De val van de Berlijnse Muur in 1989 leidde vrijwel meteen tot een breed maatschappelijk debat. Deze gebeurtenis zou het eind betekenen van de geschiedenis zoals we die tot dan hadden gekend met haar tweespalt tussen Oost en West en de bijbehorende ideologieën. Het Westen had duidelijk gewonnen en een alternatief leek niet meer tot de mogelijkheden te behoren. Ook kwam de vraag op waarom mensen ter linkerzijde zo lang hun voorzichtige steun hadden verleend aan communistische regimes, of op zijn minst naïef waren geweest over het kwaadaardige karakter van de daar heersende politieke overtuigingen. Die debatten werden gevoerd tussen mensen die voorheen direct te maken hadden met het Oost-West conflict. Ze waren opgegroeid tijdens het conflict of hadden zelfs stelling genomen voor een van beide partijen. We zijn nu enige decennia verder en dat biedt ruimte voor iets meer distantie.

Christie Miedema biedt in haar proefschrift deze distantie, hoewel ze cynische en oordelende uitspraken zo nu en dan niet uit de weg gaat. In het boek beschrijft ze zeer nauwgezet de houding die diverse partijen en organisaties links van het midden innamen tegenover de ontwikkelingen in Polen. Polen is een bijzonder geval geweest in de vijftien jaar die voorafgingen aan de ineenstorting van het Oostblok. De grote stakingsbewegingen vanaf 1976, de oprichting van de onafhankelijke vakbeweging Solidarnos´c´ (Solidariteit) en de weifelende regering die probeerde te schipperen tussen toegeven aan de druk vanuit de bevolking enerzijds en de dreigende interventie van Moskou anderzijds, maken van dit land een ideaal onderzoeksonderwerp. Grote delen van westers links hadden het daar maar moeilijk mee. De sociaaldemocratische partijen hadden zich sinds de jaren zestig min of meer neergelegd bij het feit dat internationale vrede afhankelijk was van stabiele regeringen, ook aan de andere kant van het IJzeren Gordijn. Vergroting van burgerlijke vrijheden achter het IJzeren Gordijn kon in die visie worden bevorderd door de dialoog met de communistische regimes aan te gaan. Ook het geven van financiële steun zou in die visie het Oostblok rijp maken voor meer vrijheid. De basis bleef echter dat eerst en vooral de vrede moest worden bewaakt door de tegenstander pragmatisch tegemoet te treden. De autoritaire regimes werden vooralsnog geaccepteerd.

Toen de Polen zelf in beweging kwamen, was het voor de sociaaldemocraten problematisch om zich instemmend solidair te verklaren. De West-Duitse Ostpolitik had immers laten zien dat deze poging tot toenadering tussen de leiders van beide kampen tot ontspanning tussen Oost en West kon leiden. Was het niet riskant deze betere verhoudingen nu in de waagschaal te stellen? Daarbij bestonden er overigens wel nationale verschillen. De Nederlandse Partij van de Arbeid (PvdA) kon de stap naar meer begrip voor Solidarnos´c´ makkelijker maken dan de West-Duitse Sozialdemokratische Partei Deutschlands(SPD). De Duitsers zaten met hun tweedeling en omsingeling van West-Berlijn veel dichter op het Oost-West conflict en konden zich minder goed een misstap veroorloven. Een Russische inval in Polen zou namelijk zeer snel de zorgvuldig opgebouwde ontspanning tussen de grote blokken in gevaar kunnen brengen. Wel speelden Poolse immigranten in de nationale discussies in PvdA en SPD een rol, maar in het algemeen was het toch vooral zo dat beide partijen zich niet veel gelegen lieten liggen aan de stem van die migranten. De grootste vakcentrales in beide landen (FNV en DGB) waren ideologisch verwant aan de politieke partijen. Toch hadden ze er minder moeite mee zich solidair te verklaren met hun Poolse onafhankelijke zusterorganisatie. Zolang deze zich maar beperkten tot kwesties als arbeidsvoorwaarden.

De Polen konden maar weinig begrip opbrengen voor het standpunt van de westerse partijen die zo voorzichtig opereerden. Ook werd aan die kant de euforie over de glasnost van Gorbatsjov nauwelijks begrepen. Zag men dan niet dat het slechts een spel voor de bühne was? Verfrissend in dit opzicht was vooral het optreden van het Interkerkelijk Vredesberaad, de Nederlandse vredesbeweging. Zo hard als zijn voorman Mient Jan Faber tegen de plaatsing van ‘kruisraketten’ (officieel de Tomahawk-kruisvluchtwapens) ageerde, zo stevig haalde hij ook uit naar de politiek van de Russen. In West-Duitsland speelden de buiten de sociaaldemocratie staande linkse politieke partij Die Grünen een andere rol. Die partij voelde zich als Duitse partij naar de Poolse regering toe blijkbaar niet in de positie om kritiek te leveren en schurkte enigszins aan tegen het SPD-standpunt dat verandering van bovenaf moest komen. Als de regering maar niet geschoffeerd werd. Steun voor de strijd van onderop van Solidarnos´c´, was dan ook niet vanzelfsprekend.

Uiteindelijk gingen de ontwikkelingen aan het eind van het decennium verrassend snel en vielen de communistische regimes in Oost-Europa kort na elkaar. Dit gebeurde deels door druk van onderop, en deels doordat de machthebbers het geloof in hun eigen systeem verloren. De westerse partijen die Miedema beschrijft waren tevreden met de ontwikkelingen. Maar het standpunt van deze voorzichtige politici, dat vrede een voorwaarde was voor vrijheid, werd dus door de ontwikkelingen niet bevestigd.

In haar boek beschrijft Miedema de gebeurtenissen en standpuntbepalingen zeer nauwgezet vanuit de achtergrond van de Koude Oorlog tot de val van de Muur. De studie staat in de relatief jonge traditie van transnationale studies, waarbij niet de vergelijking tussen twee naties centraal staat maar de relaties en grensoverschrijdende ontwikkelingen en interacties. Ze brengt alle actoren uitgebreid in beeld en heeft daarbij oog voor de rol van individuen, nationale belangen, geopolitieke verhoudingen en de spanning tussen, aan de ene kant, steun voor de idealen vrede en vrijheid en, aan de andere kant, directe steun aan de gewone bevolking. Gelukkig beheerst ze de gave van de pen, anders was deze vuistdikke studie een onneembare barrière geweest voor wie meer wil weten over de jaren die voorafgingen aan het zogenaamde einde van de geschiedenis. En dat zou jammer zijn geweest. Want hoewel Vrede of vrijheid? geen panklare recepten oplevert, geeft het wel stof tot overdenking bij de hedendaagse problemen. Nu de geschiedenis helemaal niet is afgelopen zoals sommigen dachten in 1989, doen zich immers soortgelijke problemen voor. Moet de bevolking die op Maidan demonstreert worden gesteund of is voorzichtig optreden met het oog op de reactie van de grote buurman (Rusland) geboden? Was de Arabische Lente te verkiezen boven de stabiliteit van de autoritaire regimes ter plaatse? Verdienen de Koerden steun of is de bondgenoot in Ankara te belangrijk om te laten vallen? Deze hedendaagse vraagstukken zijn vergelijkbaar met het vraagstuk dat Christie Miedema zo indringend heeft beschreven.