Arthur Seyß-Inquart und die deutsche Besatzungspolitik in den Niederlanden (1940-1945) is de habilitatie van de aan de universiteit van Wenen werkzame Johannes Koll (1964). Het is de eerste serieuze studie naar de Rijkscommissaris sinds het werk van Loe de Jong en Henk Neumanns Arthur Seyss-Inquart: het leven van een Duits onderkoning in Nederland uit 1967. Het is waarschijnlijk ook de laatste: Kolls onderzoek is grondig en lijkt uitputtend. Het enige dat ontbreekt is een psychologisch portret. Koll wijst ter verdediging van die keuze op het gebrek aan bronnen uit de persoonlijke levenssfeer, maar hij gaat ook nauwelijks in op de indruk die Arthur Seyss op anderen maakte. Dit is dus een studie van de functionaris, niet van de man. Dat blijkt ook uit de opzet van het boek: na uitgebreide inleidende hoofdstukken over Seyss’ leven voor mei 1940 en over de Duitse bezetting volgen er thematische hoofdstukken over de nazificatie, de Jodenvervolging, de bestrijding van het verzet, de economie en cultuurpolitiek tot aan de Hongerwinter en de verdediging van het land tegen de oprukkende geallieerden.

Daarnaast structureert Koll zijn verhaal aan de hand van twee door Hans Blom geïntroduceerde concepten, die ook hier weer hun nut bewijzen. Ten eerste hanteert Koll een periodisering gebaseerd op drie keerpunten in de verhouding tussen de regime en het bezette land: de Februaristaking van 1941, de April-Meistakingen van 1943 en de halve bevrijding van september 1944. Het tweede ordenende concept is de onverenigbaarheid van de twee opdrachten die Seyss van Hitler meekreeg: bekering van het Nederlandse volk tot het nationaalsocialisme en behartiging van de ‘Reichsinteressen’. Daaronder vielen hoogst impopulaire maatregelen als de exploitatie van de Nederlandse economie, de hardhandige onderdrukking van het verzet en de deportatie van de Joden.

Het meest interessant is wellicht Kolls nauwkeurige reconstructie van Seyss’ machtspositie in de ‘polycratie’ die het nazistisch bestuur ook in Nederland kenmerkte. Koll concludeert dat die machtspositie zeer stevig was. Dat is des te opmerkelijker omdat zijn uitgangspositie zwak leek: hij was geen alte Kämpfer en miste een machtsbasis in de partij. Hij had weliswaar een hoge SS-rang, maar ontbeerde de ‘nestgeur’ van door strijd geharde politieke soldaten. Seyss hield zich echter staande, laat Koll zien, door succesvol ‘polderen’: hij streefde geen korte-termijn overwinningen na, maar lange-termijn relaties en wist daardoor zijn positie van spin in het web te behouden. Die positie gebruikte hij om van Nederland een voorbeeldig bezet gebied te maken. Waar hij aanvankelijk beloofde de Nederlandse instanties en zelfs het Nederlands recht zoveel mogelijk in stand te houden, greep hij in werkelijkheid diep in de bestaande verhoudingen in. De destijds (en sindsdien) gebezigde term ‘Aufsichtsverwaltung’ is volgens Koll dan ook misleidend: het Rijkscommissariaat hield geen toezicht, het stuurde. Dat was zeker het geval op terreinen van ideologisch belang, zoals de Jodenvervolging, waar – heel anders dan in Noorwegen of Vichy-Frankrijk – het inheemse bestuur tot uitvoerder werd gedegradeerd. Seyss wilde een ‘Musterknabe’ zijn en in bezet Nederland zijn talenten aan Berlijn bewijzen, opdat hij ooit tot de bovenste rangen van het bestuur zou doordringen.

Maar naast een carrièretijger en een begenadigd diplomaat, zo luidt een andere conclusie van Koll, was Seyss ook een bevlogen ideoloog. Zijn wereldbeeld draaide niet om de natie en al helemaal niet om bestuur, maar om ras. De Jodenvervolging zag hij als noodzakelijke zelfverdediging tegen een onverzoenlijke vijand. Als dadertype was hij dus geen conformist, maar evenmin een ‘Exzesstater’. Hij was een koele rationalist, een zakelijke antisemiet zoals we die kennen uit Ulrich Herberts biografie van Werner Best (1996) of Michael Wildts Generation des Unbedingten (2002).

In dit verband wijdt Koll een paragraaf aan de vraag in hoeverre Seyss wist wat er met de uit Nederland gedeporteerde Joden gebeurde. De auteur hekelt De Jongs conclusie dat we daarover weinig met zekerheid zeggen kunnen, maar stelt daar niet veel tegenover. Zo presenteert Koll de richtlijn aan verzekeringmaatschappijen om bij de liquidatie van Joodse vermogens te handelen alsof de (Joodse) polishouders dood waren, als bewijs dat Seyss wist dat ze ook dood waren. Nu is het wel waarschijnlijk dat Seyss meer over de Holocaust wist dan hij na de oorlog wilde toegeven – sommigen in zijn omgeving wisten daar zeker meer van – maar bewijzen daarvoor levert ook Koll niet.

Hoe verhield die ideologische bevlogenheid zich tot de bestuurlijke vakkundigheid die Seyss in even grote mate bezat, vraagt Koll zich ten slotte af. Zijn antwoord is dat de eerste de tweede begrensde; ideologie verblindde ook een uiterst intelligent en rationeel man als Seyss. Soms erkende hij dat de behartiging van de Reichsinteressen de nazificatie dwarsboomde, maar tegelijkertijd bleef hij tot zijn dood geloven dat de Nederlanders de juistheid van zijn overtuiging zouden inzien, zoals hij ook te midden van de puinhopen van een verwoest Europa kon blijven geloven dat het nazisme de toekomst had.

Hoe dat mogelijk is, zou een mooi onderwerp voor enige psychologische speculatie zijn geweest, maar daar waagt Koll zich dus niet aan. Daardoor blijft de Rijkscommissaris ook na lezing van dit nieuwe standaardwerk een raadselachtige figuur.