Dit boek is een bewerking van de dissertatie van Anton Rinzema. De studie van werk en leven van Sicke Benninge vormde een tweeluik met de editie van Benninges kroniek door Frits van den Hombergh. Helaas overleden beide onderzoekers in 2007. Dankzij promotor Dick de Boer gingen de resultaten van het onderzoek niet verloren en werd Lianne van Beek ingeschakeld om de studie waar nodig te bewerken waarvan voorliggend boek het resultaat is. Lianne van Beek bleef daarbij zo getrouw mogelijk aan het onderzoek van Anton Rinzema en vervolledigde hier en daar met noodzakelijke aanvullingen, maar qua literatuur geeft dit boek een stand van zaken weer van circa 2005. Parallel werd ook de langverwachte editie van de kroniek in 2012 gepubliceerd dankzij de inspanningen van Egbert van der Werff. Zo resulteerde het ambitieuze onderzoeksproject, dat reeds in de jaren 1980 opgestart werd, in twee boeiende publicaties die een herwaardering van de lang onderbelicht gebleven laatmiddeleeuwse en vroegmoderne Friese historiografie inhouden.

Het boek bestaat uit zeven hoofdstukken die helder en logisch opgebouwd zijn. Hoofdstuk 1 schetst het debat omtrent het verschijnen van laatmiddeleeuwse stedelijke historiografie in een breder literatuur-historisch perspectief. Aansluitend bespreekt hoofdstuk 2 specifiek de Friese en Groninger context en de aanwezigheid van stedelijke en regionale kronieken. In hoofdstuk 3 worden de levensloop en carrière van Sicke Benninge gereconstrueerd. Hoofdstuk 4 geeft informatie over de overlevering en ontstaansgeschiedenis van Benninges kroniek. Hoofdstuk 5 analyseert de werkwijze en het bronnengebruik van Benninge als geschiedschrijver. In hoofdstuk 6 en 7 wordt het wereldbeeld en de mening van Benninge over de politieke verhoudingen ontleed. Zijn oordeel over tijdgenoten, gaande van vorsten tot stadsbewoners, en zijn visie op politieke spanningen en sociale verhoudingen wordt belicht.

Met zijn Croniken der Vrescher Landen mijtten Zoeven Seelanden ende der stadt Groningen was Sicke Benninge de eerste die Groninger en Friese historiografie met elkaar verbond. Hij was afkomstig uit het zogenaamde Westerkwartier van de Ommelanden. Door zijn huwelijk verwierf hij rond 1497 het Groningse poorterschap. Hij behoorde niet tot oude patriciërsgeslachten en slaagde er in de loop van zijn leven niet in tot de sociaaleconomische toplaag op te klimmen. Toch bouwde hij een mooie carrière op en bekleedde verschillende stedelijke functies zoals grietman, hoofdman, rentmeester, overrechter en was mogelijk ook lid van de Groninger raad. Hij was dus nauw betrokken bij het politieke besluitvormingsproces wat hem heel wat nauwkeurige informatie verschafte.

De absolute verdienste van deze studie is het gedetailleerd ontrafelen van Benninges bronnengebruik en de totstandkoming van de verschillende delen van het werk. Voor zijn driedelige kroniek maakte Sicke Benninge gebruik van een breed scala aan bronnen waaronder allerlei verhalende documenten zoals enkele oudere kronieken, reisbeschrijvingen en pelgrimsgidsen, maar ook vele rechtsteksten en oorkonden. In het derde en meest omvangrijke deel ligt de nadruk meer op zijn eigen tijd en vertoont de kroniek een sterk politieke inslag. Dat relaas is gebaseerd op wat hij zelf had gezien, meegemaakt of vernomen via betrouwbare getuigen.

Het perspectief van politieke onrust als katalysator voor het schrijven van historiografie is een waardevolle insteek in het boek. Tussen de jaren 1491–1528 kwam de Friese vrijheid en onafhankelijkheid van Groningen onder druk te staan door een sterkere greep van het centrale overheidsapparaat. Hoewel Sicke Benninge geen groot politiek denker of strateeg was, ventileerde hij verschillende keren zijn opvattingen over zijn eigen woelige politieke tijdperk. Hij koesterde nostalgie naar vroeger, toen alles beter was, en was redelijk pessimistisch over de toekomst. Hij hunkerde naar de tijd toen Groningen volgens hem nog niet gedomineerd werd door ambitieuze, onvoorzichtige en op macht beluste raadslieden en onbekwame gildevertegenwoordigers. Omwille van zijn afkomst bekleedde ook het thema van de moeizame relatie van Groningen met haar Ommelanden een prominente plaats. Daarnaast stond de diepchristelijke Benninge erg afkerig ten opzichte van oorlog, niet uit pacifistische beweegredenen, maar omwille van het praktische belang dat rust en stabiliteit hadden voor de welvaart van de stad en omliggende regio.

Een tekortkoming van deze studie is evenwel het ontbreken van de vraag naar het geïntendeerde publiek van de kroniek. De hele kroniek wordt tot in de puntjes geanalyseerd, maar voor welke lezers deze bestemd was, blijft onduidelijk. Uit het betoog leiden we enerzijds af dat Sicke Benninge waarschijnlijk voor zichzelf en eventueel een beperkte kring van verwanten rondom hem schreef. Anderzijds werd deze kroniek in meer dan 40 handschriften overgeleverd, wat een ruimere verspreiding veronderstelt. Het valt uiteraard buiten het bestek van deze studie om te verklaren waarom er zoveel afschriften (van begin zestiende eeuw tot 1745) circuleerden, hoewel dit verhelderend zou kunnen zijn over het milieu waarin de kroniek van Benninge circuleerde na zijn dood. In welke sociale kringen was er interesse voor afschriften van deze kroniek en waarom? Recentelijk is er ook het pleidooi van onderzoekers om niet louter op het auteurschap van een kroniek te focussen, maar evenzeer op de receptie van historiografische tekstproductie. De inleiding van de editie uit 2012 biedt enige verduidelijking omtrent de datering en verspreiding van de afschriften, maar over het lezerspubliek vernemen we helaas niets.

Het boek is aangenaam geschreven en vlot leesbaar, hoewel het bij momenten wat breedvoerig is en er enkele herhalingen opduiken (bijvoorbeeld het belang van de Friese vrijheid voor Benninge en zijn mening over de nieuwe generatie stadsbestuurders). Daarnaast is enige spanning merkbaar tussen de uitgewerkte casus en de situering daarvan in een breder historiografisch debat. De literatuurstudie in dit boek reikt tot 2005, maar de bijdragen van A.-L. Van Bruaene (uit 2003 en 2008) over het verschijnen van laatmiddeleeuwse stedelijke geschiedschrijving in Vlaanderen en Brabant hadden zeker een toegevoegde waarde kunnen bieden, voornamelijk vanuit een breder theoretisch perspectief en het zoeken naar verklaringen voor de afwezigheid van ‘echte stadskronieken’ in deze sterk geürbaniseerde regio’s.

Niettemin levert dit onderzoek van Anton Rinzema een prachtige en gedetailleerde casus op en heeft Lianne van Beek zeer verdienstelijk redactiewerk geleverd. Dit boek vormt als dusdanig een meer dan interessante bijdrage aan de recente heropleving van onderzoek naar allerlei uiteenlopende vormen van stedelijke geschiedschrijving. Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan de conferentie in Brugge in mei 2015, ‘Towards new thinking in urban historiography. Old Texts, New Approaches. A Reconsideration of Urban Historical Consciousness in Northwest Europe’, waar verschillende lopende onderzoeken werden voorgesteld. Door de situering van de kroniek in het ruimere kader van historiografische productie in Groningen en Friesland van de veertiende tot en met de achttiende eeuw en mede dankzij de bijlage die achteraan toegevoegd werd, levert het boek mooie aanknopingspunten en een uitnodiging tot verder onderzoek naar deze lang stiefmoederlijk behandelde kronieken.