Het proefschrift waarop Theo Thomassen in 2009 promoveerde heeft in 2015 een bredere verspreiding gekregen toen het als handelseditie verscheen in de reeks van door Huygens ING uitgegeven onderzoeksgidsen. Maar liefst twee volumineuze banden met in totaal 858 pagina’s zijn nodig om de onderzoeker wegwijs te maken in de archieven die de Staten-Generaal tussen 1576 en 1796 gevormd hebben en die in totaal zo’n 1200 meter archiefplanken vullen. Het stelt de recensent van dit omvangrijke werk ook meteen voor een dilemma: bespreek ik het boek als onderzoeksgids, of als dissertatie? Dat perspectief maakt in dit geval veel uit. De studie naar de archiefvorming van het eerbiedwaardige college van de Staten-Generaal biedt een minutieus verslag van een langdurige maar uiteindelijk geslaagde worsteling die de auteur in 1981 aanging en in 2009 beslechtte door dit archief in intellectueel opzicht de baas te worden. Het resultaat van die inspanning levert niet alleen een omvangrijke biografie van de Staten-Generaal en hun archieven op, maar ook een gedetailleerd verslag van de methodische en archiefwetenschappelijke zoektocht van de auteur om tot dit resultaat te komen. Daarmee verrijkt hij zowel de geschiedschrijving over de Staten-Generaal als de archiefwetenschap.

Toch wringt er wel iets vanuit het perspectief van een onderzoeksgids. Een onderzoeksgids biedt een onderzoeker de helpende hand en voldoende houvast om te weten op welke wijze hij of zij te werk dient te gaan om de archieven van de Staten-Generaal te benaderen en te begrijpen. Instrumenten van de macht is echter vooral veel meer dan dat en schiet daarmee het doel van onderzoeksgids toch wel voorbij. Een gids van deze omvang en structuur had op zijn minst een duidelijke leeswijzer en handige samenvattingen moeten hebben. Gelukkig maakt een gedetailleerde inhoudsopgave (die alleen al 20 pagina’s beslaat) wel het nodige goed.

Instrumenten van de macht is een boeiende archiefwetenschappelijke analyse van het handelen, documenteren en archiveren door de Staten-Generaal die in 1576 begonnen te besturen en 220 jaar later met de instelling van de Nationale Vergadering ophielden te bestaan. De Staten-Generaal vergaderden aanvankelijk in steeds wisselende steden en de archieven reisden mee totdat de Staten-Generaal in 1588 een eigen plek kregen op het Haagse Binnenhof. De archieven kregen vanaf dat moment ook een sedentair, maar zeker geen slapend bestaan. In de analyse wordt duidelijk dat de complexiteit van de archieven voor een belangrijk deel veroorzaakt is door de verschillende manieren waarop ze in de loop van de tijd zijn gebruikt, geïnterpreteerd, geordend en herordend. Op die wijze zijn, vaak met de beste bedoelingen, veranderingen in dit archief aangebracht die echter meer zeggen over de opvattingen van degenen die de wijzigingen doorvoerden dan dat ze de oorspronkelijke functie representeren. Met behulp van een conceptueel gegevensmodel weet Thomassen de verschillende lagen in deze archieven op te sporen. Het gegevensmodel is een hulpmiddel waarmee op systematische wijze de relaties zichtbaar gemaakt kunnen worden tussen actor, functie, werkproces en de documenten die hieruit voortvloeien. Inzicht in die relaties (de context van de archieven) is essentieel voor een goed begrip van de archiefvorming. Thomassen combineert deze conceptuele invalshoek met ambachtelijk handwerk én met een indrukwekkende hoeveelheid inhoudelijke kennis van de archieven en van de griffiers en archivarissen die zich in de loop van de tijd op een of andere manier met dit archief hebben beziggehouden.

In de eerste band staat het functioneren van de Staten-Generaal centraal. Eerst wordt in een inleidend hoofdstuk aan de hand van een wandeling over het Binnenhof de topografie van de macht langsgelopen en het object van onderzoek met alle organisatorische en methodische problemen, keuzes en valkuilen beschreven om vervolgens over te gaan tot een uitgebreide institutionele verhandeling over de werkwijze van de Staten-Generaal. Vergaderen was de hoofdactiviteit van de Staten-Generaal. Op gedetailleerde wijze wordt beschreven volgens welke spelregels werd vergaderd, hoe voorstellen werden gedaan, hoe het systeem van ruggespraak houden in zijn werk ging, wanneer gedeputeerden vrij mandaat hadden, hoe het besluitvormingsproces was vormgegeven, waarin de werkwijze in secrete zaken afweek van de gewone procedure. Dit hoofdstuk wordt gevolgd door een uitputtende beschrijving van de verschillende taken en bevoegdheden van de Staten-Generaal, variërend van het benoemen van functionarissen tot het vaststellen van de tekst van de Bijbelvertaling en het sluiten van internationale verdragen en voeren van oorlog tot het toezicht houden op de VOC en WIC. Al die verschillende activiteiten hebben geleid tot documenteren en archiveren.

In de tweede band staan de archieven van de Staten-Generaal centraal. Thomassen hanteert hier het concept van het archiveringssysteem, dat veel meer is dan alleen het op een bepaalde manier rangschikken van de documenten in het archief. Het archiveringssysteem definieert hij als ‘het geheel van procedures, methoden, kennis, mensen, middelen en documenten waarmee een persoon of een organisatie de archiveringsfunctie vorm geeft’ (427). Thomassen besteedt dan ook niet alleen aandacht aan de documenten die zich in het archief bevinden maar analyseert de administratieve processen van de Staten-Generaal, kijkt naar de griffieambtenaren die deze processen moesten uitvoeren en beschrijft hoe de kamers en kasten werden gebruikt om de archieven op te bergen. In dit hoofdstuk wordt de complexiteit van de vele verschillende series resoluties, de verschillende indices en hun onderlinge verhouding tot elkaar ontrafeld.

Thomassen wil laten zien hoezeer de archieven van de Staten-Generaal zoals wij ze in onze tijd aantreffen niet slechts het resultaat zijn van de manier waarop ze ooit gevormd waren, maar voortdurend onderhevig zijn geweest aan ingrepen en veranderingen waardoor vaak helemaal niet meer duidelijk is met welke logica ze ooit geordend zijn. Meestal zien we alleen de laatste ‘laag’. De archieven zijn een afbeelding van de omgeving die ze heeft gevormd, bewerkt en gebruikt. Restanten van die verschillende afbeeldingsrelaties zijn voor de goede kijker nog zichtbaar en Thomassen laat op meesterlijke wijze zien hoe je moet kijken en waarnaar je moet kijken om dit te zien.

Bijzonder leerzaam in dit opzicht is het hoofdstuk dat handelt over de bewerkingen die op het archief zijn uitgevoerd nadat de Staten-Generaal in 1795 ophielden te bestaan. Het begon al met de tijdelijke verhuizing naar Parijs van 52 kisten met archiefstukken van de Staten-Generaal (en later werden nog eens 5000 delen gereedgemaakt om naar Parijs te transporteren). De chaos die hierdoor werd veroorzaakt werd na het herstel van de onafhankelijkheid nog vergroot doordat steeds meer andere documenten bij de archieven van de Staten-Generaal werden geplaatst en er een thematische herverkaveling plaatsvond volgens een negentiende-eeuwse logica. Zo ontstond er een aparte ‘collectie buitenlandse zaken’ waarin de rapporten (verbalen) van de gezanten die nog in de archieven van de Staten-Generaal en Staten van Holland zaten, alsmede verbalen die in allerlei persoons- en familiearchieven werden aangetroffen bij elkaar werden geplaatst. Daar werden de zogeheten legatiearchieven (de archieven van de Staatse gezanten in het buitenland van voor 1795 die in de jaren twintig van de negentiende eeuw aan het rijksarchief werden overgedragen) zonder aarzeling aan toegevoegd. Dit ging zo door met allerlei andere buitenlandse rapporten die in de loop van de negentiende eeuw opdoken tot rijksarchivaris Van Riemsdijk eind jaren tachtig van de negentiende eeuw aan deze praktijk een einde maakte. Het kwaad was inmiddels geschied en deze archieven waren ingedeeld volgens een anachronistische, negentiende-eeuwse opvatting van de manier waarop de diplomatie in de zeventiende en achttiende eeuw was georganiseerd.

Instrumenten van de macht biedt de lezer een spannende maar lang niet altijd gemakkelijke ontdekkingsreis. Het is niet alleen een ontdekkingsreis door de archieven van Staten-Generaal, maar vooral ook door de krochten van het archivistische denken en handelen die hun weerslag hebben gehad op de archieven. Het is geen ‘gids’ die snel inzicht biedt hoe je als onderzoeker het beste te werk kunt gaan om deze archieven te gebruiken. Het is wel een ‘gids’ die je doet inzien dat het essentieel is om te begrijpen welke werelden verscholen zitten achter de meest zichtbare structuren. Daarmee vormt dit werk een uitstekende basis om een op onderzoekers toegesneden onderzoeksgids te maken.