Proloog: twee gezichten op Tanjung Balai, 1947

4 augustus 1947, het was de laatste actiedag van de eerste zogenaamde ‘politionele actie’. Het Nederlandse leger had deze grootschalige militaire operatie op 21 juli ingezet in een poging om een beslissing te forceren en nu definitief een einde te maken aan de al twee jaar durende opstand van de nieuw uitgeroepen onafhankelijke Indonesische Republiek tegen het Nederlandse koloniale gezag. Om middernacht zou een wapenstilstand van kracht worden, en Nederlandse troepen hoopten voor die tijd nog zoveel mogelijk grondgebied te bezetten. Op Noord-Sumatra zetten Nederlandse pantserwagens en infanterietroepen van de Z-brigade daarom de opmars in naar havenplaats en smokkelaarsnest Tanjung Balai, dat om half drie ’s middags werd bereikt.1 In het verslag van het bij de actie betrokken 1e bataljon van het 1e regiment infanterie (I-1 RI) lezen we:

I-1 R.I. rukt op in richting T. Balai. [...] Tg. Balai bezet – vij[andelijke] verl[iezen] tijdens actie T. Balai ong. 300 doden. Eigen verl[iezen] Nihil. Buit: […] – voor onze komst vij[andelijke] bezetting T. Balai ongeveer 4000 man.2

De ‘volkomen verraste vijand’, aldus het actieverslag van het eveneens betrokken 1e eskadron pantserwagens, leed ‘vele doden, aantal niet op te geven’ toen hij de rivier over vluchtte.3

Twee nog tijdens het conflict geschreven herinneringsboeken geven een meer persoonlijke blik op deze actie. In het boek Bandjir over Noord-Sumatra van journalist Hans Post komt een korporaal aan het woord die de Indonesische nederlaag in Tanjung Balai omschrijft als een ‘tropisch Duinkerken’.4 Het herinneringsboek van I-1 RI vermeldt dat luitenant Karelse de eer toeviel ‘als eerste officier de stad te zijn binnengetrokken. Hij en de pantserwagens op de brug over de Asahan kunnen vertellen welke verwoesting op die dag onder de tegenstanders werd aangericht.’5

Al deze beschrijvingen geven een beeld van een beslissende verrassingsoverval op een vijandelijke vesting waarbij veel vijanden sneuvelden – overigens werden er maar weinig wapens buitgemaakt. Maar als we een bron van Indonesische kant over dezelfde actie erop naslaan doemt een ander beeld op. Volgens een intern rapport van het Indonesische ministerie van Defensie hadden Nederlandse troepen zich als beesten gedragen:

  1. De vijand viel de stad binnen, schietend als blinde zwijnen. Vele inwoners werden het slachtoffer. Dit gebeurde op 4 augustus.
  2. Op de markt schoot het Nederlandse leger op inwoners die boodschappen aan het doen waren. Sommigen vluchtten de rivier in. Het Nederlandse leger schoot ze vervolgens neer, waardoor de rivier vol slachtoffers lag.
  3. Klerken en arbeiders in de buurt van de haven werden op een rij gezet en met mitrailleurs neergemaaid.c.Leiders en strijders [pemuda] werden gezocht.
  4. Het aantal slachtoffers onder de bevolking betrof 300 mensen, waaronder twee leden van de PNI [Indonesische Nationale Partij].6

Het is duidelijk dat dit Indonesische rapport over hetzelfde incident met 300 slachtoffers spreekt. Maar de verslagen lopen sterk uiteen in de beschrijving van de handelswijze van de Nederlandse troepen en de aard van de slachtoffers: vooral strijders of vooral burgers? Kortom, de Nederlandse bronnen spreken van een geslaagde militaire actie, de Indonesische bron van een oorlogsmisdaad.

Inleiding: geschiedschrijving van achter het geweer

Deze tegenstrijdigheid van verslaglegging is geen uitzondering. Zoals in iedere oorlog immers werd het conflict tussen het Nederlandse koloniale gezag en de Indonesische vrijheidsstrijders ook op papier gevoerd.7 Bovendien hadden de auteurs van deze bronnen in de meest letterlijke zin een ander perspectief, toegang tot andere informatie en vooral ook een andere interpretatie van die informatie. In dit artikel tonen wij aan dat vergelijkbare discrepanties zoals in het geval Tanjung Balai keer op keer terugkeren als we de bronnen van Nederlandse en Indonesische kant over de dekolonisatiestrijd (1945-1949) met elkaar vergelijken.

Hoe evalueren we nu deze twee zienswijzen? Welke middenweg tussen de Nederlandse en de Indonesische blik op Tanjung Balai is de juiste? Als historici wordt ons vanaf het eerste moment ingeprent hoe belangrijk het is om bronnen kritisch te lezen en waar mogelijk de achtergrond en ontstaansgeschiedenis van verschillende bronnen tegen elkaar af te wegen. Maar als we de Nederlandse historiografie over deze dekolonisatieoorlog beschouwen, en in het bijzonder over Nederlandse (excessieve) geweldpleging in die oorlog, valt het onmiddellijk op dat deze vrijwel uitsluitend berust op Nederlands archiefmateriaal. De Indonesische archieven zijn simpelweg nog niet geraadpleegd.8 We kunnen ervan uitgaan dat deze nalatigheid niet uit principiële redenen voortkomt, maar eerder uit praktische gronden zoals de taalbarrière, de vereiste onderzoekstijd, en in het verleden ook de toegankelijkheidsbeperkingen op veel Indonesische archieven. De Engelstalige literatuur heeft overigens meer oog voor Indonesische bronnen, maar heeft juist weer weinig interesse voor de Nederlandse geweldpleging.9

Het debat over Nederlands militair geweld in Indonesië is inmiddels bijna vijftig jaar oud. Een centrale vraag is al die tijd gebleven in hoeverre het door Nederlandse troepen in de dekolonisatieoorlog gepleegde ‘excessieve’ geweld – lees: oorlogsmisdaden – structureel plaatsvond.10 Recente publicaties lijken het erover eens te zijn dat de Nederlandse strijdkrachten op zijn minst met grote regelmaat en vermoedelijk zelfs structureel overgingen tot overtredingen van het oorlogsrecht: standrechtelijke executies, beschietingen van burgerdoelen, wraakacties, brandstichting, plundering.11 Maar zelfs in deze publicaties zijn de stemmen van Indonesiërs vrijwel afwezig, ook al zijn Indonesische archieven tegenwoordig redelijk toegankelijk. Door deze exclusieve focus op Nederlandse bronnen komt de Indonesische tegenstander of burger dus enkel in het vizier van de historicus als object aan de andere kant van een Nederlands geweer.12

Met dit artikel willen wij die eenzijdigheid doorbreken. Dit artikel is ook een empirische bijdrage aan de discussie over Nederlands oorlogsgeweld in Indonesië. Maar het is vooral een oproep om meer oog te hebben voor Indonesisch bronnenmateriaal en een eerste inventarisatie van nieuwe inzichten die dat kan verschaffen. In het volgende openen wij met een korte introductie op het gebruikte bronnenmateriaal en op de route die wij daarin bewandeld hebben. Vervolgens identificeren wij aan de hand van enkele casussen een viertal aspecten van de Nederlands-Indonesische oorlog die door het Indonesische materiaal beter of in een ander licht bestudeerd kunnen worden: de in een guerrillaoorlog notoir ongrijpbare afgrenzing tussen ‘burgers’ en ‘combattanten’; de rol van ‘klein geweld’ zoals brandstichting en diefstal in de Nederlandse oorlogsvoering; de interpretatie van de praktijk van massa-arrestaties; en de gevolgen van (lucht)-bombardementen. Wij pleiten voor meer aandacht voor de Indonesische bronnen omdat die een parallelle wereld kunnen openbaren waarin de ontwrichtende gevolgen van de Nederlandse oorlogvoering voor de Indonesische maatschappij naar voren komen – een parallelle wereld waarvoor de Nederlandse geschiedschrijving door selectief bronnengebruik blind is gebleven.

Bronnen

Indonesisch archiefmateriaal over de dekolonisatieoorlog is zeer verspreid ondergebracht. Een probleem daarbij is dat we van veel materiaal niet weten waar het zich bevindt, zo het niet verloren is gegaan. Er zijn echter twee instanties die uitgebreide collecties bezitten. De Geschiedenisdienst van de Landmacht (Dinas Sejarah Angkatan Darat) te Bandung is in het bezit van een deel van het legerarchief, maar is tot op heden, in ieder geval voor buitenlanders, niet toegankelijk.13 Voor dit artikel hebben we ons daarom voornamelijk gebaseerd op materiaal uit het Indonesisch Nationaal Archief (Arsip Nasional Republik Indonesia, ANRI) te Jakarta, dat archiefmateriaal van verscheidene Indonesische autoriteiten uit de periode 1945-1949 beheert. In het bijzonder hebben wij gebruik gemaakt van stukken uit het archief van de Nationale Politie (Kepolisian Negara), en de archieven van het Ministerie van Defensie (Kementerian Pertahanan) en het Ministerie van Informatie (Kementerian Penerangan). In deze archieven is uitgebreid materiaal aanwezig voor de periode 1946 tot 1948, maar ze houden abrupt op in december 1948: het moment waarop de Indonesische hoofdstad Yogyakarta door Nederlandse troepen werd bezet. Voor het jaar 1949 is het materiaal schaarser, maar enkele door het ANRI beheerde particuliere archieven bieden aanknopingspunten. Nuttig was in het bijzonder het archief van Sutan Mohammad Rasjid, de gouverneur van West-Sumatra en in de eerste helft van 1949 minister van Veiligheid in de noodregering van de Republiek Indonesië.14

Naast dit archiefmateriaal hebben wij bovendien gebruik gemaakt van het boekwerk Sekitar Perang Kemerdekaan (1977-1979) door Abdul Haris Nasution, een van de belangrijkste Indonesische militairen tijdens het conflict.15 Nasution schreef de elf delen van deze kroniek van de onafhankelijkheidsoorlog in de late jaren zeventig en had daarbij beschikking over veel uitgebreidere archieven dan de hedendaagse historicus. Grote delen van Nasutions werk bestaan uit volledig geciteerde of in detail geparafraseerde militaire rapporten afkomstig van het Indonesische leger en andere instanties, waardoor het tevens als bronnenpublicatie fungeert. Helaas is daarbij vaak niet nauwkeurig aangegeven op welk rapport hij zich baseert. Maar gezien de relatief goede toegankelijkheid van Nasution’s boek (vergeleken met het archiefmateriaal) is het des te kwalijker dat dit boek in de Nederlandse geschiedschrijving eveneens amper is gerecipieerd.16

De genoemde archieven bij het ANRI bevatten een grote verscheidenheid aan materiaal. De nota’s en rapporten over Nederlandse geweldpleging in het archief van het Ministerie van Informatie lijken vooral opgesteld te zijn voor propagandadoeleinden. De archieven van het Ministerie van Defensie en van de Politie daarentegen bevatten vooral interne verslaglegging en communicatie. Een probleem voor de onderzoeker is dat de originele ordening van deze archieven verloren is gegaan en dat ze bovendien verre van compleet lijken. Hierdoor is het over het algemeen onmogelijk om gericht te zoeken op plaats, datum, of instantie. Vermoedelijk ook om deze reden zijn de Indonesische archieven in de geschiedschrijving relatief verwaarloosd: in tegenstelling tot de Nederlandse bronnen vertellen ze geen helder chronologisch verhaal en zijn ze moeilijk doorzoekbaar. Maar wat deze archieven wel bieden is een blik door de ogen van Indonesische waarnemers op sommige specifieke gebeurtenissen. In het verkennende onderzoek dat aan de basis staat van dit artikel hebben we steekproefsgewijs enkele van zulke gebeurtenissen in het archief opgespoord. Het betreft hier overigens niet de krenten uit de pap: de geraadpleegde archieven zijn weliswaar incompleet, maar ze zijn wel dermate omvangrijk dat structureel onderzoek nog veel andere Indonesische bronnen over de Nederlandse oorlogvoering kan opleveren.17 Ook systematischer gebruik van grotendeels onverkend Indonesisch krantenmateriaal en van memoires van Indonesische bevelhebbers en soldaten zal vermoedelijk voor toekomstig onderzoek van grote waarde blijken.18

De incidenten die wij hebben verzameld in de Indonesische archieven en in het werk van Nasution hebben wij vervolgens in Nederlandse archieven nagespeurd. Wat betreft het laatste hebben we vooral gebruik gemaakt van het omvangrijke – en voor wat de alledaagse militaire rapportage betreft ook weinig bestudeerde – archief van de Strijdkrachten in Nederlands-Indië 1941-1957.19 Naast vaak vrij uitgebreide verslaglegging op divisie- en brigade-niveau bevat deze collectie voor de meeste bataljons20 die in Indonesië werden ingezet meer of minder uitgebreide ‘oorlogsdagboeken’: de verslagen waarin werd vastgelegd welke acties waren uitgevoerd en wat daarvan het resultaat was. Naast het oorlogsdagboek, dat eens in de zoveel tijd of zelfs pas aan het einde van de diensttijd van een eenheid naar hogere instanties werd gestuurd, berichtten de commandanten van de bataljons en vergelijkbare eenheden hun superieuren doorgaans dagelijks of wekelijks met de ‘relevante’ gebeurtenissen en ontwikkelingen. In de militaire rapportage gaat de meeste aandacht uit naar aantallen eigen en vijandelijke slachtoffers en naar buitgemaakte wapens. Weinig woorden worden vuilgemaakt aan de aangerichte schade of de gevolgen voor de bevolking van het eigen optreden. Deze eenzijdigheid is weinig verrassend: zij komt voort uit de inherente eisen van militaire rapportage en is dan ook een wijdverspreid verschijnsel in de verslaglegging van twintigste-eeuwse legers.21 Een gevolg hiervan is echter wel dat de uitwerkingen van Nederlands geweld vaak in het duister zijn gebleven.

Bij onze zoektocht bleek dat de meeste grotere incidenten die wij in de Indonesische collecties hadden aangetroffen redelijk eenvoudig in de Nederlandse archieven te traceren waren, ook al week de beschrijving geregeld af. Kleinere incidenten waren vaak moeilijker terug te vinden. In de Indonesische archieven liggen aanzienlijke hoeveelheden lijsten van vermeende kleinschalige geweldsdaden door Nederlandse patrouilles in hun alledaagse werk. In de Nederlandse militaire verslagen was hierover in het beste geval te vinden dat er daadwerkelijk op genoemde dag een patrouille in het betreffende dorp was geweest; vaker werden individuele patrouilles niet beschreven en rapporteerden de Nederlandse eenheden enkel ‘behoudens normale patrouillegang geen bijzonderheden’ voor de betreffende dag.22 Kortom: im Osten nichts Neues. Hun Indonesische tegenhangers waren een andere mening toegedaan.

‘Burgers’ of ‘vijanden’?

Eén van de meest opvallende verschillen tussen de Indonesische en de Nederlandse bronnen is de verschillende aanduiding van de slachtoffers van militair geweld: waren dat onschuldige ‘burgers’ of waren het ‘vijanden’? In een oorlog van guerrilla en contraguerrilla, zoals de strijd in Indonesië voor een groot deel was, is het maken van het onderscheid tussen burgers en strijders cruciaal, maar notoir ingewikkeld.23 Van deze worsteling om burger en strijder te scheiden zien we maar heel weinig terug in de Nederlandse oorlogsdagboeken. De door ons bestudeerde documenten geven geen indicatie van de moeilijkheid die de patrouilles hierbij moeten hebben ondervonden; alle slachtoffers worden simpelweg aangeduid als ‘vijandelijke verliezen’. Sterk uiteenlopende verliescijfers – eigen verliezen: nihil, vijandelijke verliezen: in de tientallen – zijn daarbij geen uitzondering.24 In de Nederlandse bronnen zijn dit geslaagde militaire acties met een fiks aantal gedode vijanden. De corresponderende Indonesische verslagen intussen spreken regelmatig van grote aantallen ‘burgerslachtoffers’.

We zijn deze discrepantie al tegengekomen in het geval van de bezetting van Tanjung Balai, waar Nederlandse bronnen enkel spraken van ‘vijandelijke verliezen’, terwijl het Indonesische verslag sprak van ‘slachtoffers onder de bevolking’. Een ander voorbeeld vinden we in een zuiveringsactie die plaatsvond op 13 oktober 1947, in het heuvelachtige gebied rondom het plaatsje Karanggede op Midden-Java. In Sekitar Perang Kemerdekaan parafraseert Nasution een Indonesisch militair rapport over deze actie:

Twee Nederlandse compagnieën gesteund door een tank en 3 vliegtuigen vielen 2 dorpen in de plaats Karanggede aan. Veel burgers zijn doodgeschoten en ontvoerd. Over de hele route vernielden zij de huizen van inwoners en staken deze in brand. [...] De moskee Petak (onderdistrict Karanggede) werd door de Nederlanders in puin geschoten. Het aantal slachtoffers onder het volk [korban rakyat] in die twee dorpen als gevolg van de Nederlandse aanval was 89 doden (waaronder 2 baby’s), en drie mensen werden ontvoerd.25

Een dermate grote zuiveringsactie is niet moeilijk terug te vinden in het archief van de Nederlandse strijdkrachten, maar de beschrijving komt maar weinig overeen. Het gevechtsrapport van de betrokken afdeling artillerie vermeldt:

Maandag 13 october: Zuiveringsactie Soesoekan-complex met 1 RS. Afd in stelling. Missigit (moskee BL/CH) Sidokardjo practisch geheel door artillerievuur vernield. Missigit bleek munitie en explosieve (sic!) opslagplaats. In missigit 7 doden peloppors (Indonesische strijders BL/CH) aangetroffen, waarvan één nog met handgranaat in de hand. Tijdens deze actie zeer veel buit aan landmijnen, munitie en andere explosieven. [...] Totaal verschoten: 397 bg (brisantgranaten BL/CH). Eigen verliezen: nihil. Vijandelijke verliezen: ruw geschat 30 à 40.26

We zien hier net als in Tanjung Balai dat het aantal doden zowel in de Indonesische als in de Nederlandse bronnen in de tientallen loopt, maar dat de beschrijving van die slachtoffers niet overeenkomt.

Als we in dergelijke zaken de bronnen van Nederlandse en Indonesische kant vergelijken is het moeilijk een definitief oordeel te vellen over wat er precies gebeurd is, en hoe de slachtoffers geïnterpreteerd moeten worden. De juiste middenweg ligt niet altijd precies halverwege. Zo lijkt het laatste hier genoemde geval, de aanval op Karanggede en beschieting van een moskee, ruimte te laten voor een interpretatie waarin het grootste deel van de slachtoffers (waaronder vermoedelijk ook burgers) gevallen is in een aanval op een militair gerechtvaardigd doelwit: een explosievenopslagplaats in een moskee. De aanval heeft vermoedelijk plaatsgevonden met minder oog voor het risico op collateral damage dan wij tegenwoordig acceptabel zouden vinden, maar de Indonesische bron suggereert in dit geval meer kwade wil door niet te vermelden dat de moskee voor munitieopslag werd gebruikt.27 Omgekeerd geeft in het geval van de bezetting van Tanjung Balai juist de Indonesische bron meer details – wild schieten op de menigte op het marktplein, executies bij de vismarkt – en levert de Nederlandse bron geen indicatie dat überhaupt getracht werd onderscheid te maken tussen burgers en strijders. De Indonesische bron lijkt hier een hiaat in de Nederlandse bronnen te vullen, in plaats van deze direct tegen te spreken. De overweging valt dus niet altijd hetzelfde uit: de context bepaalt wat we van welke bron als geloofwaardiger kunnen inschatten.

Nauwkeurig tegen elkaar afwegen van de inhoud en context van de verschillende bronnen kan ons soms een stap verder helpen. Dat levert niet altijd zekerheid, maar gelukkig zijn wij historici, geen rechters: ook als gebeurtenissen niet buiten gerede twijfel kunnen worden vastgesteld zijn overwegingen over wat er vermoedelijk gebeurd is van waarde. Maar soms komen we zelfs niet tot dat punt, en zullen we ons tevreden moeten stellen met het tegenover elkaar plaatsen van twee bronnen. Zo meldt wederom Nasution aan de hand van een Indonesisch militair rapport een incident dat in zijn bewoordingen een duidelijke oorlogsmisdaad betreft:

Om 8:00 uur op 28 augustus 1947 omsingelde een sectie van het Nederlandse leger het dorp Kebon Tengah, 3 km ten zuiden van Kedungwuni (Pekalongan). De huizen aldaar werden beschoten met brandgranaten, zodat het dorp binnen de kortste keren een vuurzee leek. De inwoners die probeerden te vluchten werden gemitrailleerd, zodat 96 mensen omkwamen. Het totaal aantal huizen dat afgebrand werd was 55.28

Onder andere dankzij getuigenissen van Nederlandse veteranen weten we dat een dergelijke methode vaker werd toegepast.29 Maar tegelijkertijd weten we ook dat Indonesische bronnen soms fors kunnen overdrijven.30 In het bovenstaande geval van Kebon Tengah is onze contextuele kennis te gering om te bepalen welk van de twee interpretaties we moeten volgen. In het rapport van de in de buurt gelegerde Nederlandse eenheid (2-4 RI) lezen we enkel: ‘23 augustus – 30 augustus (1947, BL/CH). Ook deze periode werd gekenmerkt door een intensieve patrouilleering en zuivering, [...]. 28 augustus: Vuur ontvangen bij Kebontengah.’31

Mohammed Toha, de schilder van het hier gereproduceerde aquarel was elf jaar oud toen in december 1949 de Nederlandse aanval op Yogyakarta begon. Hij ging de straat op en legde in aquarel op enkele tientallen kleine papiertjes zijn waarnemingen tijdens deze aanval en in de maanden daarna vast. De hier afgedrukte tekeningen vormen een visueel equivalent van het Indonesische perspectief zoals dat uit geschreven bronnenmateriaal naar voren komt. Zie verder: Pieter Eckhardt en Peter Sigmond, Kind in de oorlog. Mohammed Toha schildert Yogyakarta 1948-1949 (Amsterdam 2009).

Mohammed Toha, Slachtoffers van de Nederlandse aanval tijdens de opmars naar Yogyakarta, 1949.Collectie Rijksmuseum, Amsterdam.

Met behulp van de uiteenlopende bronnen kunnen we niet altijd een definitieve uitspraak doen over zaken als Tanjung Balai of Karanggede, laat staan over Kebon Tengah. Maar de Indonesische bronnen geven ons op zijn minst een aanwijzing waar we verder kunnen zoeken. Immers: als we alleen in het Nederlandse archief hadden gezocht, hadden we over al deze acties simpelweg heen gelezen zonder ze een tweede blik waardig te gunnen. Alleen de vergelijking tussen de Indonesische en Nederlandse bronnen laat zien waar de knelpunten in het discours van beide liggen: niet iedere dode was een ‘vijand’, maar evenmin was iedere burgerdode het gevolg van opzettelijke ‘wreedheid’. Of anders geformuleerd: de problematiek van het onderscheiden van burgers en combattanten in een guerrillastrijd is mede het gevolg van een verschil in perspectief: de één zijn burger is de ander zijn vijand.

Brandstichting en plundering

Een ander aspect van de Nederlandse oorlog in Indonesië waar we makkelijk aan voorbijgaan als we alleen de Nederlandse bronnen lezen zijn de ontwrichtende gevolgen van kleinschalige geweldsdaden zoals brandstichting en plundering, die over het algemeen niet worden genoemd in Nederlandse militaire bronnen. De discussies van de afgelopen jaren (en daarvoor) over Nederlandse ‘excessen’ hebben zich om begrijpelijke redenen geconcentreerd op enkele schokkende gebeurtenissen waarbij grote aantallen Indonesiërs werden geëxecuteerd.32 Maar voor veel Indonesiërs kwam het wijdverbreidere ‘kleine geweld’ veel dichterbij. In het bijzonder valt daarbij op dat brandstichting in door Nederlandse patrouilles bezochte dorpen een bijna dagelijkse praktijk was – als we ten minste de Indonesische bronnen volgen. In officiële Nederlandse bronnen lezen we hier praktisch niet over, al zijn we er uit Nederlandse egodocumenten wel mee bekend.33

In het archief van de Indonesische politie vonden wij bijvoorbeeld een viertal rapporten over de periode oktober 1947 tot januari 1948, opgesteld door Soekardono, de politiecommandant van het ressort Lumajang op Oost-Java.34 Lumajang was in deze periode in handen van de Nederlanders, wat betekent dat Soekardono zijn rapporten ‘ondergronds’ schreef. Hij rapporteert allerhande gebeurtenissen aan zijn superieuren in Yogyakarta, waarbij hij zowel geweldsdaden van Nederlandse troepen als van Indonesiërs opsomt. Voor 7 november 1947 lezen we bijvoorbeeld:

Om elf uur ’s ochtends werden Pak Potjet en zijn vrouw opgepakt in Dorogowok (Kunir) door de troepen (barisan) van commandant Moeki, omdat zij verdacht werden van spionage voor het Nederlandse leger. Zijn huis werd in de brand gestoken. Pak Potjet en zijn vrouw werden uiteindelijk vermoord door Moeki’s troepen.35

De vermeende door Nederlanders gepleegde daden die Soekardono opsomt lopen uiteen van een enkel geval van verkrachting,36 de arrestatie van plaatselijke dorpshoofden of andere prominenten,37 tot het tegen de zin van de plaatselijke bevolking aanstellen van een nieuw dorpshoofd.38 Soms meldt hij ook alleen dat een patrouille door een bepaald dorp is getrokken.39 Wat echter duidelijk eruit springt – evenals overigens in vergelijkbare lijsten uit andere regio’s die in hetzelfde dossier opgeborgen zijn – zijn de vermeldingen van kleinschalige brandstichting en diefstal. Meerdere keren per week vermeldt Soekardono dergelijke acties, waarbij hij gewoonlijk minutieus de schade taxeert: die loopt uiteen van enkele duizenden Roepia tot een gestolen muts ter waarde van 30 Roepia.

Zo beschrijft Soekardono een actie op 28 oktober 1947. 48 Nederlandse militairen kwamen op deze dag naar het dorp Jatirejo en staken daar twee gebouwen in brand. Allereerst ging het huis van de heer Tarah in vlammen op, ‘een huis met een pannendak en met een keuken, inclusief de huisraad bestaande uit tafels, stoelen, kasten, en bedden van hout’ en verscheidene etenswaren. Bovendien werden hier spullen ter waarde van Rp. 5000 gestolen. Ook het kantoor van het ‘Volksleven’ werd afgebrand, een schadepost van Rp. 300. Vervolgens gingen de Nederlandse soldaten nog verschillende woningen in, die zij ‘allemaal leeg achterlieten’. Soekardono somt hier de huizen op van acht inwoners, met telkens een precieze lijst van de spullen die daar gestolen zouden zijn. Ten slotte vermeldt het rapport dat een inwoner genaamd Murijam in een van de leeggeroofde huizen werd geslagen en meegenomen naar het hoofdkwartier.40

Als we dergelijke incidenten uit de lijsten van Soekardono en zijn collega’s elders in Indonesië nazoeken in de Nederlandse archieven, blijkt dit een stuk lastiger dan met grootschalige acties zoals in Tanjung Balai of Karanggede. Soms vinden we geen enkele vermelding, schijnbaar omdat de patrouillegang een dermate alledaagse bezigheid was dat het militair niet relevant was om dit te vermelden.41 Soms vinden we enkel terug dat er een patrouille in het betreffende dorp is geweest, zonder verdere informatie. In ieder geval wordt praktisch nooit de door Nederlandse patrouilles aangerichte schade vermeld, laat staan dat eventuele inbeslagname van huisraad of kleding terug te vinden is. In het hierboven beschreven geval vonden we na een lange zoektocht enkel een summiere vermelding in het dagelijkse rapport van 1 november 1947 van de Veiligheidsdienst Mariniersbrigade (VDMB): ‘Det[achement] Tempeh 28/10 bij patr[ouille] in omgeving Djatiredjo [...] 2 man gearr[esteerd].’42

Een dergelijk resultaat is regel, geen uitzondering. Niet alleen voor de mariniersbrigade op Oost-Java, maar ook voor Nederlandse onderdelen op andere locaties in Indonesië geldt dat vermeldingen van brandstichting of diefstal, of ook van kleinschalige schermutselingen tijdens ‘normale’ patrouillegang, in de Nederlandse militaire documenten niet meer dan een zijdelingse vermelding waard zijn.43 De geloofwaardigheid van de Indonesische lijsten is bij dit gebrek aan tegenbericht soms moeilijk te beoordelen. Soekardono’s lijsten komen relatief betrouwbaar over vanwege de gebalanceerde berichtgeving en het ontbreken van sensationele geruchten uit tweede of derde hand, terwijl sommige andere Indonesische functionarissen duidelijker overdreven, zij het om hun tegenstanders zwart te maken of om hun superieuren te imponeren. Maar gezien de grote frequentie waarmee juist brandstichting en diefstal gerapporteerd worden is de conclusie gerechtvaardigd dat dit soort kleinschalig, maar desondanks op lokaal niveau zeer ingrijpend geweld – zowel in termen van fysieke als psychologische gevolgen – met grote regelmaat plaatsgevonden moet hebben. Het blijft echter een blinde vlek in de Nederlandse bronnen.

Mohammed Toha maakte deze tekening in de maanden (januari-maart 1949) dat Yogyakarta door Nederlandse troepen bezet was.

Mohammed Toha, Een Nederlandse militair steelt een kip tijdens het patrouilleren, 1949.

Collectie Rijksmuseum, Amsterdam.

Arrestaties en sweeps – of ontvoeringen en de ‘Zuid-Celebes methode’?

Naast de aanwijzingen voor brandstichting en plundering bieden de rapporten van Soekardono opmerkelijke illustraties van nog een ander onderscheid tussen de Indonesische en de Nederlandse bronnen: de wijze waarop arrestaties werden ervaren, en vooral de perceptie van grootschalige ‘screening’ van dorpsbewoners. In de maanden na afloop van de eerste politionele actie die door Soekardono beschreven worden (augustus 1947-januari 1948) liep de mariniersbrigade in het betreffende gebied van Oost-Java intensief patrouille en voerde bovendien grootschalige zuiveringsacties uit, zogenaamde sweeps. Zowel tijdens de routineuze patrouillegang als tijdens de sweeps werden grote aantallen gevangenen genomen. Als we de operatieve rapporten van de mariniersbrigade en ook de wekelijkse rapporten van de VDMB voor deze periode bestuderen, vinden we dat bijna dagelijks tientallen mensen werden ‘gearresteerd’ of ‘gevangen’, waarbij in verhouding weinig wapens werden buitgemaakt.44 De totale toegebrachte verliezen die opgegeven werden voor de mariniersbrigade in de hele periode van 21 juli (het begin van de politionele actie) tot 1 november 1947 waren 5621 ‘neergelegde’ vijanden en 3467 gevangenen.45

De arrestaties werden door Indonesische functionarissen anders beschreven. Soekardono schrijft consequent dat mensen door Nederlandse troepen ‘ontvoerd’ (ditjulik) werden. Zo meldt hij dat op 2 november 1947 door het Nederlandse leger vijftig mensen uit het dorp Dorogowok waren ‘ontvoerd’ en naar Lumajang gebracht. ‘Ongeveer 3 dagen later kwamen 10 mensen weer terug met het bericht dat zij hard geslagen waren door Nederlandse soldaten, omdat zij ervan verdacht waren in de nacht Lumajang te hebben willen aanvallen.’46 Ook in andere gevallen van individueel gevangengenomen personen schrijft Soekardono over ‘ontvoerden’: op 10 november om vijf uur ’s ochtends bijvoorbeeld werd de djurutulis (schrijver) van het onderdistrict Yosowilangun door zes Nederlandse soldaten van zijn bed gelicht en ‘ontvoerd’ naar Lumajang.47 In een Nederlands inlichtingenrapport lezen we voor die dag enkel dat in het betreffende dorp door een patrouille 33 rollen prikkeldraad en 140 ijzeren kurkentrekkers in beslag werden genomen.48

Het semantische onderscheid tussen een vermelding als ‘gevangen’ of ‘ontvoerd’ klinkt wellicht triviaal, maar het is een sprekend voorbeeld van het verschil in perspectief dat Indonesische en Nederlandse bronnen bieden. Indonesische functionarissen zoals Soekardono zagen het Nederlandse gezag als illegitiem en interpreteerden daarom zijn acties als ‘ontvoeringen’.49 Omgekeerd deden Nederlandse autoriteiten hetzelfde: de gevangenneming van dorpshoofden en andere met de Nederlanders samenwerkende functionarissen door Indonesische ‘bendes’ werd steevast geregistreerd als ‘ontvoering’.50 Dit onderscheid is op zichzelf logisch, maar het wordt problematisch als we zien wat het gevolg is in de historiografie: de Indonesische strategie om (in hun ogen) collaborerende ambtenaren uit te schakelen wordt beschreven in termen van grootschalige ‘ontvoeringen’ of ‘kidnapping’, een term die zelden of nooit gebruikt wordt voor in sommige opzichten vergelijkbare Nederlandse tactieken om verdachte dorpshoofden te ‘arresteren’.51 Door deze semantische continuïteit met de Nederlandse bronnen wordt dus ook voortgebouwd op een Nederlands perspectief op de oorlog, waarin Indonesische strijdgroepen niet eens de theoretische mogelijkheid hadden om in hun ogen deloyale functionarissen te ‘arresteren’. Hierbij zij wel opgemerkt dat Indonesische ‘ontvoeringen’ dat niet zelden ook daadwerkelijk waren: de lijn tussen officieel beleid, individuele wraakacties en criminele intenties is hier vaak onduidelijk. Zo weten we dat sommige Indonesische strijdgroepen ontvoeringen pleegden met het oog op losgeld en dat zulke ontvoeringen niet zelden eindigden in de dood van de gekidnapte.52 Dit mag echter niet onze aandacht ervan afleiden dat in Republikeinse ogen ook veel arrestaties van met de Nederlanders samenwerkende ambtenaren legitiem waren. Door dit verschil in perspectief semantisch niet te erkennen reproduceert de Nederlandse historiografie het koloniale perspectief dat alle Indonesische groepen inherent illegitiem waren.

Hoewel de bovengenoemde aantallen door Nederlandse troepen gemaakte gevangenen al niet gering zijn, moeten we ons goed realiseren dat dit slechts het topje van een ijsberg was. Dit getal omvat enkel de personen die definitief werden vastgehouden, niet de veel grotere groepen die kortstondig werden opgepakt.53 In ieder geval in het gebied van de mariniersbrigade in deze periode werden regelmatig bij grootschalige sweeps enkele honderden inwoners ‘bijeengedreven’54 om ‘gescreend’ te worden op vijandelijke strijders, waarna de rest van de groep weer vrijgelaten werd.55 Op 9 september werd bijvoorbeeld ten westen van Jember een sweep uitgevoerd door de mariniers in samenwerking met de VDMB. Het resultaat: ‘[I]n 4 colonnes het gehele gebied doorzocht, 850 man bijeengedreven. Door op 5 Sept in dit gebied gevangen genomen bendelid werden 212 verzetsliezen aangewezen [...].’56 In het overzicht van het totale aantal gevangenen (946) dat in de eerste twee weken van september werd gemaakt zijn enkel de genoemde 212 opgenomen, niet de 850 man die ‘bijeengedreven’ waren.

Dergelijke screenings lijken door de mariniers als redelijk onschuldig en bovendien erg effectief gezien te zijn, maar de ‘bijeengedrevenen’ dachten daar vermoedelijk anders over. We zagen dit al bij Soekardono, die sprak over de ‘ontvoering’ van vijftig inwoners van het dorp Dorogowok. Nog duidelijker wordt dit bij een sweep die werd uitgevoerd op 31 januari 1948 in Kebonsari en Jrebeng, twee dorpen enkele kilometers ten zuiden van de stad Probolinggo. In een inlichtingenrapport van de VDMB lezen we over deze actie: ‘Ong. 900 manl. inwoners meegenomen naar Prob[olinggo]. Op aloon-aloon toegesproken door Indon. burgemeester. Onderzoek nog gaande. Tijdens sweep zijn enkele vluchtenden gedood.’57 De Indonesische autoriteiten (in dit geval de afdeling Informatie van de residentie Malang aan het ministerie van Informatie) schilderden deze actie aanmerkelijk gewelddadiger af: ‘Het aantal inwoners van de dorpen Kebonsari-kulan en Djrebeng-lor dat door middel van de “Zuid-Celebes methode” (methode Sulawesi Selatan) werd doodgeschoten bedroeg 125, aldus informatie ontvangen van Dr. Santoso, Hoofd van het Algemeen Hospitaal.’58

Met de verwijzing naar de ‘Zuid-Celebes methode’ van het inmiddels beruchte Depot/Korps Speciale Troepen van kapitein Westerling wordt hier gesuggereerd dat de bijeengedreven inwoners met behulp van andere gevangenen of eerder verzamelde inlichtingen werden gescreend, waarbij de ‘schuldigen’ ter plekke geëxecuteerd werden. Of dit in het geval van Kebonsari en Jrebeng daadwerkelijk is gebeurd, en of het slachtofferaantal van 125 in de buurt van de waarheid ligt, is niet te achterhalen. Indonesische propaganda over deze ‘wreedheid’ leidde aan Nederlandse kant tot een intern onderzoek, dat concludeerde dat er geen sprake was geweest van het ‘zinneloos neerschieten van kampongbewoners’, noch van het ‘verraderlijk neerschieten na bevel tot vluchten’. Opvallend is dat de oorspronkelijke opdracht tot deze sweep (‘zuiver de Zuid van Probolinggo gelegen kampong Kebonsari [...] waarbij alle mannelijke inwoners worden verzameld en aan de VDMB worden overgegeven’) bij niemand ophef veroorzaakte: grootschalig bijeendrijven van burgers voor screening was normaal en zelfs gewenst, zolang daarbij geen inwoners ‘zinneloos’ neergeschoten werden.59 Deze praktijk lijkt voort te bouwen op een klassieke koloniale manier van handelen die de gehele bevolking als potentieel gevaarlijk beschouwt en daarom (impliciet) ervanuit gaat dat arrestatie zonder gegronde verdenking acceptabel is.60 Hoe welwillend de betroffen Indonesische kampongbewoners hun behandeling interpreteerden blijft moeilijk te beoordelen, maar de rapporten van Soekardono en van het Ministerie van Informatie geven een indicatie dat de directe ontwrichtende werking van deze constante dreiging aanzienlijk moeten zijn geweest.

Luchtaanvallen en artilleriebeschietingen

Een laatste blinde vlek in de Nederlandse bronnen is het effect van artilleriebeschietingen en luchtaanvallen, zogenaamd ‘non-discriminerend vuur’. Door Nederlandse historici is er al meermaals op gewezen dat de risico’s voor de burgerbevolking van dergelijk mechanisch geweld groot waren. Vermoedelijk hadden artilleriebeschietingen en luchtaanvallen minstens zo grote aantallen slachtoffers tot gevolg als vuurgevechten, executies, en ander contactgeweld. Toch is hierover maar relatief beperkt geschreven.61 Hierbij zij opgemerkt dat Westerse legers al vanaf het eerste militaire gebruik van vliegtuigen veel experimenteerden met de inzet van het luchtwapen voor ‘politionele’ taken in non-conventionele (koloniale) conflicten.62 Omdat dit soort geweldsgebruik typisch van grote afstand plaatsvond, en bovendien niet noodzakelijkerwijs gevolgd werd door actie op de grond, registreren de Nederlandse bronnen maar weinig over de gevolgen, in tegenstelling tot de Indonesische bronnen.

Mohammed Toha maakte deze tekening in de maanden (januari-maart 1949) dat Yogyakarta door Nederlandse troepen bezet was.Mohammed Toha, Indonesiërs worden bijeengedreven en gearresteerd, 1949.

Collectie Rijksmuseum, Amsterdam.

Voorbeelden van artilleriebeschietingen zagen we hierboven al in de gevallen Karanggede en Kebon Tengah. Ook luchtaanvallen en hun gevolgen komen regelmatig naar voren in de Indonesische archieven. Zo voerde op 3 juni 1949 de Nederlandse Marine in samenwerking met de Militaire Luchtvaart (KNIL) een aanval uit op geschut dat verschanst lag in Lhokseumawe (Atjeh). In een melding van de militair gouverneur van Atjeh aan de tijdelijk noodregering van de Republiek Indonesië lezen we dat op die middag, rond twee uur, een viertal jachtvliegtuigen en een oorlogsschip voor Lhokseumawe verschenen en de stad gedurende een uur en twintig minuten bombardeerden en met mitrailleurvuur bestookten. Verder rapporteert de gouverneur:

[O]nder de doelen van de mitrailleurkogels waren onder andere twee scholen, en enkele andere huizen. Het aantal slachtoffers aan onze kant was 3, waaronder 1 strijder en 2 meisjes die nog in de schoolbanken zaten. Verder brandden twee huizen af [...] en drie andere werden zwaar beschadigd.63

Als we deze actie in de Nederlandse archieven nazoeken blijkt die niet moeilijk te traceren. Luchtacties en -aanvallen werden zeer nauwkeurig bijgehouden. Over Lhokseumawe lezen we dat de bedoeling van de actie was om een geschutstelling uit te schakelen. Het hoofdkwartier van de Militaire Luchtvaart meldt dat één voltreffer werd geplaatst en enkele ‘near misses’; één bom kwam ‘bij ongeluk’ op het kerkhof terecht. Daarnaast werd ad hoc besloten om nog enkele doelen (een militair kamp en luchtafweerputten) in de stad zelf aan te vallen. Over het welslagen van de acties lezen we verder alleen: ‘Resultaat: vermoedelijk is het geschut vernietigd daar het geen vuur uitbracht.’64 Waar de vermelde ‘near misses’ dan wél landden en wat het gevolg daarvan was, daarover lezen we niets.

In alle voorbeelden van luchtaanvallen waarover wij Indonesische en Nederlandse bronnen vergeleken vonden wij hetzelfde patroon.65 In Nederlandse bronnen ligt de focus op de doelstelling van de actie en op de hoeveelheden verschoten munitie en afgeworpen bommen. Waar mogelijk wordt wel iets gezegd over de doelmatigheid van de actie, maar vaak is de kennis daarover summier. In de Indonesische archieven daarentegen lezen we juist over grote aantallen burgerdoden en over de ravage die aangericht werd, wederom vooral aan burgerdoelen. In het bijzonder zien we telkens meldingen terugkeren van groepen mensen die doelwit werden van mitrailleurvuur uit de lucht – een ultieme terreurervaring.

De discrepantie tussen Nederlandse en Indonesische bronnen ligt in deze gevallen dan ook niet in een fundamenteel meningsverschil over wat er gebeurd is, maar in het perspectief op die gebeurtenissen. Voor de Nederlandse legerleiding – en in haar kielzog voor veel Nederlandse historici – was het luchtwapen een instrument om zonder teveel eigen risico een gerichte aanval op een vijandelijk doelwit uit te voeren. Voor veel Indonesiërs kwam diezelfde aanval eerder over als arbitrair massa-geweld: of de hemel op hun hoofd kwam vallen. Het effect van dergelijke aanvallen lag daarmee mogelijk nog meer in het psychologische dan in de werkelijk aangerichte schade.

In het hierboven genoemde geval van Lhokseumawe, evenals bij de meeste andere luchtaanvallen die wij bestudeerden, lijkt de aanval een legitiem doelwit te hebben gehad. Bovendien moet niet worden vergeten dat het denken over de plaats van ‘militaire noodzakelijkheid’ in het internationale recht, en het oordeel over hoeveel collateral damage acceptabel is, in de decennia sinds deze oorlog sterk is verschoven.66 Maar in ieder geval is duidelijk dat een exclusieve focus op Nederlandse bronnen ook in dit geval maar een half beeld van de oorlog verschaft: het beeld van uit de cockpit of achter de trekker, niet dat van de straat waar de mitrailleurkogels insloegen.

Conclusie: voorbij de hegemonie van de Nederlandse koloniale bron

We kunnen de oorlog in Indonesië en vooral zijn consequenties alleen goed begrijpen als we ook de Indonesische bronnen opzoeken. Wij identificeerden in dit artikel vier aspecten die met behulp van Indonesisch bronnenmateriaal nauwkeuriger of in een nieuw licht bestudeerd kunnen worden: de pogingen (en het falen) om onderscheid tussen burger en combattant te maken; de wijdverbreidheid van brandstichting en plundering; de rol en praktijk van (massa-)arrestaties; en de gevolgen van luchtaanvallen en artilleriebeschietingen. Deze nieuwe blik toont dat Nederlandse historici door selectief bronnengebruik ongewild een soort embedded journalists zijn geworden, waardoor zij het ontwrichtende effect van de Nederlandse oorlogvoering voor de Indonesische maatschappij hebben veronachtzaamd.

Eén van de gevolgen hiervan is het lange tijd nauw omgrensd gebleven karakter van de discussie over zogenaamde ‘excessen’. De meeste bekende voorbeelden van Nederlandse ‘excessen’ – Zuid-Celebes,67 Rawagedeh,68 Pesing,69 etcetera70 – zijn aan het licht gekomen door toedoen van klokkenluiders. De fictie van het incidentele karakter van ‘geweldsexcessen’ is misschien wel voornamelijk overeind gebleven door de sterke afhankelijkheid van de Nederlandse geschiedschrijving van de volumineuze, maar in hun onderwerpkeuze beperkte Nederlandse militaire bronnen. Gebeurtenissen zoals de bezetting van Tanjung Balai, de zuivering van Kebon Tengah, of de aanval op Karanggede zijn nooit zelfs maar onderwerp van discussie geworden: de militaire rapporten klonken relatief onschuldig, en geen enkele betrokken Nederlander trok destijds of later aan de bel.

Dit betekent niet dat we de Indonesische bronnen klakkeloos gelijk moeten geven, maar wel dat we ze mee moeten nemen in onze overweging. Waar de waarheid ligt tussen twee verschillende bronnen is soms moeilijk te zeggen: soms ligt die in het midden, soms ook meer naar één kant. Maar het feit dat de Nederlandse historiografie van de oorlog in Indonesië vrijwel geen oog heeft gehad voor Indonesische bronnen komt neer op een impliciet oordeel dat deze inherent minder betrouwbaar zijn. Het resultaat is de deels onbedoelde, maar desalniettemin onacceptabele hegemonie van de Nederlandse bron en zijn koloniale perspectief. Nederlandse bronnen hebben net zo goed hun beperkingen, voortkomend uit de interesses, standpunten, en belangen van hun opstellers. De Indonesische bronnen kunnen gaten in onze kennis opvullen, een ander licht werpen op gebeurtenissen die we al kennen maar nooit als belangwekkend hadden gezien, en ons meer leren over niet alleen de doelen maar ook de gevolgen van de oorlogvoering.

Dat Nederlanders en Indonesiërs nog steeds zelden met elkaar in gesprek komen over de gedeelde geschiedenis van deze oorlog komt mede doordat we niet of te weinig elkaars bronnen voor ogen krijgen. Het is hoog tijd om daar verandering in te brengen.