Sportgeschiedenis krijgt nauwelijks aandacht van professionele historici. Dat is merkwaardig, want sport is de belangrijkste vrijetijdsbesteding in Nederland. Bovendien kan onderzoek naar de beoefening en betekenis van sport meer inzicht geven in allerlei maatschappelijke processen, zoals bijvoorbeeld de verzuiling, de emancipatie van de vrouw, de positie van de arbeider in de twintigste eeuw en de opkomst van de media.

Het is dan ook goed (of wrang zo men wil) dat buitenlandse historici wel oog hebben voor de rijkdom van archivalia uit de sportwereld. Nicholas Piercey, verbonden aan het University College Londen, kreeg in de jaren negentig belangstelling voor het Nederlandse voetbal door de prestaties van Van Basten, Gullit en Rijkaard bij AC Milan. Hij heeft deze interesse omgezet in de studie Four histories about early Dutch football, waarin hij enkele aspecten van de opkomst van het Nederlandse voetbal tussen 1910 en 1920 onderzoekt. Hij doet dit met een postmoderne blik; hij is onder meer geïnteresseerd hoe geschiedschrijving wordt beïnvloed door het beschikbare archiefmateriaal en hoe de ‘gewone man’ in de ‘grote’ geschiedenis kan worden gepositioneerd.

Voor het voetbal in Nederland waren de jaren 1910–1920 cruciaal, want er waren twee belangrijke ontwikkelingen. Tal van jongemannen maakten tijdens de mobilisatie in de Eerste Wereldoorlog in de kazernes kennis met voetbal, want sport werd ingezet om hen nuttig bezig te houden. Eenmaal ontslagen van hun dienstplicht sloten zij zich aan bij bestaande clubs of richtten zelf een vereniging op. Voetbal werd in deze periode een echte landelijke sport. Verder raakte de Nederlandse Voetbalbond in organisatorisch opzicht de alleenheerschappij kwijt, omdat in de jaren 1915–1919 een aparte landelijke katholieke voetbalbond ontstond met vijf diocesane bonden. Piercey noemt deze ontwikkelingen wel kort, maar hij beperkt zijn onderzoek tot Amsterdam en Rotterdam. Dat resulteert in vier case studies (discourses): de bouw van stadions, de leden van voetbalclubs, de media, en de dagboeken van C.J.K van Aalst, directeur van de Maatschappij tot Exploitatie van het Nederlandsch Sportpark te Amsterdam, als bron voor sportgeschiedenis.

Piercey is het best op dreef in het hoofdstuk over de media, waarin hij zich baseert op vier kranten uit Amsterdam en Rotterdam en enige sporttijdschriften. Hij laat zich hierbij inspireren door de ideeën van Foucault over disciplinering van het lichaam. Dat levert een mooie analyse op van hoe deelnemers aan de voetbalsport steeds meer onderworpen werden aan regels en verwachtingen, waardoor zij ‘docile bodies’ werden. Zij leerden op trainingen allerlei technische en tactische vaardigheden, die zij in de wedstrijden als individuen en in teamverband dienden te etaleren. Elke wedstrijd werd zo een vorm van openbaar examen. Clubs werden ondergebracht in een competitie met vastgestelde wedstrijden en speeltijden en promotie- en degradatieregelingen. Ook scheidsrechters en bondsofficials moesten voldoen aan bepaalde regels en verwachtingen, bijvoorbeeld dat zij zich niet mochten laten omkopen. De pers gaf in de verslagen aan wie het beste aan de algemene verwachtingen voldeed. Clubs werden ook steeds meer gezien als representanten van hun stad en zij werden overeenkomstig deze rol bejubeld of bekritiseerd.

Zodra er meer bronnen voorhanden zijn, heeft Piercey moeite om een goed betoog te construeren. Hij wil in het hoofdstuk over leden van voetbalclubs een beeld geven van individuele voetballers in Rotterdam, maar hij wordt geconfronteerd met talloze clubs en spelers. Hij besluit daarom een imaginaire wandeling door de stad te maken tussen 1 en 7 augustus 1914, waarbij hij beschrijft welke spelers in welke straten woonden en zo mogelijk welke beroepen zij hadden. Het levert een vrij dorre opsomming op, die niet meer dan een willekeurige momentopname geeft. Piercey noemt voornamelijk de toppers uit clubs spelend in de Nederlandse Voetbalbond en nauwelijks de mindere spelers uit afdelingsclubs in de Rotterdamse Voetbalbond. Bovendien vermeldt hij nergens dat sommige clubs slechts één elftal hadden en de meeste clubs hooguit twee tot vier teams. Dat heeft natuurlijk gevolgen voor de kracht van die verenigingen en de sociale cohesie en teamgeest.

Ook in het hoofdstuk over stadions blijft Piercey aan de oppervlakte. Hij komt tot de interessante constatering dat stadions in Amsterdam en Rotterdam gebouwd werden door leden van de financiële bovenlaag van deze steden. Hij noemt hun namen wel, maar hij zwijgt volledig over hun motivatie. Waren het bijvoorbeeld oud-spelers van de eerste, nog vaak elitaire clubs die iets voor hun oude sport wilden doen? In het hoofdstuk over Van Aalst moet Piercey mismoedig vaststellen dat diens dagboeken weinig informatie over het sportleven geven. Hij komt dan ook niet verder dan een oppervlakkig verhaal over de houding van Nederland in de Eerste Wereldoorlog, waarin voetbal nauwelijks meer aan bod komt.

Niettemin is dit boek van Piercey een nuttige bijdrage aan het sporthistorisch onderzoek in Nederland. Hij is de eerste historicus die met een originele, professionele invalshoek naar voetbal in de jaren 1910–1920 kijkt, waarbij hij aantoont dat er goed onderzoek mogelijk is met archivalia uit de sportwereld. Het materiaal kan ook andere professionele historici en niet-sportliefhebbers aanknopingspunten bieden. Zijn boek heeft hier en daar wel wat zetfoutjes (‘Amsterdamsche Votebalbond’, ‘Rotterdsamsche Voetbalbond’), maar dat is niet storend. Alleen is zijn brongebruik nogal willekeurig. Piercey gebruikt wel de digitale databank Sportbonden, sportclubs en sportperiodieken in Nederland tot 1940 (http://resources.huygens.knaw.nl/sportbondenclubsperiodieken), maar hij mist andere belangrijke werken zoals bijvoorbeeld Sportief en katholiek van Derks en Budels (1990) en De Sportwereld, hét blad voor sporthistorisch onderzoek in ons land. De schrijver geeft zelf toe dat hij niet de tijd en de mogelijkheid had om dieper door te graven. Dat maakt hem min of meer tot een eenzame voetballer die mooie trucs en dribbels laat zien. Maar voor breder sporthistorisch onderzoek zijn duidelijk meer spelers nodig. Hopelijk worden Nederlandse historici door dit boek uitgedaagd zich ook in het speelveld te wagen.