Vanaf het begin van de negentiende eeuw verschenen in Nederland studentenbladen. Sommige hielden het maar enkele nummers vol, andere vele jaren. Over enkele van deze periodieken werd de geschiedenis geschreven, zoals van Propria Cures (1990) en Vox Studiosorum (1991). Nu kan daar de eerste alomvattende studie aan toegevoegd worden, namelijk het rijk gedocumenteerde en gedetailleerde proefschrift De stem van de student. Nederlandse studentenbladen in de negentiende eeuw, waarop Annelies Noordhof-Hoorn in 2016 aan de Groningse universiteit promoveerde.

Noordhof begint met een schets van spectatoriale bladen die al aan het eind van de achttiende eeuw verschenen. Ze werden niet dóór, maar vóór studenten geschreven door ‘spectators’, wijze observatoren, die met een sterk moralistisch-didactische inslag de studenten de les probeerden te lezen en in het gareel trachten te houden. Het waren de voorlopers van de ‘echte’ studentenbladen, die in het begin van de negentiende eeuw begonnen te verschijnen en waarvan de komst was gerelateerd aan de toenemende organisatie van studenten. In 1815 werd immers het Groningse studentencorps ‘Vindicat atque Polit’ opgericht, Utrecht en Leiden volgden: tussen 1825 en 1855 verscheen een tiental periodieken, waarvan de meeste alweer na enkele jaargangen verdwenen.

De gekortwiekte Faam. Utrechtsch-Akademisch blad was het eerste periodiek; het ging in 1825 van start en hield het twee jaar vol. Annelies Noordhof schrijft dat het blad zich niet beperkte tot studentennieuws maar bijvoorbeeld ook de Hoger Onderwijswetgeving besprak en – met enige schroom – het werk van hoogleraren. Faam kreeg geregeld kritiek van de hooggeleerden, die het eigengereide optreden van de studenten niet konden waarderen. De redacteuren zelf waren ook beducht voor negatieve reacties: ze waren immers afhankelijk van de professoren. Toch duidde het verschijnen van Faam erop dat de gezagsverhoudingen in de universiteit minder vanzelfsprekend werden en dat de studenten mondiger werden.

Na De gekortwiekte Faam volgden andere blaadjes, eerst drie in Utrecht, later ook in Leiden en Groningen. De inhoud van deze periodieken, die zonder uitzondering een kort bestaan hadden, verschilde onderling sterk: van actuele ontwikkelingen in het Hoger Onderwijs, academie-nieuws, boekbeschouwingen tot de nieuwe grondwet van 1848. Noordhof laat zien dat de tijdschriften niet alleen een afspiegeling waren van het studentenleven in de betreffende periode, maar tegelijk ook invloed uitoefenden op de vorming van de identiteit van de student. Wie of wat was hij? De bladen verstevigden de saamhorigheid tussen de studenten onderling en vormden een platform voor debat tussen redacties, auteurs en lezers.

Naast periodieken verschenen de Almanakken, jaarlijkse uitgaven van de corpora, met praktische informatie, variërend van collegeroosters tot zon- en maanstanden. De Almanakken bevatten ook mengelwerk, proza en poëzie, wat tot discussies en geregelde conflicten leidde met de tijdschriften die ook literaire aspiraties hadden.

Het jaar 1864 betekende een nieuwe start voor de studentenpers. Er verschenen bladen die zich niet primair richtten tot de studenten in één universiteitsstad, maar tot de studentenpopulatie in alle universiteitssteden, waar ook lokale redacties werden gevestigd. Heel scherp is de scheidslijn tussen plaatselijke en landelijke bladen niet te trekken. Immers, de plaatselijke bladen hadden soms een – zij het beperkte – landelijke spreiding en omgekeerd hadden de landelijke kranten een thuisbasis in een of twee universiteiten. In 1864 kwam Vox Studiosorum, na de Faam opnieuw een Utrechts initiatief. In 1871 volgde (alweer in Utrecht) het Studenten Weekblad voor Noord en Zuid Nederland, dat in 1875 met Vox fuseerde. Het resultaat was een landelijk tijdschrift, dat zich zelfs op Vlaanderen richtte en het maar liefst tot 1892 volhield. Het tweede blad met landelijke aspiraties, Minerva. Algemeen Nederlandsch Studenten Weekblad, opgericht in 1876, hield zelfs stand tot 1923. Beide bladen hadden redacties in alle universiteitssteden; die van Vox kwamen door coöptatie tot stand, de Minerva-redacties werden gekozen. De landelijke aspiraties waren – aldus Noordhof – duidelijk een uitdrukking van het opkomend Nederlands nationaal bewustzijn en de bladen waren de barometer van opvattingen onder de studenten over maatschappelijke ontwikkelingen. De nieuwe Wet op het Hoger Onderwijs (1876) was aanleiding tot discussies over doel van het universitair onderwijs. De vraag of de studenten van de Delftse Polytechnische School nu wel of niet ‘echte’ studenten waren werd een ‘hot issue’ en te politieke stukken waren niet altijd naar de zin van redacties die neutraliteit nastreefden.

Het einde van de negentiende eeuw was de tijd van emancipatiebewegingen en die vonden hun weerslag in de studentenpers. Nieuwe groepen studenten (niet-corpsleden, socialisten en vrouwen) leidden tot de oprichting van nieuwe tijdschriften die de belangrijke positie van de algemeen landelijke bladen ondermijnden. In het ‘rode Delft’ waar veel (toekomstige) ingenieurs geconfronteerd werden met de armoedige sloppenwijken, ontstond Stemmen (1891-1892), gedrukt bij de vooruitstrevende fabrikant J.C. van Marken, met beschouwingen over politiek en socialisme, later gevolgd door In den nevel (1896-1899) en het (Delftsch) Studenten Weekblad, met de latere minister J.W. Alberda als actief medewerker. De komst van meisjesstudenten leidde tot het Utrechtsch Maandblad voor Vrouwelijke Studenten (1910-1913) en in 1912 tot de benoeming van een vrouwelijke redacteur in Minerva. Onverklaard blijft (en misschien is het ook toeval) dat juist Utrecht enkele malen een pioniersrol vervulde. Het eerste blad, De gekortwiekte Faam, verscheen er, Vox Studiosorum maakte een start in Utrecht en in 1910 verscheen er het eerste en enige tijdschrift voor meisjesstudenten.

De uitputtende studie die Noordhof schreef over ongeveer 25 bladen en blaadjes maakt van haar dissertatie een uitstekende bron voor menig (universiteits)historicus die de achtergrond van een bepaald studententijdschrift wil kennen of die op zoek is naar studentenperiodieken in een bepaalde periode of stad. De vraag hoe de bladen gefinancierd werden, blijft meestal onbeantwoord. Gegevens daarover ontbreken waarschijnlijk. Het is mogelijk dat in een enkel geval een rijke geldschieter te hulp schoot, maar het meest aannemelijk is dat drukkers/uitgevers het financiële risico droegen. Over Propria Cures schrijft Annelies Noordhof dat het tijdschrift in 1890 van start kon gaan omdat drukker Hendrik Clausen aan de oprichters beloofde een jaar garant te staan voor eventuele financiële risico’s. Clausen heeft toen niet kunnen voorzien dat hij met deze geste de verschijning mogelijk maakte van het enige studententijdschrift uit de negentiende eeuw dat tot op heden stand houdt.