Begin 2017 opende in het Fries Scheepvaartmuseum te Sneek de tentoonstelling ‘Ik wou dat ik twee hondjes was’. De expositie toonde een grote verzameling zeemanssouvenirs die Friese zeelieden meebrachten voor de thuisblijvers. In de achttiende en negentiende eeuw waren vooral keramische hondenbeeldjes uit Engeland erg populair. Thuis werden de beestjes op de schoorsteenmantel geplaatst. Zij werden ook wel ‘hoerenhondjes’ genoemd omdat zij zouden aangeven of dames van lichte zeden beschikbaar waren.

De souvenirs vormen bij uitzondering een onderwerp waaraan Jaap R. Bruijn geen aandacht besteedt in zijn uitgebreide en nauwkeurige boek over het maritieme Nederland van de achttiende eeuw. Bruijn, emeritus hoogleraar Maritieme Geschiedenis aan de Universiteit Leiden, loodst de lezer namelijk langs bijna alle aspecten die daarmee van doen hebben. Dit gebeurt in de eerste plaats thematisch, maar steeds met scherp oog voor detail. Dit blijkt bijvoorbeeld uit Bruijns secure beschrijving van visvangtechnieken voor de kust. Verder is er de jankende scheepshond, die Tunesische bergers in 1762 op een gestrand Nederlands koopvaardijschip aantroffen. Ook geeft de auteur antwoord op de vraag welke kleding een Oost-Indiëganger van top tot teen droeg. Uit deze nauwgezetheid komt duidelijk Bruijns liefde voor het maritieme verleden naar voren.

Nederland kende vele takken van zeevaart: walvisvaart, zeevisserij, koopvaardij, Oost-Indiëvaart en marine. Eerder verschenen al verhandelingen over verscheidene facetten van het zeemansbedrijf, maar een monografie over de tienduizenden mannen en jongens die jaarlijks ter zee dienden bestond tot nog toe niet. De vraag die centraal staat in het boek is wat achttiende-eeuwse zeelieden op al deze vaarten ertoe bracht de gang naar zee te wagen. De achttiende-eeuwse context verschilde namelijk wezenlijk van de late zestiende en zeventiende eeuw. Na afloop van de uitputtende Spaanse Successieoorlog was met de Vrede van Utrecht in 1713 een einde aan de Republiek als grootmacht en daarmee de Gouden Eeuw gekomen. Dit betekende dat de marine uitgespeeld was als werkgever voor grote aantallen zeelui. De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) groeide in de achttiende eeuw weliswaar lang door en de kabeljauwvisserij bleef op hetzelfde niveau, maar met de walvisvaart en vooral de haringvisserij ging het achteruit.

Zeegang bestaat uit twaalf hoofdstukken en bevat verder een uitgebreid kleurkatern. Ook zijn er twee registers op personen- en scheepsnamen. In het boek volgen we de zeeman op zijn reis: vanaf het moment dat het idee postvatte het ruime sop te kiezen tot en met de thuiskomst. In de eerste twee hoofdstukken komen motivatie, herkomst en aanmonstering van de zeelieden aan bod. Vervolgens gaat Bruijn in op de genoemde vijf takken van zeevaart. Zo wordt in één keer inzichtelijk dat deze soorten tamelijk uiteen liepen wat betreft scheepstypes en bestemmingen. Hiermee hing vanzelfsprekend de grootte van de bemanning samen. In de hoofdstukken vier tot en met zes lezen we over werken, leven en anderen aan boord. En met anderen worden niet alleen de passagiers bedoeld die voor de reis betaalden. Ook gaat het over Aziatische zeelieden, slaven en veroordeelden. Steeds worden de vijf takken van zeevaart zo goed mogelijk bediend. Deze krijgen vervolgens afzonderlijk extra aandacht in even zoveel hoofdstukken.

De inkleuring hiervan lijkt wat willekeurig, maar waarschijnlijk moeten we dit scharen onder het ‘op impressionistische wijze schetsen van een beeld’, zoals Bruijn dat noemt in zijn voorwoord. Zo behandelt het hoofdstuk over de walvisvangst de reizen van de Noord-Fries Jens Jacob Eschels en de Schiedammer Pieter Bezemer. In het volgende over de visvangst komen bijvoorbeeld vervelende voorvallen op zee aan bod en in het kader van de koopvaardij lezen we de ontboezemingen van een zeeman. Het VOC-hoofdstuk handelt onder meer over dronken en boosaardige schippers. Toch bieden de voorbeelden levendige en vooral menselijke doorkijkjes in het reilen en zeilen op schepen. Hierbij zorgt Bruijns aantrekkelijke verteltrant ervoor dat de lezer geregeld het gevoel heeft zelf zich aan boord te bevinden. Een mooie illustratie vormt de walvisjacht ten westen van Noord-Spitsbergen, zoals opgetekend door genoemde Bezemer. Bruijn brengt de welhaast mysterieuze sfeer beeldend tot leven:

In deze gebieden scheen 127 dagen de middernachtzon, maar dit was allerminst een garantie voor zonnig en helder weer. Integendeel, de journalen vermelden geregeld dat het dagen achtereen door mist aardedonker was. Walvissen zag men dan niet, men hoorde ze wel blazen. Voor ijsbergen behoefde men niet zo bang te zijn, maar ijs was er in vele andere vormen, van schotsen, flarren en stroken tot hele velden en vast pakijs toe. Dan weer hoorde men “t ijs raaze” (138).

Slotstuk vormt het twaalfde hoofdstuk over het thuisfront. Al die tienduizenden zeegaande mannen en jongens lieten geliefden achter, die het moesten zien te rooien zonder hen. Gretig put Bruijn uit de brieven die zich in de Prize Papers-collectie in The National Archives te Kew (Londen) bevinden (zie ook www.gahetna.nl (zoekterm: Sailing Letters), www.brievenalsbuit.nl en www.gekaaptebrieven.nl). Het betreft post die door vijandelijke, Engelse schepen in oorlogstijd gekaapt is. Via de brieven van de achterblijvers krijgen ook vrouwen een bescheiden stem. Egodocumenten vormen belangrijke bronnen in het boek. Naast brieven keren de levensverhalen van circa tien zeelieden steeds terug in de hoofdstukken. Zij versterken en illustreren archiefonderzoek en de recentste vakliteratuur. Met deze autobiografische insteek draagt Zeegang vooral een sociaalhistorisch karakter.

Bruijn gaat als gezegd zeer nauwgezet te werk in zijn boek. Des te opvallender zijn de talloze, veelal redactionele slordigheden. Vele malen lezen we over een ‘Compagnies schip’. Daarnaast zijn er onder meer de ‘carrière perspectieven’, ‘VOC schippers’, ‘uniform jas’, ‘Wester Schelde’ en de ‘stormvogel soort’. Op pagina 208 is de Groninger zeeman Klaas Jakob Kuipers acht jaar na zijn eerste reis plots veranderd in een ‘zij’. Het is bekend dat het leven aan boord de zeeman tekende, maar dit zou een unicum in de Nederlandse maritieme historie zijn geweest. Verder verdient het op consistente manier plaatsen van onderschriften bij afbeeldingen nog aandacht. Dit geldt tevens voor de schrijfwijze van getallen. Ten slotte mist de wetenschappelijke lezer regelmatig noten en moet hij zich tevreden stellen met ietwat beknopte omschrijvingen van archief- en museumstukken in de bronnenlijst.

Wie deze omissies door de vingers kan zien, heeft met Zeegang een grondige monografie in handen, die zowel een naslagwerk als een startpunt voor toekomstig onderzoek vormt. Dit kan zich richten op internationale vergelijkingen. Hiernaar verwees Michiel van Groesen al in zijn oratie Een zee van mensen te Leiden (oktober 2016). In het kielzog van Bruijn pleitte ook hij voor een cultuurhistorisch perspectief in de maritieme geschiedenis.

Verder bieden de diverse afbeeldingen van materiële objecten aanknopingspunten om materiële cultuur te verbinden met schriftelijke bronnen. Bruijn laat ook zien dat het notarieel archief een belangrijke bron voor de (maritiem) historicus is. Hij gebruikte dat van Vlaardingen voor onder meer Deense inbeslagnemingen van schepen, een reddingsactie van twee Straat Davisvaarders uit De Rijp en de aanvaring van een vissersschip. De digitalisering en indexering van het gehele Amsterdamse notariële archief (www.alleamsterdamseakten.nl) zullen nieuw onderzoek mogelijk maken naar schipbreuken bij de Kaap en de door zeewater aangetaste ladingen handelswaar voor de Scandinavische kust, maar ook ruziënde zeelieden in kroegen. Deze laatsten zullen in ieder geval terugkeren in het dit jaar te verdedigen proefschrift van Maarten Hell (Universiteit van Amsterdam) over het Amsterdamse herbergwezen (1350–1800).

Tot slot is recentelijk in Londen gestart met het conserveren en digitaliseren van een derde lading Prize Papers. Dankzij Metamorfoze, het nationaal programma voor het behoud van het papieren erfgoed, is er een subsidie voor 160.000 bladzijden van documenten uit de periode 1652–1815. Voor de (cultuur)historicus is het nu slechts nog een kwestie van geduld om al die brieven, journaals, ladinglijsten en processtukken gretig te lijf te gaan. Maar niet zonder Zeegang als achttiende-eeuwse maritieme bijbel in de hand.