Betekent de moderne tijd de teloorgang van het klooster als cultuurdrager? Is door een groot en divers aanbod aan artistieke inspiratiebronnen en producten het klooster niet meer nodig, terwijl het in de middeleeuwen juist een kunstzinnige ruimte bood voor de lof Gods en daardoor ook de kunsten tot grote bloei bracht? En is de vrije tijd in het klooster alleen maar een oppervlakkige manier om bij te komen van het harde werk dat verricht moet worden – anders dan in premoderne perioden waar men juist in het klooster ‘goede dagen’ kon zien, zoals de Regel van de heilige Benedictus het leven van kloosterlingen aanduidt? Het lijkt erop dat cultuur en ontspanning inderdaad niet de eerste woorden zijn die tegenwoordig bij mensen opkomen als ze aan kloosters in hun omgeving denken. De auteurs van deze bundel laten aan de hand van talrijke voorbeelden en reflecties zien dat deze vragen en spontane reacties deels uit vooroordelen voortkomen. Ook nu nog wordt in kloosters veel aandacht besteed aan lezen, muziek, toneel, sport, handwerk, kunst en architectuur. Dat betekent dat kloosterlingen zowel in hun vrije tijd als in hun scheppende activiteiten geenszins passief zijn. Integendeel, de titel van de bundel is programmatisch: ‘creatie en recreatie’ gaan in de kloosters hand in hand.

De redacteuren wijzen er in hun inleiding op dat ‘het thema cultuur en ontspanning in het kloosterleven tot nu toe weinig aandacht gekregen heeft binnen de wetenschappelijke literatuur over orden en congregaties in Nederland en Vlaanderen’ (7). Er werden volgens hen vaak wel deelaspecten besproken, maar geen verbanden gelegd tussen de verschillende segmenten van het religieuze leven. Een belangrijke inspiratie voor dit boek was het inzicht van de Britse godsdiensthistorica Karen Armstrong dat men ‘vier eeuwen lang te weinig nadruk op de zintuigen heeft gelegd’, aldus de auteurs (8). Juist de verbeelding is een inspiratiebron voor religieus leven, en daar zouden kloosterlingen voor open moeten staan. Verbeelding heeft aandacht nodig, een soort ‘training’. Deze begint met de waarneming en wordt onder andere door kunst en vrijetijdsactiviteiten bevorderd. De hier bijeen gebrachte bijdragen trachten in beeld te brengen hoe die scholing van zintuigen en verbeelding in zijn werk ging. De auteurs geven een overzicht van activiteiten die hierbij van belang zijn: op het vlak van de ‘hogere cultuur’ komen lezen, liturgische muziek, beeldende kunst en architectuur aan bod. Daarvan zijn volgens hen activiteiten op het terrein van de recreatie, zoals sport en spel, te onderscheiden.

Hoe belangrijk de kloosterlijke inspiratie en de mentaliteit van een goede ‘training’ voor de kloosterlingen en hun leerlingen of cursisten zijn, wordt duidelijk bij een aantal activiteiten, zoals lezen. Cultuur binnen de kloostermuren werkt educatief voor nieuwe leden en voor leerlingen op de onderwijsinstellingen die door orden en congregaties gedreven worden. Muziek is een voorbeeld van artistieke expressie die spiritualiteit dient en tegelijkertijd een vrijetijdsactiviteit vormt. Niet alleen beoefenen kloosterlingen de liturgische zang, maar ze spelen als ‘hobby’ ook instrumenten en doen aan muzikale opvoeding. Creatie en recreatie moeten daarom aangevuld worden met het begrip educatie. Aan deze kruisbestuivingen zijn een aantal bijdragen in het boek gewijd.

Andere bijdragen gaan over kunstenaars in het klooster. Ook hiervoor vormt een inzicht van Karen Armstrong een belangrijk uitgangspunt. De auteurs vertrekken vanuit haar these dat ‘de mens in wezen een homo religiosus is’ (10). Dat wil zeggen dat in het creatieve vermogen van de mens volgens hen het vertrekpunt voor religieuze uitdrukkingsvormen is gelegen: ‘Hij ontwikkelt religie op hetzelfde moment als waarop hij of zij in staat was kunstwerken te scheppen’ (10). In drie bijdragen wordt stilgestaan bij individuele religieuze kunstenaars, die dus wel degelijk te vinden zijn in het moderne klooster. Daarbij kan kunst de hoofdtaak van een kloosterling vormen, zoals vaak bij beeldhouwers het geval is. In andere gevallen moet kunst worden beschouwd als een nevenactiviteit.

De derde groep artikelen gaat over recreatie. Voor de auteurs is de relatie ‘tussen het katholieke geloof en sport’ belangrijk, want hierover zijn in ‘de afgelopen decennia, zowel in Nederland als internationaal, nogal wat publicaties verschenen’ (11). Hoe werd sport en spel ingezet in de vormingshuizen van en voor religieuzen? De artikelen laten zien dat hier veel aandacht voor was. In tijden van florerend religieus leven was er, bijvoorbeeld, bij veel kloosters een buitenhuis waar kloosterlingen allerlei vermaak konden vinden, zoals biljarten, schaken, kaarten of gewoon ongedwongen met elkaar omgaan. Hiervan maakten ook de studenten gretig gebruik. Het is opmerkelijk dat deze recreatie-cultuur bijdroeg aan het intellectuele werk en de spirituele groei van deze generaties religieuzen en leerlingen. Ook dat is weer een kruisbestuiving die in de recente geschiedenis van het religieuze leven onverwacht is. Eerder werd ervan uitgegaan dat recreatie niet echt bij het kloosterleven hoorde.

‘Dat zich in het kloosterleven een grote diversiteit aan cultuur en ontspanning heeft ontwikkeld tonen de hier gebundelde bijdragen aan’ (13), zo luidt een van de conclusies van de redacteuren. Het moge duidelijk zijn dat het materiaal meer biedt dan alleen maar een interessant historisch overzicht, wat op zich al verdienstelijk is. De artikelen vormen een belangrijke bijdrage tot een beter begrip van de innovatieve kruisbestuivingen tussen kunst, educatie, sport en het religieuze leven. Het is te hopen dat dit boek verspreiding vindt: onder historici die het als vertrekpunt nemen voor verder onderzoek naar de verschillende tradities van religieus leven, en voor iedereen die reflecteert op het religieuze leven in zijn huidige vorm.