De Jodenvervolging in Nederland in het algemeen en Kamp Westerbork in het bijzonder heeft al heel wat inkt doen vloeien. Enkele jaren geleden kwamen de historici Pim Griffioen en Ron Zeller in Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België 1940–1945 (2011) nog met een zeer uitvoerige analyse van de vraag waarom er in Nederland zoveel meer Joden de oorlog niet overleefden dan in Frankrijk en België. Het bijna Oost-Europees hoge percentage vermoorde Nederlandse Joden, ongeveer 75 procent, blijft elke keer een schokkend getal.

De overgrote meerderheid van hen werd via Westerbork, het Nederlandse voorportaal van de Holocaust, afgevoerd naar de vernietigingskampen in Polen. Over dit Durchgangslager bestaat een uitgebreide historiografie, waarin onder meer het leven in het kamp en de deportaties uitvoerig zijn beschreven. Tot op heden ontbrak echter een analyse van de organisatie en de bewaking van het kamp. Die lacune wordt in De bewakers van Westerbork op uitstekende wijze opgevuld door historicus Frank van Riet. Wie waren deze bewakers? Ging het hier om sadisten, of meer om ‘gewone mannen’, om het huiveringwekkende boek van Christopher Browning, Ordinary men (1992), te parafraseren?

Van Riet maakt zeer inzichtelijk dat het in Westerbork om een breed scala van personen ging, en wijst terecht op de context van de oorlog die hun handelen vaak verklaarde. Dat maakt het moeilijk een oordeel te vellen, voor zover dat al een taak is van een historicus. Van Riet weegt de verschillende getuigenissen daarbij zorgvuldig af, zowel die van de slachtoffers als die van de daders, van wie sommigen zeker als sadist kunnen worden omschreven, maar voor wie dat predicaat voor de meerderheid niet lijkt te zijn opgegaan.

Feitelijk concludeert Van Riet dat niet van ‘dé’ bewakers kan worden gesproken. Zo concludeert hij over de marechaussee, die belast was met de buitenbewaking van het kamp:

Sommige marechaussees werden [...] omschreven als overtuigde nazisympathisanten of als opportunisten die probeerden om, door extra hun best te doen, carrière te maken. De meerderheid zou echter de bewakingstaak tegen zijn wil hebben uitgevoerd. Deze tegenstelling maakt duidelijk dat het vormen van een collectief oordeel over het optreden van de Marechaussee in het kamp uitermate lastig is (286).

Het meest negatieve oordeel werd zowel tijdens en zeker ook na de oorlog geveld over de Ordedienst (OD), bestaande uit Nederlandse dan wel buitenlandse Joden. Door de andere geïnterneerden wel omschreven als ‘de Joodse SS’, was de OD feitelijk verantwoordelijk voor het reilen en zeilen binnen het kamp, inclusief het in goede banen leiden van de deportaties. Dat betekende dat het aantal Duitsers in Westerbork, zoals feitelijk in alle concentratie- en vernietigingskampen van de nazi’s, heel beperkt was. Kampcommandant Albert Konrad Gemmeker, die het kamp leidde tussen oktober 1942 en april 1945, beschikte steeds over slechts een tiental SS’ers, die bovendien lichamelijk niet in beste conditie waren: ‘Het merendeel had gevochten aan het Oostfront en was daar ernstig gewond vandaan gekomen’ (89). Meer was niet nodig, omdat zij hulp kregen van de OD, de marechaussee en een aantal andere organisaties.

De Duitse bezetter, specifiek de SS, nam Kamp Westerbork pas op 1 juli 1942 over van de Nederlandse overheid. Daarvoor was het kamp jarenlang gebruikt voor de opvang van Joodse vluchtelingen. Hierover schrijft Van Riet: ‘Samen met het Joodse zelfbestuur kreeg de bezetter hiermee een goed functionerend en volledig ingericht barakkendorp tot zijn beschikking, dat nota bene grotendeels door de Joodse gemeenschap zelf was betaald’ (59). Zo kon ‘probleemloos worden voortborduurd op de reeds bestaande en goed functionerende organisatie’ (317).

De OD stond er bij de andere gevangenen bepaald niet goed op. Sommigen omschreven (een deel van) de OD’ers als ‘ruwe en grove kerels, zonder beschaving, zonder gevoel van mededogen, die alleen zouden leven voor een sigaret en een avontuurtje met vrouwelijke soortgenoten’ (146). Zeker bij het gereed maken van de transporten speelde de OD een gruwelijke en tegelijkertijd schrijnende rol. De schrijver en ooggetuige Jacob Boas stelde dat de kampingezetenen de OD’ers als een groter kwaad zagen dan de SSzelf. In de woorden van Van Riet: ‘De transportdagen golden [echter] als overtreffende trap, wanneer de geüniformeerde hielenlikkers [...] met genadeloze ijver de slachtoffers naar de trein brachten’ (146). Het zijn schrijnende taferelen die Van Riet keer op keer beschrijft, daarbij de lezer er steeds op wijzend dat de OD’ers niet alleen daders, maar zeker ook slachtoffers waren. De nuance die Van Riet steeds aanbrengt, is één van de sterke punten van zijn boek.

De OD werd overigens niet alleen in Westerbork zelf ingezet. Ze nam ook deel aan de beruchte ontruiming in januari 1943 van de Joodse psychiatrische inrichting ‘Het Apeldoornsche Bos’ en het Paedagogium Achisomog, dat onderdak bood aan Joodse kinderen en kinderen die zwakzinnig waren of opvoedingsproblemen hadden. Gemmeker was persoonlijk aanwezig bij de ontruiming van de twee instellingen, waarbij 1200 patiënten en ongeveer 50 medewerkers via Westerbork naar Auschwitz werden gedeporteerd: zij werden bij aankomst onmiddellijk vergast. Reeds een paar maanden na de ontruiming nam de Politie Officiersschool zijn intrek in Paedagogium Achisomog.

Westerbork werd in april 1945 bevrijd. Gemmeker werd kort daarna gearresteerd, verbleef zelfs enige tijd in gevangenschap in het kamp zelf en werd uiteindelijk tot tien jaar cel veroordeeld. Vergeleken met andere kampcommandanten was dat een geringe straf, vooral omdat niet bewezen kon worden dat hij wist wat er met de Joden gebeurde na de deportaties. Gemmeker kreeg in juli 1948 gratie en werd al in 1951 vrijgelaten; hij heeft zijn leven lang volgehouden dat hij niet van de massamoord afwist. Een aantal Nederlandse SS’ers, onder wie Hendrik van Dam die onder het bedienend personeel bekend stond als de ‘Jodenbeul’ (300), werden veroordeeld tot een gevangenisstraf. Naarmate de afstand in tijd groter werd en het debat zich in Nederland vanaf de jaren zestig toespitste op de vraag naar ‘goed’ of ‘fout’, werd ook het oordeel over de marechaussee harder.

Het is de verdienste van Van Riet dat hij verder zelf geen oordeel uitspreekt over die discussie, maar nuchter de feiten en verschillende standpunten op een rij zet. En passant geeft hij verschillende bewakers letterlijk een gezicht door foto’s van hen op te nemen in het boek. Van Riet heeft een zeer waardevolle bijdrage geleverd aan de geschiedschrijving over de Jodenvervolging in Nederland en de bewaking van Westerbork. Dat zijn taalgebruik soms wat al te vulgariserend is – ‘Mechanicus was een van de velen die op weg gingen naar de kantine om groenten te scoren’ (150) – zij hem van harte vergeven.