorlog heeft, in tegenstelling tot de Nederlandse en de Vlaamse Opstand, weinig aandacht gekregen in de historiografie.20 Zo kan ten eerste duidelijk worden gemaakt dat in Holland niet het regentschap van Maximiliaan van Oostenrijk de steen des aanstoots was, zoals in Vlaanderen, maar het de Hollandse opstandelingenleiders om het herstel van het evenwicht tussen Hoeken en Kabeljauwen en om het terugkrijgen van hun bezittingen en ambten te doen was. Ten tweede zal worden aangetoond dat de opstandelingen in Vlaanderen en Holland ondanks verschillende prioriteiten wel contact en samenwerking zochten. Ten derde zal worden betoogd dat de Jonker Fransenoorlog past in het kader van opstand als intensivering van bestaande onderhandelingsprocessen. Ten slotte laat deze bijdrage zien dat adellijke opstandelingenleiders er na afloop van een mislukte opstand beter van af kwamen dan stedelijke opstandelingen.

In de literatuur over Holland worden de Jonker Fransenoorlog en het Kaas- en Broodspel, een boerenopstand in West-Friesland in 1491-1492, beschouwd als de laatste stuiptrekkingen van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, de partijstrijd die het Hollandse politieke landschap beheerste tussen 1345 en het einde van de vijftiende eeuw.21 Het gedetailleerdste verslag van de Jonker Fransenoorlog in de moderne geschiedschrijving is te vinden in het proefschrift van Michel van Gent over de Hoekse en Kabeljauwse twisten.22 Dankzij de publicatie van de bronnen voor de geschiedenis van de dagvaarten van de steden en staten van Holland in de jaren 1477-1494 en in combinatie met de kronieken die relevant zijn voor de Jonker Fransenoorlog, kan zijn interpretatie worden aangevuld en hier en daar worden gecorrigeerd.23

Jan van Egmond, anoniem, na ca. 1510

https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/SK-A-1547.

De literatuur over Vlaanderen en de Nederlanden als geheel ziet de Jonker Fransenoorlog veelal als een noordelijke uitzaaiing van de Vlaamse Opstand en projecteert Vlaamse motieven op de Hollandse Hoeken onder leiding van Frans van Brederode.24 Dit artikel beziet de Jonker Fransenoorlog als een opstand in Holland en beoogt aan te sluiten bij de hierboven geschetste historische debatten door deze opstand te duiden in het kader van de complexe politieke en sociaal-economische omstandigheden in de Bourgondische Nederlanden aan het einde van de vijftiende eeuw.

De centrale vraag is of, en zo ja, in hoeverre de Jonker Fransenoorlog verbonden is met de gelijktijdige Vlaamse Opstand.25 Deze vraagstelling zal worden beantwoord door eerst in te gaan op de deelvraag naar de motieven en belangen van Frans van Brederode en Jan van Montfoort. Vervolgens zal worden onderzocht hoe de contacten tussen de Hoekse leiders en de Vlaamse opstandelingenleider Filips van Kleef tot stand kwamen en wat deze hebben betekend voor het verloop van de Jonker Fransenoorlog. In dit verband komen ook de contacten tussen het gewestelijke bestuur van Holland en de Vlaamse opstandelingen aan bod. Ten slotte worden de opstanden in Holland en Vlaanderen met elkaar vergeleken door achtereenvolgens toe te spitsen op de rol van de adellijke opstandelingenleiders, de rol van de steden en de verhoudingen op het platteland. In dit kader komt ook het Kaas- en Broodspel aan de orde. Zo ontstaat inzicht in de Hollandse opstandigheid in de jaren 1488-1492 in de context van het polycentrische politieke en sociale landschap. Daarmee kan een bijdrage worden geleverd aan de discussie over de vraag of de gelijktijdigheid van opstandigheid in verschillende Nederlandse gewesten kan worden opgevat als verschillende, zelfstandige bewegingen of dat het mogelijk is te spreken van één brede opstandige beweging tegen het centrale gezag uitgeoefend door Maximiliaan van Oostenrijk namens Filips de Schone. Immers, buiten Vlaanderen waren niet alleen in Holland en Brabant, maar bijvoorbeeld ook in Namen en Luxemburg opstandelingen actief. Voor een goed begrip van de bespreking van de aangekondigde aspecten volgen hieronder eerst beknopte overzichten van de belangrijkste ontwikkelingen ten tijde van de Vlaamse Opstand en de Jonker Fransenoorlog.

De Vlaamse Opstand

Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk trad, zoals gezegd, na de dood van Maria Bourgondië in 1482 op als regent van hun minderjarige zoontje Filips de Schone. Maximiliaans autocratische beleid druiste in tegen de belangen en privileges van de leidende stedelijke en adellijke elites en riep met name in Vlaanderen met zijn machtige steden bijzonder veel weerstand op. De Staten van Vlaanderen gingen voorop in de weigering zijn regentschap te erkennen en eisten de instelling van een regentschapsraad die het graafschap voortaan zou besturen. Hoewel Maximiliaan aanvankelijk, in juni 1483, instemde met de regentschapsraad trok hij deze in oktober weer in. De regentschapsraad, die uit edelen en vertegenwoordigers uit Brugge, Gent en Ieper bestond, zette het bestuur van Vlaanderen echter gewoon voort. De eerste Vlaamse Opstand was een feit. Na een strijd van een kleine twee jaar moesten de Vlaamse steden onder druk van Maximiliaans troepen in juni 1485 zijn inhuldiging als regent accepteren. Maar de onrust bleef. In november 1487 kwam Gent opnieuw in opstand. In februari 1488 sloot Brugge zich bij de opstand aan met de spectaculaire gevangenneming van de inmiddels tot rooms-koning verkozen Maximiliaan die zich op dat moment in de stad bevond.26 Beide steden zochten vervolgens steun bij de Staten-Generaal voor het instellen van een nieuwe regentschapsraad die in naam van Filips de Schone, maar met uitsluiting van Maximiliaan de Nederlanden, zou besturen. Brabant, Vlaanderen, Henegouwen en Zeeland sloten een verbondsakte, de zogenaamde Vrede van Brugge. De hierin vervatte voorwaarden en de rechten en privileges van de gewesten werden op 16 mei 1488 door Maximiliaan bezworen in ruil voor zijn vrijlating.27

Al voor de proclamatie van deze Vrede beseften de Vlamingen dat Maximiliaan zich niet bij deze vernedering zou neerleggen. Zij zochten een sterke leider die de oppositie tegen Maximiliaan kon coördineren en de strijd tegen de oprukkende Duitse troepen kon aangaan. Die leider werd gevonden in de persoon van Filips van Kleef, die in mei 1488 als gijzelaar in ruil voor Maximiliaans vrijlating in Gent gevangen zat. Hij was nog vóór de Vrede van Brugge bereid gevonden de Vlaamse troepen te leiden en onder toezicht van de Franse koning, de leenheer van de graaf van Vlaanderen, trad hij ook op als stadhouder-generaal van Filips de Schone.28 Met steun van Franse manschappen ondernam Filips van Kleef in september 1488 een veldtocht door Brabant. Terwijl Brussel, Nijvel en Leuven hem relatief welwillend ontvingen, weigerden Antwerpen, Bergen op Zoom en Den Bosch hun steun aan Maximiliaan op te zeggen. Filips’ tocht door Brabant ontaardde uiteindelijk in een gewelddadige veroveringstocht. Toen ook elders weinig vooruitgang werd geboekt – Luikse steun bij de verovering van Limburg bleef uit – en de Franse koning zijn prioriteiten van Vlaanderen naar Bretagne verlegde en deze laatste in juli 1489 vrede sloot met Maximiliaan, werd de situatie voor de Vlaamse opstandelingen uitzichtloos. In oktober aanvaardden de Vlamingen de vernederende Vrede van Montilz-les-Tours. De poging om van de Vlaamse Opstand een algemeen Nederlandse opstand tegen Maximiliaan te maken was mislukt.

Gent weigerde echter de vernederende vredesvoorwaarden te aanvaarden en ook in Brugge laaide het verzet tussen augustus en december 1490 weer op. Filips van Kleef koos positie in het grafelijk kasteel in Sluis en zocht van daaruit opnieuw contact met de Franse koning, die hem in zijn dienst opnam. Uiteindelijk konden noch Filips van Kleef noch Gent de oorlog langer dragen en bleek Maximiliaan over verreweg de grootste financiële reserves te beschikken. In juli 1492 gaf Gent zich over. Filips van Kleef hield stand in Sluis, ondanks de aanwezigheid van een Engels-Nederlandse vloot en verwoede militaire aanvallen van Albrecht van Saksen, de bevelhebber van het vorstelijke leger, en Engelbrecht van Nassau. Pas toen Maximiliaan dreigde de erfenis van Filips’ in september 1492 overleden vader te confisceren, en nadat de Franse steun definitief was weggevallen, gaf Filips van Kleef zich op 12 oktober 1492 eervol over.29 Hij kreeg volledige vergiffenis, mocht al zijn goederen blijven beheren, ging weer deel uitmaken van de hofhouding van Filips de Schone en ontving bovenop dit alles nog een fikse som geld. Het graafschap Vlaanderen moest 60.000 pond parisis opbrengen die bij wijze van schadevergoeding aan Filips van Kleef werden betaald. Zo kwam de edelman er na een opstand van vier jaar zonder kleerscheuren van af.30 De Vlaamse Opstand was voorbij.

De Jonker Fransenoorlog

De Jonker Fransenoorlog begon op 18 november 1488 met de bezetting van Rotterdam door de drieëntwintigjarige Hoekse edelman Frans van Brederode, een jongere broer van Walraven van Brederode die zich buiten de strijd had gehouden.31 Hoekse malcontenten, onder wie Jan van Naaldwijk en de bastaarden Joris en Walraven van Brederode, hadden zich met Filips van Kleef verbonden in een poging gebruik te maken van de wanorde in de Bourgondische Nederlanden om hun machtspositie in Holland en Zeeland te verbeteren. Zij vonden Frans van Brederode, telg uit een geslacht dat pretendeerde af te stammen van het Hollandse gravenhuis, bereid om de leiding van hun verbond op zich te nemen. Zij besloten tot een gezamenlijke aanval op Rotterdam en Schoonhoven, steden die in de jaren 1477-1481 langere tijd onder controle van de Hoeken hadden gestaan. Rotterdam kon gemakkelijk worden ingenomen dankzij dichtgevroren grachten en hulp vanuit de stad, wat laat zien dat de stedelijke eenheid te wensen overliet. Het lukte Jan van Naaldwijk en Joris de bastaard van Brederode echter niet om Schoonhoven te veroveren. Ook een tweede poging hiertoe, op 2 december 1488, liep op een mislukking uit. Wel slaagde Jan van Montfoort erin, profiterend van de verwarring in Holland, in de nacht van 26 op 27 december Woerden in te nemen. Deze burggraaf van Montfoort was de Hoekse leider geweest in de Stichtse Oorlog (1481-1483) en had zowel in Utrecht als in Holland bezittingen. Hij beweerde achteraf dat hij met de inname van Woerden restitutie van zijn bezittingen in Holland wilde afdwingen, die Maximiliaan hem in 1483 bij het einde van de Stichtse Oorlog had toegezegd, maar nooit had gerealiseerd. Vanuit Rotterdam ondernamen de Hoeken verschillende pogingen om andere plaatsen te veroveren, zoals Schiedam, Geertruidenberg, Hoorn en Gouda. Maar omdat de Hollanders de bewaking van de steden en kastelen verscherpten, mislukten deze aanvallen. Alleen Geertruidenberg werd in april 1489 korte tijd door Jan van Naaldwijk bezet, maar hij kreeg hulp van sympathisanten binnen de stad, wat net als in Rotterdam wijst op verdeeldheid of factiestrijd.

Vanuit Rotterdam ondernamen de Hoeken vele plundertochten om buit en levensmiddelen te bemachtigen. Holland was voor zijn verdediging op zichzelf aangewezen, want Maximiliaan had zijn handen vol aan Vlaanderen en de strijd tegen Frankrijk. De vorst was weliswaar in januari en februari 1489 in Holland, maar hij liet de strijd over aan zijn stadhouder, de Kabeljauw Jan van Egmond. Aangezien de blokkades weinig effect sorteerden, begonnen de Hollanders onderhandelingen met Frans van Brederode en Jan van Montfoort. Tot enig resultaat leidde dat niet. De Hoekse leiders eisten een aantal belangrijke functies op en een aanzienlijke geldelijke compensatie. Het zittende gewestelijke bestuur kon hier onmogelijk mee instemmen. Het gevolg was dat de strijd in juni 1489 weer oplaaide. Na een rooftocht rond Montfoort door de Hollanders verloor de burggraaf alle vertrouwen in hen en verbond hij zich openlijk met de Hoeken in Rotterdam. Op 13 en 14 juni ondernam een Hoeks leger, dat werd aangevoerd door onder anderen Jan van Montfoort en Jan van Naaldwijk, een aanval op Leiden, waar stadhouder Jan van Egmond zich op dat moment bevond. Zij werden echter teruggeslagen.32

Nadat een voedseltransport van de Hoeken op weg naar Rotterdam op 17 juni 1489 was onderschept, werd het voedseltekort steeds nijpender. Op 22 juni droegen de Hoeken Rotterdam over aan de regering in ruil voor een vrije aftocht naar Sluis. Maximiliaan heeft Rotterdam en Geertruidenberg niet zwaar gestraft voor het binnenlaten van de Hoeken. Zo wilde hij voorkomen dat de stedelingen ontevreden zouden blijven en opnieuw met de Hoekse ballingen zouden heulen. Bovendien hield Jan van Montfoort Woerden nog bezet. Albrecht van Saksen, de stadhouder-generaal, die na vele verzoeken van stadhouder Jan van Egmond en de Staten van Holland naar het noorden kwam, richtte zich niet op Woerden maar op Montfoort en sloeg er op 1 juni 1490 het beleg. Terwijl Jan van Montfoorts echtgenote, burggravin Willeme van Naaldwijk, en de stedelingen zich verdedigden, voerden Frans van Brederode en zijn aanhangers rooftochten in Zeeland uit. Toen zij de omgeving van Dordrecht plunderden, besloot Jan van Egmond een vloot uit te rusten. Met die vloot wist hij op 23 juli de Hoekse schepen in het Brouwershavense Gat te achterhalen. Na een lang gevecht behaalde de stadhouder de overwinning en nam hij Frans van Brederode en de meeste Hoekse kopstukken gevangen. Alleen Jan van Naaldwijk wist te ontkomen en keerde via het Hoeksgezinde Zierikzee terug naar Sluis.33

Gesterkt door dit succes werd Montfoort belegerd en de watertoevoer afgesloten. Jan van Montfoort zag in dat verder verzet zinloos was en gaf zich op 24 augustus 1490 over aan Albrecht van Saksen.34 De stadhouder-generaal stelde een vredesverdrag op dat de macht van de burggraaf definitief aan banden legde. Dit verdrag bepaalde onder andere dat Woerden en Montfoort werden overgedragen aan Albrecht. Jan van Montfoort moest de stadhouder-generaal om vergiffenis vragen voor alles wat hij en zijn medestanders hadden misdaan tegen Filips en Maximiliaan en hun onderdanen. Hij mocht geen ballingen meer huisvesten en hij mocht de kapotgeschoten verdedigingswerken van Montfoort gedurende tien jaar niet herstellen.35 Filips en Maximiliaan hebben volgens Van Gent de vrede bewust nooit bekrachtigd om de burggraaf te laten zien dat hij ondanks alles toch nog bij hen in de gunst stond. Frans van Brederode overleed op 11 augustus 1490 in de Dordtse stadsgevangenis aan de verwondingen die hij tijdens de slag in het Brouwershavense Gat had opgelopen. De overige Hoekse kopstukken die met hem gevangen waren genomen, werden geëxecuteerd. Jan van Egmond werd beloond voor zijn inspanningen tegen de Hoeken met de toelating tot de prestigieuze Orde van het Gulden Vlies tijdens een kapittel georganiseerd door Maximiliaan in Mechelen in mei 1491.36

Ook na de Jonker Fransenoorlog bleef het onrustig in Holland. De hoge belastingdruk als gevolg van de jarenlange oorlogen bleef, ook omdat er geld nodig was om de strijd tegen Karel VIII in Frankrijk en tegen Filips van Kleef voort te zetten. West-Friese boeren, die al in 1488 en 1490 verzet hadden gepleegd bij de inning van het ruitergeld voor het onderhoud van de troepen, weigerden dit in april 1491 opnieuw. Boeren uit Schagen, Hoogwoude en Spanbroek verenigden zich en bewapenden zich, voerden vlaggen waarop kazen en broden waren afgebeeld. Verschillende steden werden in de opstand meegezogen. Alkmaar groeide uit tot het voornaamste bolwerk van de opstandelingen.37 In juni voer Jan van Naaldwijk met andere Hoekse ballingen vanuit Sluis naar Texel, ging in het Marsdiep voor anker en verhinderde dat graanschepen Holland konden bereiken. Vanuit Texel en Wieringen hielden Hoeken rooftochten in het noorden van Holland. Dit zal de wanhopige situatie op het platteland en in de steden verder hebben verslechterd.38 Op 3 mei 1492 veroverden de opstandelingen Haarlem met steun van sympathisanten in de stad. Dit was het hoogtepunt van de boerenopstand die als het Kaas- en Broodspel de geschiedenis is ingegaan. Op 15 mei werden de opstandelingen in de buurt van Heemskerk verpletterend verslagen door troepen van Albrecht van Saksen, die in alle haast naar Holland waren gestuurd. De opstandige steden en dorpen verloren hun privileges en kregen zware geldboetes opgelegd. De voornaamste opstandelingen werden ter dood veroordeeld.

Een verband tussen de Hoeken en de opstandige boeren is nooit aangetoond, behalve dat de laatsten leuzen voerden als ‘Brederode’ en ‘Oostenrijk’, die als geuzennamen kunnen worden opgevat. Jan van Montfoort hield zich ver van de opstandelingen. Jan van Naaldwijk en zijn mannen keerden uiteindelijk terug naar Sluis.39 Het is moeilijk in te zien hoe hij met zijn plunderingen van de Kennemer kust op sympathie had kunnen rekenen.40 Terwijl Filips van Kleef nog stand hield, waren de opstanden in Holland alweer voorbij.

Motieven en belangen van Frans van Brederode en Jan van Montfoort

De onderhandelingen die de Hollanders in 1489 met Frans van Brederode en Jan van Montfoort aanknoopten, geven inzicht in de motieven en belangen van de Hoekse kopstukken. Frans van Brederode eiste onder andere de aanstelling van een neutrale stadhouder en een nieuwe Raad van Holland bestaande uit edelen en notabelen van beide zijden, dus met Kabeljauwen én Hoeken. Voor zichzelf eiste hij een jaargeld en diverse ambten als dat van opperhoutvester van Holland en het baljuwschap en schoutambt van Rotterdam op. Ook verlangde hij een generaal pardon voor allen die om ‘partijelike saken’ verbannen waren. Jan van Montfoort trad eveneens in overleg met de stadhouderlijke regering en de Staten van Holland. Zijn eisen waren zo mogelijk nog persoonlijker van aard dan die van Frans van Brederode. Hij presenteerde zich als een trouwe vazal van Maximilliaan. Hij rekende erop dat Maximiliaan geen partij zou kiezen en zijn belofte over de teruggave van zijn bezittingen zou nakomen. In de conceptvrede stond dat Jan van Montfoort levenslang kastelein van Woerden zou worden, de heerlijkheid Purmerend zou terugkrijgen en dat hij gecompenseerd zou worden voor gederfde inkomsten uit zijn verbeurde goederen. Opvallend is dat Jan van Montfoort met geen woord repte over Frans van Brederode en de zijnen in Rotterdam. Formele akkoorden zijn nooit gesloten, zoals we zagen barstte de strijd in juni 1489 weer los.41

Hoewel de eisen van Brederode en Montfoort neerkwamen op het terugdraaien van Maximiliaans politiek in Holland sinds 1477, hebben de Hoeken, anders dan de Vlamingen, het gezag en de legitimiteit van de rooms-koning nooit ter discussie gesteld. Integendeel, zowel Frans van Brederode als Jan van Montfoort verzochten om bevestiging van hun vredesvoorstellen door Maximiliaan van Oostenrijk als vader en voogd van Filips de Schone.42 Maar de Hoekse eisen waren volledig onacceptabel voor de Kabeljauwse leiding in Holland, dat nu ook gebukt ging onder een burgeroorlog. Hoewel de Hoeken met de Vlaamse opstandelingen waren verbonden, hadden zij verschillende ideologieën en belangen. Terwijl de Vlaamse opstandelingen een regering wilden vestigen zonder deelname van Maximiliaan, hadden Frans van Brederode en Jan Montfoort er geen moeite mee om de rooms-koning te vragen een verdrag te sluiten als vader en tutor van Filips de Schone. De belangrijkste eis die zij stelden was een herstel van het evenwicht en de vrede tussen de Hoeken en de Kabeljauwen. In het verlengde hiervan eisten zij vervanging van Jan van Egmond, de leider van de Kabeljauwse factie, door een neutrale stadhouder, en een teruggave van ambten aan Frans van Brederode en diens aanhangers.43

Zoals aangegeven traden Frans van Brederode en Jan van Montfoort pas in een vrij laat stadium met elkaar in contact. De dagvaartregisters geven in elk geval geen aanleiding om te denken dat er vanaf het eerste stadium van de Jonker Fransenoorlog enige vorm van samenwerking was. Het feit dat Jan van Montfoort in zijn onderhandelingen met de Hollanders niet naar Frans van Brederode verwijst, wijst eveneens in deze richting. Opvallend is dat Filips van Kleef een verbindende figuur lijkt te zijn geweest. Beide partijen hadden contact met hem, waaronder Jan van Montfoort. Dit bevestigt het vermoeden dat de verschillende rebellen wel samenwerking zochten en hun doelen deels verwant waren.

Hoekse en Hollandse betrekkingen met de Vlaamse opstandelingen

Het gedicht over de Jonker Fransenoorlog, aangehaald aan het begin van dit artikel, wordt gekenmerkt door felle anti-Hoekse sentimenten. Filips van Kleef, Frans van Brederode en Jan van Montfoort worden erin neergezet als bondgenoten die erop uit waren het arme volk te schaden.44 Nam de Jonker Fransenoorlog inderdaad een aanvang in Vlaanderen, zoals het gedicht beweert? En was de tweede Vlaamse Opstand tussen 1488 en 1492 aanleiding voor de Hoeken om in opstand te komen?

Diverse bronnen memoreren hoe Frans van Brederode vanuit Vlaanderen naar Holland trok.45 Al in februari 1488 hadden de Hoeken vanuit Utrecht, waar zij als ballingen verbleven, een gezantschap gestuurd naar Filips van Kleef, admiraal van de zee en gouverneur van Sluis, om hem om bijstand te vragen wanneer zij enkele Hollandse steden zouden overweldigen.46 Op 14 april 1488 kwam jonker Frans in Sluis aan. Op dat moment bevonden veel Hollandse Hoeken zich al in deze belangrijkste Vlaamse zeehaven.47 Eind april, toen afgevaardigden van de Staten van Holland in Gent aankwamen om tijdens een vergadering van de Staten Generaal over de netelige kwestie van Maximiliaans gevangenschap in Brugge te onderhandelen, trok Brederode met een legertje Gentenaren naar Boekhoute in de Vier Ambachten om vandaar uit ‘eenegherande entreprise te gaen doene up Dordrecht of elders in Hollant’, aldus een Ieperse correspondent die zich in die dagen in Gent bevond. Was deze troepenbeweging een middel om de Hollanders onder druk te zetten? In elk geval kon jonker Frans op Gentse steun rekenen. De Gentse wever Christoffel Claeys was kapitein van het genoemde legertje.48 De Hollandse edelman kreeg bovendien financiële steun van de Drie Leden van Vlaanderen die hem in september 1488 een vergoeding van ruim drieëndertig pond toekenden.49

Aangezien Filips van Kleef pas op 26 mei trouw zwoer aan het opstandige Gent en pas op 9 juni aan Maximiliaan zijn vijandschap verklaarde, kunnen de Hoeken zich niet bij de opstand van Filips van Kleef aangesloten hebben op het moment dat deze de Hollanders in Sluis verwelkomde.50 De komst van de Hoeken naar Sluis en Gent, waar jonker Frans zich ook langere tijd ophield51, versterkt wel het vermoeden dat Filips van Kleef al voor de Vrede van Brugge door de Vlamingen was aangezocht als opstandelingenleider.

Hoe dan ook, Filips van Kleef benoemde Frans van Brederode in naam van Filips de Schone tot stadhouder van Holland en Zeeland en stelde hem manschappen en schepen ter beschikking om zijn ambtsgebied te kunnen veroveren.52 Op 3 augustus 1488 meldden Leidse gedeputeerden dat ‘die [Hoekse] ballingen met die rebellige ende quatwillende uut Vlaenderen uutgemaict hadden ter Sluys IIII barcken ende wel XXIX hoeden mit ruyteren om in Hollandt te comen’.53 Na maandenlang de waterwegen te hebben geteisterd vertrok Frans van Brederode vanuit Sluis en landde hij in de avond van 18 november bij Delfshaven. Daarna marcheerde hij met zijn troepen naar Rotterdam, eiste hij deze stad op voor de Staten van Vlaanderen en nam hij de stad in.54 De Jonker Fransenoorlog was begonnen.

Deze oorlog mag dan zijn begonnen met steun vanuit Sluis, hij kende een langdurige spanningsopbouw voordat Rotterdam ingenomen werd. Verschillende Hollandse steden onderhielden in 1484 en 1485 een speciale bewakingsdienst, omdat de vrees bestond dat Hoekse ballingen met de steun van Vlaamse opstandelingen een aanslag op een stad zouden ondernemen.55 Al in juni 1486 liet Maximiliaan een algemene wapenschouwing houden.56 Van problemen met Jan van Montfoort werd in oktober 1486 voor het eerst gewag gemaakt in de Hollandse dagvaartregisters. De burggraaf van Montfoort had een proces aangespannen tegen Oudewater, omdat inwoners daar zijn timmerwerk hadden afgebroken.57 In juli 1488, meer dan twee maanden voor de inname van Rotterdam, werden twee inwoners van Gouda door het Hof van Holland ter dood veroordeeld, omdat zij Hoekse ballingen steun beloofd hadden bij een aanval op Gouda.58 In oktober 1488 belegde de Hollandse stadhouder een Statenvergadering in Den Haag ‘roerende die bewairnisse van den lande ende steden van Hollandt overmits datter veel grote scepen mit wapent volck van den Vlamingen ende hoir adherenten opter zee waeren ende men niet en wiste wair sij eynden souden off wat sij voir hadden’.59 Het is dus niet zo dat Frans van Brederode vanuit het niets zijn slag kon slaan op het moment dat Maximiliaan gevangen zat en de spanningen in Vlaanderen hoog opliepen, zoals het genoemde gedicht suggereert. De periode 1483-1488 was voor Holland misschien relatief rustig in vergelijking met de jaren ervoor en erna, maar de besproken voorbeelden maken duidelijk dat spanningen in dit gewest niet van de lucht waren.60 De Jonker Fransenoorlog stond niet op zichzelf, maar was evenmin een product van de Vlaamse Opstand. Veeleer hebben jonker Frans en de Hoeken gebruik gemaakt van de Vlaamse Opstand.

De vrees in Holland dat Hoekse ballingen zich met de Vlaamse opstandelingen zouden verenigen was reëel. Eind augustus 1488 werd door de Staten van Holland gesproken over ‘hoe ende in wat manieren dat men wederstaen zoude mogen zekere ballingen, Vlamingen ende andere quaetwillende van onsen aldergenadichsten heere den Roomschen conijnck, zijnre genaden zoen ende dese hoere genaden landen, die up die tijt mit zekere carveelen ende menichte van volcke liggende waeren int Maertsdiep, ende om te beletten dat zij niet upslaen noch landen en zouden’.61 Het is heel goed mogelijk dat met ‘zekere ballingen’ op Frans van Brederode en zijn Hoekse kornuiten werd gedoeld. Dit is feitelijk wat er gebeurde, zij het in het zuiden van Holland. Frans van Brederode nam Rotterdam in met Vlaamse steun en materieel.

Er bestond niet alleen contact tussen Filips van Kleef en Frans van Brederode. De leider van de Vlaamse Opstand zocht in een later stadium contact met Jan van Montfoort en diens oom Zweder. In een uitvoerige brief van 24 mei 1489 nodigde Filips van Kleef hen in naam van Filips de Schone uit om alles in het werk te stellen om de Vrede van Brugge erkend te krijgen. Jan van Montfoort en Zweder zouden degenen die zich bij hen wilden aansluiten in het verbond mogen opnemen en degenen die zich verzetten met alle mogelijke middelen mogen bestrijden. Als pressiemiddel werd eraan toegevoegd dat bij steun de Hollandse handel met Vlaanderen en Frankrijk zowel over land als over zee ongemoeid zou blijven. Met dit pressiemiddel hoopte Filips van Kleef wellicht dat Hollandse steden de zijde van de Hoekse opstandelingenleiders zouden kiezen. De genoemde maritieme acties van Vlamingen en Hoeken en de latere acties van Jan van Naaldwijk in het Marsdiep in 1491 wijzen erop dat deze strategie inderdaad is toegepast. Filips van Kleef bestookte vanuit zijn ‘piratennest’ Sluis de zeehandel van en met Vlaanderen in de jaren 1488-1492 voortdurend, met desastreuze economische gevolgen. Hoe dan ook, veel hulp zou Filips van Kleef echter niet van hen krijgen. Een paar dagen nadat de brief was verstuurd, werd de vloot van Frans van Brederode op de Lek verslagen.62 De brief van Filips van Kleef en de maritieme acties van de Hoeken in Holland laten niettemin zien dat de opstandelingen beoogden de van de handel afhankelijke steden aan hun kant te krijgen of in elk geval sociaal-economische onvrede in deze steden aan te wakkeren.

Tijdens Maximiliaans gevangenschap zochten de Vlaamse opstandelingen niet alleen contact met de Hoeken, maar ook met het gewestelijk bestuur van Holland, ook al probeerde het landsheerlijk gezag rondom Filips de Schone dit te verhinderen. Een bode die in maart 1488 vanuit Gent werd uitgezonden om de Staten van Holland uit te nodigen voor de al genoemde dagvaart van de Staten-Generaal in Gent, werd gearresteerd en afgevoerd naar Mechelen.63 Toch moet de uitnodiging de Hollandse steden hebben bereikt. Terwijl de aartshertog en zijn raad de Leidse delegatie in Mechelen verhinderden om door te reizen naar Gent, namen andere afgevaardigden uit Holland daadwerkelijk deel aan de bijeenkomst van de Staten-Generaal.64 Dit contact laat zien dat de Hollandse steden, anders dan de centrale overheid, ertoe geneigd waren hun heil te zoeken in onderhandelingen. Dit sluit, zoals Lantschner stelt, aan bij een belangrijk kenmerk van laatmiddeleeuwse opstanden die deel uitmaakten van de politieke stedelijke cultuur: dat opstanden reeds bestaande onderhandelingsprocessen intensiveerden.65 De genoemde bijeenkomst van de Staten-Generaal was er immers een van opstandelingen.

Met de benoeming van jonker Frans tot stadhouder van Holland en diens bezetting van Rotterdam in naam van de Staten van Vlaanderen, sloten zowel Filips van Kleef als Frans van Brederode aan bij de bestaande institutionele infrastructuur zoals deze in de ‘Bourgondische staat’ was opgetuigd.66 De Vlaamse en Hollandse opstandelingenleiders steunden elkaar, maar stelden elk hun eigen prioriteiten. Terwijl het regentschap van Maximiliaan in Vlaanderen de steen des aanstoots was, was het de Hollandse opstandelingenleiders eerst en vooral te doen om het herstel van het evenwicht tussen Hoeken en Kabeljauwen, waarmee de eigen belangen van betrokkenen werden behartigd, zoals de gewenste terugkeer in diverse ambten.

Opstand in Holland en Vlaanderen: een vergelijkend perspectief

Een beknopte vergelijking tussen de posities van de adellijke opstandelingenleiders, de rol van de steden en hun elites, en een verkenning van de situatie op het platteland van Vlaanderen en Holland draagt bij aan de beantwoording van de vraag in hoeverre de Jonker Fransenoorlog met de Vlaamse Opstand was verbonden. Tevens kunnen daardoor mogelijkheden en beperkingen van intergewestelijke samenwerking worden verklaard.67 Frederik Buylaert heeft laten zien dat Vlaanderen en Holland, ondanks sterke overeenkomsten in bestuurlijke, economische, sociale en fiscale structuren, van elkaar verschilden in de wijze waarop hun adellijke en stedelijke elites deelnamen aan de macht. Vlaanderen was meer dan Holland geïntegreerd in de Bourgondische staatkundige netwerken. De Vlaamse regionale elites, waartoe naast de adel ook stedelijke patriciërs behoorden, waren sterker verbonden met het Bourgondische hof en veel beter vertegenwoordigd in de centrale instellingen dan de Hollanders. De vorstgezinde elite werd effectief ingezet om na de stedelijke opstanden in Brugge en Gent eerder in de vijftiende eeuw de vorstelijke greep op het gewest te bestendigen ten koste van de rest van de Vlaamse adel en het patriciaat. Waar de vorst in Vlaanderen een deel van de elite moest paaien met ambten om hen voor zich te winnen, kon hij in Holland volstaan met een verdeel- en heerspolitiek die Hoeken en Kabeljauwen verder tegen elkaar uitspeelden. Anders dan in Vlaanderen, waar de beslissingsmacht van de onderdanen werd gemonopoliseerd door de Vier Leden – Gent, Brugge, Ieper en het Brugse Vrije – hoefde de vorst met de elites van de kleinere en relatief gezagsgetrouwe Hollandse steden niet of nauwelijks rekening te houden.68

Wat betekende dit voor de Hollandse opstandigheid tussen 1488 en 1492 en de connecties van Holland met Vlaanderen? Filips van Kleef en Jan van Montfoort behoorden tot dezelfde bovengewestelijke aristocratie die langzamerhand ontstond dankzij onder andere de bekleding van functies in het bovengewestelijke ambtenarenapparaat. Het lot van deze hoge adel raakte steeds meer met de vorst verbonden en deze nieuwe aristocratie ging zich daarmee onderscheiden van de rest van de adel. De belangen van de hoge edelen, die steeds vaker bezittingen hadden in de verschillende gewesten en door huwelijken verbonden werden, raakten vanaf 1477 steeds meer met elkaar verstrengeld.69 Jan van Montfoort was een van de machtige mannen van het Sticht met bezittingen in Holland. Mede hierdoor kwam hij in de problemen, maar vanwege zijn machtspositie in het Sticht was het nuttig voor de Bourgondische heersers om hem te vriend te houden.70 De Hollandse adel mocht dan aanvankelijk nauwelijks zijn vertegenwoordigd in deze bovengewestelijke aristocratie, individuele edelen als Jan van Montfoort konden wel degelijk hun voordeel doen door het participeren in transregionale netwerken van standgenoten.71 De steun van Filips van Kleef en de zijnen is voor de adellijke opstandelingenleiders in Holland van essentiële betekenis geweest. Hoewel de banden tussen de op Holland gerichte en meestal Hoeksgezinde burggraven van Montfoort en de Hollandse Brederodes tot ver in de vijftiende eeuw teruggingen, zijn Jan van Montfoort en Frans van Brederode mogelijk door Filips met elkaar in contact gebracht.72

Men kan verschillende parallellen trekken tussen Filips van Kleef en Jan van Montfoort tijdens de laatste jaren van hun verzet. Beiden hielden stand in moeilijk inneembare kastelen: Filips in het grafelijk kasteel in Sluis en Jan in dat van Woerden. Beiden hadden persoonlijke doelen die hoog op hun prioriteitenlijsten stonden: Filips stond erop dat hij niet uit zijn functies van vóór 1488 gezet werd73 en Jan eiste zijn Hollandse bezittingen terug. Beiden zagen hun eisen niet ingewilligd, maar werden wel vergeven zonder al te zware lasten. Filips streek zelfs een aanzienlijke schadevergoeding op. De opstandige edelen waren wat dat betreft uiteindelijk beter af dan de opstandige steden die flink in de buidel moesten tasten om de opgelegde boetes te kunnen betalen.74

Hoe was het gesteld met de contacten tussen de Vlaamse en Hollandse steden? Wat de vorst betreft hadden de Vlaamse en Hollandse steden veel belangen gemeen. Zij streefden allemaal naar het behoud van hun zelfstandigheid en privileges, en probeerden het toekennen van beden zoveel mogelijk te beperken. Toch leidde dit niet tot een hechte samenwerking, al kwamen Vlaamse en Hollandse afgevaardigden elkaar tegen in de vergaderingen van de Staten-Generaal en vonden er incidenteel wel intergewestelijke vergaderingen plaats ten behoeve van de bescherming van de zeehandel en de zeevisserij.75

Vlaanderen en Holland deelden ook de stedelijke dominantie in de gewestelijke statenvergaderingen die Wim Blockmans tot hetzelfde type volksvertegenwoordiging rekende en dat gekenmerkt wordt door relatief veel bijeenkomsten, een breed scala aan onderwerpen en een sterke economische oriëntatie.76 De hechte samenwerking tussen de Vlaamse steden onderling verschafte hun een sterkere onderhandelingspositie tegenover de vorst dan de Hollandse Staten. Dit verklaart waarom het Hollandse aandeel in de beden proportioneel aanzienlijk hoger was dan het Vlaamse in het laatste kwart van de vijftiende eeuw. De afwenteling van een deel van de beden op het platteland belastte vooral het Hollandse platteland zwaar en dit heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de malaise en de toenemende opstandigheid aldaar.77

Anders dan de Vlaamse hadden de Hollandse steden nauwelijks bevoegdheden in het omringende platteland en werden in Holland in tegenstelling tot in Vlaanderen in crisistijd incidenteel ook de kleine steden voor overleg in de Staten opgeroepen.78 Deze verschillen zien we terug in de houding van de kleine steden en dorpen in Vlaanderen enerzijds en die in Holland anderzijds in de jaren 1488-1492. De Vlaamse kleine steden en dorpen zaten klem tussen het landsheerlijk gezag en de grote steden en werden ook nog belaagd door de plunderende troepen van beide partijen. Uit de bronneneditie Handelingen van de Leden en Staten van Vlaanderen voor deze jaren komt een beeld naar voren van uitgeputte kleine steden en een uitgehongerd platteland waar verwoed geprobeerd werd aan elke nieuwe situatie het hoofd te bieden. Men koos al naar gelang de omstandigheden de ene of de andere kant, maar van enig eigen militair initiatief kon geen sprake zijn.79

Op het Hollandse platteland daarentegen vond een boerenopstand plaats, het al genoemde Kaas- en Broodspel dat ook weerklank vond in steden in het noorden van Holland. Het Kaas- en Broodvolk gaf nergens blijk van politieke verlangens of van Hoekse sympathieën. Scheurkogel heeft gewezen op het saamhorigheidsgevoel van de Westfriezen, de Waterlanders en de Kennemers die zich in 1492 bij de Westfriezen aansloten. De acties van de opstandelingen waren vooral gericht tegen de machtsinstrumenten van de vorst: tegen de stadhouder, tegen de Staten die bij de besluitvorming betrokken waren, tegen de baljuws en de schouten, en tegen de dwangburchten bij Alkmaar en Hoorn. Eerst en vooral wilden ze een einde aan de oorlog, dat wil zeggen, vrede met Filips van Kleef. Bovendien wilden ze af van de hoge belastingdruk en de daarop volgende algehele malaise.80 Met een eigen opstand van boeren in West-Friesland toonde het Hollandse platteland zich autonomer dan het Vlaamse. Daar komt bij dat het Hollandse stedenlandschap een minder grote tegenstelling tussen grote en kleine steden kende dan het Vlaamse, waar enkele steden de boventoon voerden.81 Ook waren de kleinere Hollandse steden autonomer dan hun Vlaamse tegenhangers. Terwijl de kleine Vlaamse steden vooral laveerden tussen opstandelingen en centraal gezag, konden de Westfriese boeren op steun rekenen van ontevreden elementen in steden als Alkmaar, Haarlem en Hoorn. Ten slotte gaf de revolutionaire spanning op het platteland de Staten van Holland de mogelijkheid de weigering om nog meer belastingen te betalen nog enigszins kracht bij te zetten.

Conclusie

Keren we tot slot terug naar de vraag in hoeverre de Jonker Fransenoorlog verbonden was met de Vlaamse Opstand. Ten eerste is het belangrijk om te herhalen dat de Jonker Fransenoorlog niet vanuit het niets ontstond. Er ging een periode van opgebouwde spanning in Holland aan vooraf. Ten tweede is de chronologie van belang voor het inschatten van de relaties tussen de Hoekse ballingen en de Vlaamse opstandelingen. De eersten bevonden zich al in Sluis voordat Filips van Kleef trouw zwoer aan het opstandige Gent en aan Maximiliaan zijn vijandschap verklaarde. Het is dus niet zo dat de Hoekse ballingen zich aansloten bij de opstand van Filips van Kleef. Opvallend is verder dat Filips van Kleef de bindende factor lijkt te zijn geweest in het contact tussen Frans van Brederode en Jan van Montfoort. Ondanks oudere banden is er geen bewijs dat er aanvankelijk enige vorm van samenwerking bestond tussen deze Hoekse kopstukken. Daarvan was pas sprake nadat Filips van Kleef Jan van Montfoort om steun had verzocht. Dit bevestigt het vermoeden dat de verschillende adellijke rebellen over de grenzen van de gewesten heen wel samenwerking zochten en dat hun doelen verwant waren, meer nog dan in de literatuur naar voren komt.

Toch waren die doelen niet identiek. Het was de Hoekse kopstukken eerst en vooral te doen om een herstel van het evenwicht tussen Hoeken en Kabeljauwen in het gewestelijk bestuur van Holland; om de verdeling van ambten en de teruggave van bezittingen. Anders dan de Vlaamse opstandelingen maakten de Hoekse leiders geen bezwaar tegen het regentschap van Maximiliaan van Oostenrijk. Filips van Kleef heeft wel geprobeerd van de Vlaamse Opstand een algemeen Nederlandse Opstand te maken door opstandige elementen in de gewesten buiten Vlaanderen, inclusief die in Holland, in zijn strijd te betrekken. Behalve zijn veldtocht door Brabant is de aanstelling van Frans van Brederode tot stadhouder van Holland door Filips van Kleef in naam van Filips de Schone hiervan een concreet voorbeeld. Zo kan ook de steun vanuit Gent en Sluis voor de Hoekse opstandelingen beter begrepen worden.

De Hoeken hebben dankbaar gebruik gemaakt van de Vlaamse Opstand en van de materiële steun van de Vlaamse opstandelingen. Bovendien hebben zij Sluis bij herhaling als basis kunnen gebruiken voor hun acties, niet alleen voor de inname van Rotterdam, maar ook voor acties in het Marsdiep tussen Noord-Holland en Texel, de belangrijke verbinding tussen de Noordzee en de Zuiderzee. Dit onderstreept dat de activiteiten van Filips van Kleef en de zijnen vanuit Sluis fnuikend waren voor de zeehandel van en naar de Nederlanden in de jaren 1488-1492, waarover veel handeldrijvende tijdgenoten uit binnen- en buitenland zich beklaagden.82 De Vlaamse opstandelingen en de Hoeken hebben dus wel samengewerkt en deelden ook hun onvrede over het centralistische beleid en de geldverslindende oorlogen van Maximiliaan, maar hun prioriteiten verschilden.

Naast de interne verdeeldheid in Vlaanderen en Brabant was de positie van de Hoeken in Holland te marginaal om het gewest bij de Vlaamse Opstand te doen aansluiten.83 Zonder steun uit Gent en Sluis waren de kortstondige successen van Frans van Brederode en Jan van Naaldwijk ondenkbaar geweest. De Vlaamse Opstand schiep dus wel gunstige omstandigheden voor de Jonker Fransenoorlog, maar om deze laatste simpelweg als Hollandse dimensie van die opstand te beschouwen, gaat voorbij aan de eigen interne Hollandse dynamiek en de Hoekse belangen die op het spel stonden. Hoewel er sprake was van contacten en een zekere mate van verbondenheid tussen de Hoekse leiders en ontevreden elementen binnen steden als Rotterdam en Geertruidenberg, en tussen de opstandige boeren van het Kaas- en Broodspel en het proletariaat van Alkmaar en Hoorn, was de samenhang van de verschillende opstandige elementen binnen Holland te gering om van één Hollandse opstand te kunnen spreken.

Overzien we de opstandigheid in Holland tussen 1488 en 1492, dan voldoet deze maar zeer ten dele aan de door Cohn vastgestelde kenmerken van laatmiddeleeuwse opstandigheid. Religie speelde inderdaad geen rol, maar adellijk leiderschap in de Jonker Fransenoorlog en voedselgebrek in het Kaas- en Broodspel daarentegen wel degelijk. Het door Lantschner beschreven model voor stedelijke opstandigheid in de late middeleeuwen voldoet beter. Evenals in de door Lantschner bestudeerde steden Florence en Doornik was het gewest Holland een politieke arena waarin alle mogelijke vormen van conflict, inclusief opstandigheid, reële opties waren. Opstanden waren een onderdeel van een politieke orde waarin conflict niet de uitzondering maar de essentie was van de politiek.84 Het is misschien niet zo verrassend dat edelen in de gelaagde en polycentrische samenleving van de Nederlanden over gewestelijke grenzen heen contacten legden en elkaar steunden in hun belangenbehartiging. Niettemin kan de Vlaamse steun voor de Hoeken hun acties helpen verklaren. Opvallender is dat zowel de Hoeken als de boeren steun kregen van tenminste sommige steden en/of delen van de stedelijke bevolking. Toch legden de connecties tussen de Hoeken en de steden te weinig gewicht in de schaal om het inmiddels gevestigde Kabeljauwse overwicht in de stadsbesturen en het gewestelijk bestuur ongedaan te maken. Zowel de Jonker Fransenoorlog als de Vlaamse Opstand eindigde in nederlagen voor de opstandelingen. Dit past in de gesignaleerde trend dat opstanden in de loop van de vijftiende eeuw minder kans van slagen hadden.85

Evenals opstandigheid waren onderhandelingen een essentieel onderdeel van de laatmiddeleeuwse politiek. De Hoeken waren niet de enigen die in contact traden met de Vlaamse opstandelingen. Ook de Hollandse steden stuurden afgevaardigden naar de vergadering van de Staten-Generaal in Gent tijdens de gevangenschap van Maximiliaan. Daarnaast onderhandelde Holland, zoals we gezien hebben, met Frans van Brederode en Jan van Montfoort. Uiteindelijk waren het immers de steden, in het bijzonder ook de kleine steden en het platteland, die het meest te lijden hadden onder l’homme armée. In die zin is begrip op te brengen voor de boodschap in het aangehaalde anti-Hoekse gedicht waarin de Hoeken en de Vlamingen in dezelfde categorie werden ingedeeld als degenen die het arme volk schaadden.86 Tot die categorie moeten echter ook de veel grotere, zwaarder bewapende en meer professionele troepen van Maximiliaan onder leiding van Albrecht van Saksen worden gerekend.

De Hoekse en Kabeljauwse twisten, die anderhalve eeuw bepalend waren geweest voor de Hollandse politiek, liepen af met de Jonker Fransenoorlog. Toch bleven de netwerken van de Hoeken en Kabeljauwen nog van betekenis in het gewestelijk bestuur in de daarop volgende decennia, zoals Serge ter Braake voor de Kabeljauwen, de ‘winnaars’, heeft laten zien. Daar kwam pas een einde aan rond 1515, toen Karel V aantrad als nieuwe graaf van Holland, Jan van Egmond terugtrad als stadhouder en edelen niet langer bijzondere aanspraak konden maken op het lidmaatschap van de Raad van Holland.87 Ook in de geschiedschrijving uit die tijd zijn sporen te vinden van voorkeur of vooringenomenheid ten aanzien van de partijstrijd. Van een achterneef en naamgenoot van Jan van Naaldwijk zijn twee kronieken over de geschiedenis van Holland bekend die tussen 1513 en 1520 zijn geschreven. Hierin verraadt de auteur, die mogelijk via Willeme van Naaldwijk in Montfoort zijn eerste administratieve ervaring opdeed, zijn Hoekse voorkeur.88 Zijn kronieken raakten echter al gauw in de vergetelheid.

Het zoeken naar continuïteit tussen de Hoekse en Kabeljauwse twisten en de Nederlandse Opstand lijkt daarom geen vruchtbare exercitie. Wel kan de vergelijking van bepaalde aspecten van opstandigheid tot nieuwe inzichten leiden, zoals bleek uit een comparatieve studie van de Vlaamse en de Nederlandse Opstand, die verschillende parallellen opleverde en de godsdienstkwestie als belangrijkste onderscheidend kenmerk van de Nederlandse Opstand aanwees.89 Niet dit grote verschil, maar de vele parallellen zijn verrassend. Eén van die parallellen betreft de kaapvaart waarvan zowel Filips van Kleef als Willem van Oranje gebruik maakten. De Nederlandse geschiedschrijver van de watergeuzen, Johannes de Meij, plaatste de Hoeken in de Jonker Fransenoorlog en de watergeuzen in dezelfde rij ‘omvangrijke en taaie roversbenden die de West-Europese scheepvaart en speciaal de Hollandse’ tussen 1400 en 1600 bedreigden.90 Zo beschouwd stellen jonker Frans en zijn handlangers, die vanuit Sluis opereerden, de latere watergeuzen in een relativerend daglicht. Een dergelijk langetermijnperspectief kan bijdragen aan een beter begrip van de Nederlandse Opstand.