De geschiedschrijving van orden en congregaties in Nederland heeft de laatste jaren een hoge vlucht genomen. Niet alleen is het aantal studies aanzienlijk toegenomen, ook ligt de kwaliteitslat veel hoger dan pakweg dertig jaar geleden. Want waar studies over orden en congregaties voorheen op zijn best uitblonken in saaie degelijkheid – waarbij bovendien elke blik over de kloostermuren om het geheel in wat breder kader te plaatsen de lezer werd onthouden – is nu het tegengestelde waar. Voor een goed begrip van de Nederlandse religiegeschiedenis zijn studies zoals die van Marit Monteiro over de Nederlandse dominicanen of Jan Jacobs over de gezamenlijke Nederlandse priesterreligieuzen onmisbaar geworden.

Afgelopen jaar verscheen er een nieuwe loot aan deze historiografische stam in de vorm van een indrukwekkend uitgegeven boek over de Zusters van Jezus, Maria en Jozef. De congregatie stamt uit 1822 en haar geschiedenis loopt door tot vandaag de dag. Vooral om die reden bevreemdt het nogal dat Anneke Driessen en Gerard van der Ven hun verhaal afsluiten in 1962, het jaar dat de congregatie in drie afzonderlijke provincies werd verdeeld. Juist in die jaren begon het in menig orde en congregatie danig te gisten en het is jammer dat de lezer het voor die periode moet doen met de uiterst summiere beschouwing van de hand van zuster Laetitia Aarnink, sinds 2004 Provinciaal Overste. Deze op zichzelf lezenswaardige bijdrage ten spijt is het een gemiste kans dat de verschillende in het werk neergelegde lijnen niet tot het heden worden doorgetrokken.

Driessen en Van der Ven zijn grondig te werk gegaan. Hoewel een notenapparaat ontbreekt daar dit volgens de auteurs de leesbaarheid zou bevorderen, valt uit de tekst wel op te maken dat zij gebaseerd is op deugdelijk en arbeidsintensief onderzoek. In een viertal hoofdstukken wordt de geschiedenis van de congregatie uiteengezet. Het eerste hoofdstuk bevat de jaren van de oprichting, vooral gekleurd door een conflict tussen inspirator Mathias Wolf S.J. en de latere bisschop Joannes Zwijssen. In ruim 130 pagina’s wordt de aanvangsfase met wat veel omhaal van woorden uit de doeken gedaan. De periode erna – tussen 1857 en 1962 – komt er vervolgens met een kleine 60 pagina’s op het eerste gezicht wat bekaaid van af. Desondanks is dit het meest leesbare gedeelte van het boek. Er wordt strak de hand gehouden aan de hoofdlijn: de spanning tussen het zich enerzijds willen inzetten in de samenleving en anderzijds het willen leiden van een volledig godgewijd leven waarin gebed, versterving en gehoorzaamheid centraal stonden. Het is een spanning die ook in de epiloog van Aarnink gethematiseerd wordt en die in veel studies naar het leven en werk van vrouwelijke religieuzen terugkomt.

Het tweede deel van het boek gaat over de missie in Indonesië en India. De straffe schrijvershand die het tweede hoofdstuk componeerde wordt hier weer veel meer vrijheid gelaten. De leesbaarheid komt dit niet ten goede. De auteurs hebben hier te maken met een euvel dat wel meer studies over orden en congregaties parten speelt: het gevoel dat onderhavig onderwerp als vanzelfsprekend een uitputtende behandeling rechtvaardigt waarin elk detail van groot gewicht is. Nu is de geschiedenis van de congregatie van JMJ zonder meer boeiend, maar hadden de auteurs zich beperkt tot een meer compacte en handzame beschrijving ervan was dat winst geweest. Nu verdwaalt de lezer op momenten – zeker waar het de geschiedenis van de missie betreft – in een overvloed van details. Tegelijkertijd gaat de geschiedenis hier, met name door de vele goed gekozen afbeeldingen, wel echt leven. Zo biedt het boek vooral veel inzicht in de dagelijkse (geloofs)praktijk van de zusters in de missie, een thema waarover welbeschouwd nog niet zo vreselijk veel bekend is. Daarmee is het eerste deel van het boek vooral een bevestiging van bestaande inzichten, terwijl in het tweede deel wat meer nieuws te lezen valt.

In haar terugblik haalt zuster Aarnink een bestuursverslag uit de late jaren zestig aan. Daaruit steeg een gevoel van grote verwarring op: ‘Er is in de loop der jaren veel vernieuwd en verbeterd. De geestelijke vernieuwing, de verandering van mentaliteit, het openstaan naar de wereld verkeren nog in een beginstadium’. Waar dat alles nu precies naartoe ging was de vraag, maar ‘de eerste stappen’ waren gezet en er was alle reden ‘te blijven geloven in een totale vernieuwing zoals de Kerk die van alle religieuzen vraagt’ (416). Het is om twee redenen een intrigerend citaat. In de eerste plaats omdat uit het boek van Driessen en Van de Ven wederom blijkt dat het indelen van de geschiedenis van katholiek Nederland in een periode van gezapige rust vóór en geweldig tumult na 1960 weinig verhelderend is. Juist in de periode tussen grofweg het midden van de jaren dertig en het eind van de jaren vijftig gebeurde heel veel, zij het soms zonder dat betrokkenen zelf goed in staat waren te benoemen wat ze om zich heen waarnamen. Toen de woorden eenmaal gevonden waren ging het echter snel.

In de tweede plaats is het een citaat dat schreeuwt om context. Wat was nu die totale vernieuwing die door de kerk van alle religieuzen gevraagd werd? En hoe probeerde men die in de context van de congregatie van JMJ te integreren in het verhaal dat over het eigen verleden verteld werd? En wat was de invloed van de terugloop in nieuwe aanwas zoals die al direct na de Tweede Wereldoorlog merkbaar werd? Het zijn vragen die de auteurs helaas laten liggen. Vooral daardoor is Zusters van JMJ vooral een prachtig uitgegeven gedenkboek geworden dat direct bij de congregatie betrokkenen met plezier zullen lezen en vol trots in de kast zullen zetten.

Voor een breder publiek is de oogst na vierhonderd pagina’s echter wat magerder. De geschiedenis van de congregatie wordt – ondanks de onevenwichtige verdeling van de aandacht en de op momenten wat wijdlopige stijl – op een gedegen wijze verteld met de treffende afbeeldingen als meerwaarde. Daarmee houdt het boek het midden tussen vernieuwende studies naar orden en congregaties zoals die de laatste jaren verschijnen en de meer traditionele werken uit het genre.