De meeste historici gaan er impliciet of expliciet van uit dat het Europese staatsvormingsproces onvermijdelijk uitmondde in de vorming van natiestaten in de negentiende eeuw, simpelweg omdat landen alleen met een centraal gefinancierde strijdmacht hun soevereiniteit konden verdedigen. Pepijn Brandon stelt daar in zijn proefschrift de geschiedenis van de Republiek tegenover: een federale staat die twee eeuwen lang tot de machtigste landen van Europa behoorde door haar strijdkrachten ter land en ter zee uiterst effectief te organiseren. Brandon onderbouwt deze conclusie met drie heldere case studies waarin hij laat zien hoe het militaire bedrijf van de Republiek in de praktijk werkte, en met een lang, afsluitend hoofdstuk waarin hij uitlegt waarom deze efficiënte organisatie uiteindelijk toch niet volstond om de ondergang van de Republiek af te wenden.

De lezer moet even volhouden om te ontdekken hoe goed dit proefschrift is. Het boek begint namelijk met een nogal taaie tekst waarin Brandon aansluiting zoekt bij de onderzoekstraditie van de marxistische macro-sociologen van de jaren zeventig. Tegenover de levendige beschrijving van financiële en administratieve praktijken in de rest van het proefschrift, staan hier vooral abstracte noties als ‘accumulatie cycli’, ‘conflicterende sociale krachten’ en ‘federale makelaardijstructuren’ centraal. Het is duidelijk dat het marxistische gedachtengoed belangrijk is voor Brandon. Voor lezers vertrouwd met deze literatuur zal zijn positie ook glashelder zijn, maar de wetenschappelijke meerwaarde van het vertoog lijkt gering. Sterker nog, Brandons stellingname is evengoed schatplichtig aan de ideeën van institutioneel economen zoals Larry Epstein, Douglass North en Daron Acemoglu die echter niet of nauwelijks genoemd worden.

De historische analyse in de volgende hoofdstukken is veel overtuigender. In hoofdstuk 2 toont Brandon overtuigend aan hoe de autoriteiten steeds opnieuw de bescherming van de handel binnen en buiten Europa tegen het licht hielden om te bepalen of de verdeling van taken tussen de Admiraliteiten, de koloniale compagnieën, en de lokale Directies van Handel nog wel geschikt was gegeven het dreigingsniveau en de economische en politieke belangen van de Republiek. Volgens Brandon gold voor het militaire bedrijf, net als voor het door Wantje Fritschy bestudeerde belastingstelsel, dat de Republiek een groot vermogen bezat om instituties aan te passen als de omstandigheden daarom vroegen.

In het derde hoofdstuk analyseert Brandon hoe op de werven van de admiraliteiten voortdurend geprobeerd werd om de productie van schepen te rationaliseren. Zijn analyse is subtiel met een goed oog voor protesten op de werkvloer, frauduleuze praktijken van een deel van het personeel, maar ook de bereidheid van de scheepstimmerlui om steeds weer nieuwe technische inzichten in praktijk te brengen. Zo kan Brandon laten zien hoe de scheepswerven van de Admiraliteit er, binnen de grenzen van wat financieel en technisch mogelijk was, in slaagden om hoogwaardige oorlogsschepen tegen zo laag mogelijke kosten te produceren.

Brandon inventariseert vervolgens in hoofdstuk 4 wat er allemaal bij kwam kijken om een landleger op de been te brengen en te houden. Daarbij heeft hij oog voor praktische zaken als de verplaatsing en bevoorrading van troepen in het veld, maar ook voor financiering van militaire operaties. In navolging van de Duitse historicus Fritz Redlich legt hij nadruk op het grote belang van de zogenaamde solliciteurs-militair. Zij zorgden door zelf geld te lenen voor tijdige betaling van de troepen. Met enkele goed gekozen case studies laat Brandon ook het praktische werk van de solliciteurs zien: het tellen van munten, verzenden van geldbedragen, het voortdurend onderhouden van contacten met alle betrokkenen en het tijdig betalen van alle rekeningen. Brandon maakt duidelijk dat niet iedereen gelukkig was met de sleutelrol van de solliciteurs, maar dat het uiteindelijk de beste manier was om tegen zo laag mogelijke kosten het militaire bedrijf te financieren.

Waarom ging het dan toch mis in de achttiende eeuw? In het laatste hoofdstuk betoogt Brandon dat het militaire apparaat van de Republiek bij uitstek geschikt was om de handel binnen en buiten Europa effectief te beschermen. De schepen waren technisch goed, de slagvaardigheid groot en de kosten beheersbaar. Maar de vloot en het leger waren niet geschikt om gerichte aanvallen van Engeland of Frankrijk te weerstaan, met alle bekende gevolgen van dien. En zo kan Brandon uiteindelijk concluderen dat het federale model pas aan het einde van de achttiende eeuw haar beste tijd gehad had.