Het begrip natuurlijkheid was alomtegenwoordig in het denken en spreken van de Franse Verlichting. Ook in het theater manifesteerde natuurlijkheid zich als het nieuwe ideaal, dat zowel toneelauteurs als acteurs en regisseurs tot doel werd gesteld. Van doorslaggevend belang bij de lancering en definiëring van dit ideaal in het theater waren de geschriften van Denis Diderot, in het bijzonder zijn dramapoëtische traktaat Entretiens sur Le Fils naturel (1757) en zijn burgerlijke dramastuk Le père de famille (1758). Dat laatste beleefde zijn Brusselse première in 1761 in de Muntschouwburg. Naar aanleiding van die opvoering waaide het debat over natuurlijkheid in het theater vanuit Parijs naar Brussel over. Maar hoe moeten we dit hele natuurlijkheidsidee begrijpen? Waar kwam het vandaan, met welke verschillende betekenissen werd het bekleed en wat verklaart zijn onstuitbare opgang in het achttiende-eeuwse denken over theater? Die vragen behandelt theaterhistoricus Bram van Oostveldt in deze begripshistorische studie, waarmee hij in 2005 zijn doctorstitel behaalde aan de Universiteit Gent.

Als methode kiest Van Oostveldt resoluut voor Foucaults archéologie du savoir. In de beste poststructuralistische traditie pelt hij de verschillende betekenislagen van het idee natuurlijkheid af om de historisch gesitueerde en dikwijls tegenstrijdige bouwstenen van het discours bloot te leggen. Dit resulteert in een zeer nauwkeurig onderzoek van vaak complexe theoretische debatten op het vlak van ontologie, epistemologie en esthetica. In het eerste deel van het boek vertrekt hij van de artikels over ‘natuur’ in de beroemde Encyclopédie om de filosofische achtergrond van het natuurlijkheidsdebat te schetsen, met aandacht voor de verhouding tussen rede en natuur in de Verlichting, de relatie tussen natuur en kunst en de definitie van schoonheid. In het tweede deel wordt het filosofische debat toegespitst op het theater: de geboorte van het burgerlijke drama wordt er teruggeplaatst in de morele opvattingen van de Verlichtingsfilosofen als uiting van de burgerlijke emancipatiedrang. In het derde deel staat het Brusselse natuurlijkheidsdebat centraal, dat wordt belicht aan de hand van de opvattingen over representatie, acteerstijl en acteermethode die, naar aanleiding van de opvoering van Le père de famille, lokaal werden geventileerd.

Met zijn uiterst zorgvuldige reconstructie van de betekenisevolutie van het natuurlijkheidsidee ontsnapt Van Oostveldt aan de geschematiseerde weergave die het ideeëngoed van de Verlichting door gebrek aan tijd en plaats in menige historische studie ten deel valt. Het verhaal dat hij vertelt is heerlijk genuanceerd. Het stelt het gelijktijdig bestaan van tegengestelde ideeën en hun niet per se rechtlijnige evolutie doorheen de tijd in de schijnwerpers. Het thema wordt op een exhaustieve wijze onderzocht. Het onderzoek voert langs het werk van talrijke denkers en theatertheoretici en doorkruist kapitale achttiende-eeuwse filosofische debatten, gaande van de ontologische tweestrijd tussen mechanisme en evolutionisme, over de epistemologische crisis van het cartesianisme en het classicisme, tot de esthetische polemiek over ‘belle nature’ en ‘nature vraie’.

De keerzijde is dat het bestudeerde onderwerp noodzakelijkerwijs ‘klein’ uitvalt. Het ‘Brusselse theaterleven uit de achttiende eeuw’ in de ondertitel wekt grotere verwachtingen dan het boek waarmaakt. Het Brusselse luik van het boek neemt slechts één van de drie delen in beslag en is gebaseerd op welgeteld vier bronteksten met een uitgesproken normatief karakter (een uitgebreide recensie van Diderot’s Le père de famille en drie verhandelingen over toneelspel). De Brusselse casus dient dan ook vooral ter illustratie van een begripshistorische analyse die veel verder reikt dan de toenmalige hoofdstad van de Oostenrijkse Nederlanden. Wie meer wil vernemen over de evolutie van de eigenlijke theaterpraktijk in het achttiende-eeuwse Brussel, onder meer onder invloed van het verlangen naar natuurlijkheid, moet elders terecht. Om te beginnen bij het boek The theatre de la Monnaie and theatre life in the 18th century Austrian Netherlands uit 2000 van dezelfde auteur. Hoe dan ook doet deze smalle uitwerking van de Brusselse casus niets af aan de geldigheid van Van Oostveldts conclusies, en biedt ze een zeldzame en dus zeer welkome bijdrage tot onze kennis over het artistieke en dramatheoretische debat in de Oostenrijkse Nederlanden.

Het hoge theoretische niveau van het boek maakt de lectuur ervan soms taai. Hoe interessant de discussie over de kentheoretische achtergrond van het classicisme en andere esthetische idealen ook is, soms verliest ze aan kracht omdat ze zelden (of pas na lange tijd) concreet wordt. In al het spreken over de idealen van natuurlijkheid komt het slechts sporadisch tot het geven van voorbeelden van welke kunstgrepen in schilderkunst, poëzie en toneel nu precies als natuurlijk of artificieel werden ervaren. Daardoor ontstaat bij momenten de indruk dat het om een steriele of semantische discussie gaat. Onterecht, zo blijkt. Het boek is dan ook op zijn sterkst wanneer de theoretische standpunten aanschouwelijk worden gemaakt, met name waar het gaat over de inhoud van concrete stukken of de afweging van verschillende acteermethodes. Zo is de bespreking van Diderots Le père de famille in het licht van de voorafgaande theoretische beschouwingen een revelatie.

Bijzonder interessant is ook de vaststelling dat de evolutie in morele en esthetische opvattingen met betrekking tot toneel een onderliggende sociale realiteit weerspiegelde. Dat de opkomst van het genre van het burgerlijke drama en de hang naar natuurlijkheid een manifestatie waren van de burgerlijke emancipatiedrang tijdens het ancien régime en een verwerping inhielden van de overgesofisticeerde hofcultuur is geen nieuwe onthulling. In dit boek wordt het thema wel zeer treffend en overtuigend uitgewerkt. Natuurlijkheid als ahistorische en door de natuur zelf gegeven categorie wordt op die manier ontmaskerd als het intellectueel toedekken van een historisch en sociaal bepaald cultureel streven. Vanuit die optiek krijgt zelfs de opkomst van de empirie als dominant kentheoretisch paradigma een acute politieke relevantie, die het achttiende-eeuwse esthetische debat een heel nieuw aanschijn geeft. Net die kruisverbanden maken dit theoretische, rijk geschakeerde boek, behalve voor theaterfilosofen, ook voor cultuurhistorici tot belangwekkende lectuur.