Zoals bekend leunde de Duitse bezetter voor het bestuur van Nederland sterk op het bestaande ambtelijk apparaat. Onderzoek naar die instituties is schaars; toonaangevend is Peter Romijns studie Burgemeesters in oorlogstijd (2006). Ralf Futselaar, die in 2008 promoveerde op een vergelijkend onderzoek naar de levensstandaard in bezet Nederland en Denemarken, voegt daar nu een goed leesbare geschiedenis van het Nederlandse gevangeniswezen aan toe. We beschikken reeds over publicaties over bijzondere Duitse strafinrichtingen in bezet Nederland, zoals de kampen in Amersfoort, Vught en Westerbork. In 1990 verscheen voorts het omvangrijke proefschrift van de criminoloog Herman Franke, getiteld Twee eeuwen gevangen (1990), dat de veranderingen in de Nederlandse omgang met gevangenen vanaf het einde van de achttiende eeuw beschreef. Die studie richt zich vooral op de heersende opvattingen en het publieke en professionele debat, maar steunt vrijwel uitsluitend op gepubliceerde bronnen en slaat de Duitse bezettingstijd over. Futselaar vult dus een belangrijke lacune op in onze kennis en doet dat bovendien op basis van archiefonderzoek.

In het buitenland heeft het onderzoek naar ambtelijke apparaten onder het nationaalsocialisme de laatste decennia een hoge vlucht genomen. Dat heeft het inzicht in het karakter en de diversiteit van de toenmalige bestuurlijke praktijken enorm vergroot, zowel in die van Nazi-Duitsland als die in de bezette gebieden. In het onderzoek naar het Duitse gevangeniswezen is de studie van Nikolaus Wachsmann, Hitler’s prisons (2004) baanbrekend geweest. Zijn onderzoek ontkrachtte voor deze instellingen de lange tijd dominante these, oorspronkelijk opgeworpen door Ernst Fraenkel in 1941, dat Nazi-Duitsland een Dual State was geweest, met overheidsoptreden dat normaliter wettelijke regels volgde, maar dat soms, in uitzonderingssituaties, plaats moest maken voor blote machtsuitoefening. Wachsmann maakt duidelijk dat in de jaren dertig het alledaagse regime in het Duitse gevangeniswezen fors verruwde, dat mishandeling schering en inslag was en dat daardoor vooral in de oorlogsjaren beduidend meer gevangenen omkwamen.

Futselaar laat in zijn studie zien dat de bezetter in Nederland er niet in slaagde om in de gevangenissen soortgelijke regimes te creëren. In deze instellingen duurde het na de Duitse inval zelfs, in vergelijking met andere instanties, vrij lang voordat veranderingen merkbaar waren. De maaltijden werden geleidelijk soberder. Er werd bezuinigd op koffie en tabak. Het meest ingrijpend was nog de groeiende toevoer van gevangenen, onder wie ook arrestanten van de Duitse politie. Aldus vervulden de gevangenissen voor de bezetter wel een belangrijke functie, maar het personeel behandelde zulke arrestanten toch met respect en verzachtte waar mogelijk de omstandigheden waaronder zij vastzaten. Niettemin werden sommigen later wel doorgezonden naar Duitse strafkampen waar hun soms de dood wachtte. Het personeel zag het aan en kon ook niet veel anders. Van verzet was geen sprake.

Futselaar snijdt in deze casestudy kundig enkele centrale thema’s in de bezettingsgeschiedschrijving aan, zoals de duiding en verklaring van het ambtelijk gedrag. Ook al nam het gevangeniswezen indertijd een bescheiden plaats in te midden van de Nederlandse instanties, en bevonden de instellingen zich aan de rand van de samenleving waardoor ze slechts een geringe uitwerking op het maatschappelijk leven hadden, hij weet in heldere bewoordingen dominante interpretaties als die van Loe de Jong en Chris van der Heijden onderuit te halen. De eerste belichtte en beoordeelde het gevangenispersoneel op basis van de ervaringen die het verzet hiermee opdeed; de laatste duidde stemming en gedrag slechts op basis van enkele anekdotes. Zelf gaat Futselaar jaar na jaar stemming en gedrag van het personeel na en plaatst die in de specifieke institutionele context. Hij maakt zo duidelijk dat dat personeel heldere morele opvattingen kon behouden maar tegelijkertijd zijn vrijheid van handelen aanmerkelijk beperkt zag worden.

Futselaar biedt de lezer nog een tweede boeiende these. Franke hekelde in Twee eeuwen gevangen het in de jaren tachtig van de negentiende eeuw ingevoerde cellulaire stelsel waarbij gevangenen eenzaam werden opgesloten. Hij stelde dat de humanisering van het gevangeniswezen, die uiteindelijk zijn wettelijk beslag kreeg in de Beginselenwet van 1951, gedragen werd door hervormers die tijdens de bezetting de Duitse repressie aan den lijve hadden meegemaakt en zo oog hadden gekregen voor het lot van gevangenen en daar na de oorlog verbetering in wilden aanbrengen. Die aansprekende stelling is biografisch te onderbouwen en is ook door de betrokken hervormers uitgedragen. Futselaar stelt daarentegen dat de werkelijke omslag reeds in 1942 plaatsvond toen de departementale leiding de gevangenisdirecteuren verloste van het knellende toezicht door lokale regenten. Die directeuren zorgden voor een opmerkelijk mild klimaat in hun instellingen, zelfs al tijdens de bezetting. Ik vind die stelling plausibel, want ook elders in de overheid drongen in het Interbellum professionals in de leiding naar voren, maar onvoldoende onderbouwd. De beknopte schetsen van de voor- en naoorlogse ontwikkelingen zijn verhelderend, maar leveren geen overtuigend bewijs, omdat ze nauwelijks geannoteerd zijn.

Futselaar heeft zijn betoog een vreemde structuur meegegeven. De hoofdstukindeling volgt de kalenderjaren. Elk hoofdstuk eindigt bijgevolg met de kerstviering, wat de tekst iets frivools geeft. Een belangrijker bezwaar is dat deze indeling de auteur belemmert om de impressies van het gevangenisleven te plaatsen tegenover de veranderingen in de stemming en het gedrag van de bevolking, een thema dat vanwege zijn promotieonderzoek bij uitstek tot zijn deskundigheid mag worden gerekend. Het gevangeniswezen was, zoals Futselaar zelf ook concludeert, een van de domeinen in de Nederlandse samenleving waar tijdens de Duitse bezetting relatief lang normale omgangsvormen in stand bleven terwijl er heel nabij instituties en terreinen van het maatschappelijk leven waren, zoals politiecellen en de werkkampen, waar zich wel barbaarse taferelen afspeelden. Dat roept de vraag op naar verschillen in de mate waarin de (Duitse) repressie zich in het werkklimaat en de uitvoering van het Nederlandse ambtelijke apparaat tijdens de bezetting deed gevoelen. Uit het beperkte aantal studies dat licht werpt op die verhoudingen, valt op te maken dat de variatie in tijd en plaats groot is geweest. De intensiteit van de Duitse bemoeienis speelde daarbij vanzelfsprekend een rol, maar ook de aard van de instanties had een invloed, zoveel maakt de stimulerende studie van Futselaar duidelijk.