De themabundel Schokkende boeken! bevat 32 bijdragen waarin telkens een werk uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis wordt besproken dat op de een of andere manier het predicaat ‘schokkend’ krijgt. In hun inleiding op de bundel definiëren de samenstellers Rick Honings en Lotte Jensen een schokkend boek kortweg als ‘een werk dat bepaalde grenzen overschrijdt’. Het kan daarbij om ‘morele, juridische of esthetische’ grenzen gaan ‘die in een bepaalde samenleving courant zijn’ (10). Te denken valt aan boeken die in hun tijd voor beroering zorgden vanwege een onzedelijke of godslasterlijke inhoud, aan werken die als ideologisch verdacht of zelfs als staatsgevaarlijk gebrandmerkt werden, of aan vernieuwende literatuur die met radicale vormexperimenten of het doorbreken van genreconventies esthetische verwarring zaaide.

De artikelen zijn onderverdeeld over drie thema’s, ‘Lichaam’, ‘Geest’ en ‘Vorm’, die niet helemaal overlappen met de drie soorten grenzen die een schokkend boek kan overschrijden. De esthetische grens correspondeert grotendeels met het thema ‘Vorm’, maar de in moreel of juridisch opzicht grensoverschrijdende werken vinden we zowel terug binnen de categorie ‘Lichaam’ als onder ‘Geest’. Een positief aspect van deze verdeling is dat de chronologie een paar keer doorbroken wordt. Binnen de categorieën zijn de besproken werken weliswaar chronologisch geordend, maar door deze thematische driedeling staan niet langer alle middeleeuwse werken bij elkaar aan het begin en alle moderne werken aan het eind. Dat zorgt voor een prettige afwisseling van historische periodes en contexten.

Een valkuil van dergelijke bundels die een specifiek type literatuur behandelen is dat de definitie enorm wordt opgerekt om maar zoveel mogelijk bijdragen van diverse pluimage te kunnen incorporeren. Die valkuil hebben de samenstellers van deze bundel niet helemaal weten te omzeilen. Een criterium dat in de inleiding wordt aangebracht maar in de uitwerking niet consequent wordt gehandhaafd, is dat het werken betreft ‘die in hun tijd als schokkend werden ervaren, en dat soms nog steeds zijn’ (10). Het woord ‘ervaren’ is hier van belang, want het situeert de shock value van een literair werk terecht in het effect dat het uitoefent of uitoefende op een groep geïntendeerde lezers of in het bredere maatschappelijke debat. Een literair werk kan in principe nooit louter op basis van intrinsieke kenmerken als ‘schokkend’ worden gelabeld, er zijn altijd ook additionele gegevens nodig die aantonen dat het betreffende werk een dermate grote impact of geruchtmakende uitwerking heeft gehad die de conclusie rechtvaardigt dat het een schok teweegbracht. De brede definitie dat schokkende boeken alle boeken zijn die een bepaalde grens overschrijden, laat al zien dat deze bundel veel ruimte laat voor vrijere uitwerkingen van het thema. Sommige auteurs gaan daarin erg ver. Zo laat Jaap Grave in zijn artikel over De verboden tuin (1986) van Wessel te Gussinklo zien hoe het hoofdpersonage de gebeurtenissen die hem overkomen als schokkend ervaart, wat natuurlijk nog niets zegt over het al dan niet choquerende karakter van de roman. Een mispeer van een andere orde is de bijdrage van de journaliste Elsbeth Etty, die de casus van de nationaalsocialistische en virulent antisemitische dichter George Kettmann aangrijpt om diens rabiate gescheld in de jaren dertig van de vorige eeuw op het Comité van Waakzaamheid van Menno ter Braak op één lijn te stellen met hedendaagse kritiek op de negatieve effecten van het politiekcorrecte paradigma.

Sven Vitse noemt Tongkat (1999) van Peter Verhelst ‘een provocerend en misschien zelfs schokkend boek’ (280). Die aarzeling is het gevolg van een te tekstgerichte benadering. De receptie van de roman wordt grotendeels buiten beschouwing gelaten in zijn stuk, zodat we over het eventuele schokeffect van Verhelsts provocaties inderdaad geen conclusies kunnen trekken. De beste bijdragen in de bundel zijn dan ook die waarin een gecontextualiseerde inventarisatie van de potentieel grensoverschrijdende kenmerken van een werk gecombineerd wordt met een literatuurhistorische beschrijving en analyse van de schok die het teweegbracht. Helmer Helmers bijvoorbeeld doet dat voorbeeldig in zijn bijdrage over De Betoverde Weereld (1691) van Balthasar Bekker, ‘zonder twijfel [...] het schokkendste boek dat ooit in de Republiek is verschenen’ (131). Helmers schetst kort de historische context, laat zien welke plaats Bekker hierin innam, en bespreekt vervolgens de reuring die zijn boek veroorzaakte aan de hand van zowel tekstspecifieke als institutionele en maatschappelijke factoren.

Nu moet gezegd worden dat auteurs die een ouder werk behandelen het wel iets makkelijker hebben gehad dan zij die een hedendaags werk bespreken. Interessant is namelijk dat veel van de bediscussieerde werken van meer recente datum bij nader inzien helemaal niet zo schokkend blijken te zijn. Bezorgde ouders (1988) van Gerard Reve, Gstaad 95–98 (2002) van Marek van der Jagt (Arnon Grunberg), Het grote baggerboek (2004) van Ilja Leonard Pfeijffer, De maagd Marino (2010) van Yves Petry, ze staan stuk voor stuk bol van xenofobe uitspraken, perverse erotiek, morbide gruwelen of vulgair taalgebruik – of een combinatie van al deze elementen –, maar ze brachten nauwelijks een rimpeling teweeg in de literaire wereld of in het publieke debat, laat staan een schokeffect.

Sommige auteurs hebben in hun bijdrage dan ook voor een tegendraadse aanpak gekozen en stellen de vraag waarom een werk dat qua vorm of thematiek bij uitstek in aanmerking lijkt te komen om als een schokkend te boek te worden ervaren, in de praktijk niet of nauwelijks die uitwerking blijkt te hebben gehad. Edwin Praat en Jos Joosten volgen bijvoorbeeld deze lijn in hun artikelen over respectievelijk Reve en Pfeijffer. Zij vinden een verklaring in gewenning en in de veranderde tijdgeest, maar ook in wat Joosten de ‘totale autonomie’ van het literaire veld noemt: ‘In de literaire tekst mag, wat in geen enkele andere tekstvorm mag’ (287). Een meer pessimistische uitleg is dat het uitblijven van een schokeffect ook als een ‘symptoom van maatschappelijke desinteresse voor wat er in de literatuur gaande is’ kan worden beschouwd: ‘Het is in het beste geval virtuoos, maar je ligt er niet wakker van’ (287).

Het laatste besproken werk, De vrouw die de honden eten gaf (2014) van Kristien Hemmerechts, kan wel met recht een schokkend boek worden genoemd, gezien de ophef die in Vlaanderen ontstond over deze roman waarin een poging wordt gedaan te begrijpen wat er zich in het hoofd van Michelle Martin, de vrouw van Marc Dutroux, heeft afgespeeld. In de inleiding verklaren de samenstellers het rumoer uit het feit dat Hemmerechts zich weer ronduit geëngageerd heeft durven tonen. Uit het betreffende stuk, van de hand van Stine Jensen, blijkt echter dat de provocerende publieke manifestaties van Hemmerechts – ze liet zich als Martin afbeelden op de cover van Humo – als schokkender werden ervaren dan de roman zelf. In dit rellerige tijdsgewricht lijken schokkende boeken dan ook vervangen door schokkende schrijvers, zoals ook de meest controversiële auteur van dit moment, A.H.J. Dautzenberg, bewijst: niet zijn literaire werken zorgen voor de meeste commotie maar zijn buitenliteraire strapatsen, zoals zijn lidmaatschap van pedofielenvereniging Martijn. Er staan ons de komende jaren nog veel schokkende boeken te wachten, concluderen de samenstellers. Ik zou eerder zeggen: nog veel choquerende schrijversfiguren.