Johannes van ’t Lindenhout sloeg in 1863 de Bijbel open en werd geraakt door een tekst die hem vertelde zich om weduwen en wezen te bekommeren (Jakobus 1:27). Hij koos voor de laatste doelgroep en liet alles verder in Gods hand. Dertig jaar later was Van ’t Lindenhout directeur van het door hem gerealiseerde wezendorp Neerbosch, de grootste residentiële instelling van het land. Nog eens tien jaar later vertrok Van ’t Lindenhout en liet hij de instelling in een diepe crisis achter.

Journalist en historicus Anton van Renssen schreef in 2013 een boek over de toen 150-jarige stichting Lindenhout, de rechtsopvolger van het wezendorp. De uitwerking van het eerste hoofdstuk uit dat jubileumboek over stichter Johannes van ’t Lindenhout en zijn wezendorp in Neerbosch leidde twee jaar later tot dit proefschrift aan de Vrije Universiteit. Centraal staan daarbij het ontstaan van de weesinrichting en de invloed van de protestants-christelijke signatuur op de pedagogische uitgangspunten. De overvloed aan bronnenmateriaal dwong de historicus als het ware om dit onderwerp nog verder uit te diepen. Die overvloed is evident en blijkt alleen al uit de omvang van het werk, ruim 600 pagina’s over veertig jaar geschiedenis. Het belang van deze studie ligt echter niet in deze kwantiteit, maar bevindt zich op een ander vlak.

Evangelist Johannes van ’t Lindenhout (1836–1918) was een kind van zijn tijd toen hij een weeshuis oprichtte in zijn woonplaats Nijmegen. Het maatschappelijk middenveld had zich sinds de totstandkoming van de Armenwet (1854) en de wet op Vereniging en Vergadering (1855) met verve op de filantropie gestort. De opkomst van de civil society vertaalde zich in een groeiend aantal instellingen en verenigingen voor hulpbehoevenden. Het weeshuis van Van ’t Lindenhout leek aanvankelijk weinig toe te voegen aan de traditionele voorzieningen; Nijmegen bezat zowel een katholiek als een protestants weeshuis. Anders dan deze voorgangers opereerde Van ’t Lindenhout echter vanuit de door hem omarmde Réveilgedachte en borduurde hij voort op moderne evangelisatievoorbeelden uit het buitenland. Hij liet zich als een ware evangelist leiden door God en zou zijn plan slechts voortzetten als er voldoende giften van gelovigen binnenkwamen.

De nog maar 27 jaar oude Van ’t Lindenhout raakte een gevoelige snaar. Met zijn charismatische uitstraling wist hij geldschieters over de streep te trekken. Daar kwam bij dat hij bekendstond als mild orthodox, waardoor hij voor veel hervormde kerkgenoten acceptabel was. Tot slot pakte zijn pragmatisme direct goed uit. Hij ontving van een van zijn aanhangers een stuk grond bij Neerbosch en begon daar te bouwen: zonder geld en zonder plan, dat liet hij aan Gods leiding. Er verrezen een meisjeshuis en een jongenshuis, maar ook een klompenmakerij, een kleermakerij en een drukkerij. Het dorp moest zelfvoorzienend worden. Bij de evangelisatiedrukkerij verschenen onder meer weekblad Het Oosten, gewijd aan christelijke filantropie, en de Neerbosch Weezen-Almanak, in de jaren 1880 goed voor zo’n 40.000 exemplaren per jaar. Weesinrichting Neerbosch groeide uit tot een compleet wezendorp met tientallen gebouwen en op het hoogtepunt in 1892–1893 meer dan duizend inwoners. Neerbosch gold toen bijna als een toeristische attractie. De achterban kon op de werkvloer komen kijken, reizend met de stoomtram vanaf Nijmegen.

Het succes van Van ’t Lindenhout is interessant in het kader van recent historisch onderzoek naar filantropie. De kas vulde zich aanvankelijk met privégiften uit het hele land, maar er ontstonden ook verenigingen met (jonge)dames die geld inzamelden en collectes hielden. Van ’t Lindenhout appelleerde blijkbaar met succes aan het mededogen voor arme weeskinderen, juist in een tijd dat er minder echte wezenzorg nodig was en er meer aandacht kwam voor anderszins hulpbehoevende jongeren. Hiermee raakt deze studie nog een ander belangrijk punt: de relatie tussen verschillende hulpverlenende instellingen. In 1997 verscheen Wezen en boefjes. Zes eeuwen zorg in wees- en kinderhuizen onder eindredactie van J. Dane. Hoewel verschillende auteurs over wezenzorg en over nieuwe residentiële zorg schreven, werd hier wel voor het eerst gepoogd een verbinding te leggen tussen de traditionele charitas en de moderne kinderhulpverlening. Initiatieven als die van Van ’t Lindenhout vallen hier precies tussenin, met een traditionele doelgroep maar met een moderne aanpak. Ten minste, zo wilde hij het doen voorkomen. Bij nadere bestudering door Van Renssen bleek zijn pedagogische visie niet bijzonder vernieuwend te zijn. Hij pakte de zaken voornamelijk pragmatisch aan. Geen traditionele uniformen bijvoorbeeld omdat dit in de kosten scheelde, niet omdat het stigmatisering voorkwam. Het signaleren van dergelijke fenomenen zet de praktijk van de instellingen in het juiste licht.

Eveneens belangrijk is de vergelijking die gemaakt wordt met andere instellingen zoals Nederlandsch Mettray van W.H. Suringar en de tehuizen voor verwaarloosde jongeren van O. Heldring. Van Renssen vergelijkt onder meer de geldstromen. Terwijl die bij Neerbosch bleven aanzwellen, hadden de andere organisaties beduidend meer moeite met het binnenhalen van geld. Mensen gaven blijkbaar sneller geld aan ‘echt zielige’ kinderen dan aan nieuw ontdekte doelgroepen in de rafelranden van de jeugdzorg. Van ’t Lindenhout was zich daarvan bewust. Bij de lezingen die hij in het hele land hield, bleef hij hameren op zijn leven ‘uit Gods hand’. Geld leek daardoor een bijkomstigheid, terwijl hij tegelijkertijd ook gewoonweg vroeg om bijdragen voor Neerbosch. Juist het groeiend aantal filantropische instellingen maakte dit noodzakelijk. De nadruk op de ‘arme wezen’ bleef daarom intact, ook toen Neerbosch steeds meer – charitatief minder aansprekende – halfwezen opnam.

Het succesverhaal van Neerbosch kwam in 1893 vrij abrupt tot stilstand. In dat jaar verschenen twee brochures over vermeende misstanden. Van ’t Lindenhout zou zich verrijkt hebben en de inwonende wezen zouden verwaarloosd en soms zelfs mishandeld worden. Alle landelijke dagbladen doken bovenop wat al snel de Neerboschkwestie werd genoemd. Diverse onderzoeken moesten de charismatische leider vrijpleiten van de aantijgingen. Dat lukte maar ten dele. Van ’t Lindenhout bleek geen greep uit de kas gedaan te hebben, wel was zijn financiële organisatie een onoverzichtelijke wanorde. Zo kende de instelling, met op dat moment duizend inwoners en tientallen werknemers, geen jaarlijkse begroting omdat toch alleen God wist hoe het lopen zou. Dit moest in de toekomst veranderen. Ook kwam het dringende advies te stoppen met verdere uitbreidingen van het dorp; eerst moest voldoende en vakkundig personeel aangenomen worden. De dagelijkse leiding in één hand was niet meer toereikend voor zo’n grote organisatie. Van ’t Lindenhout had ook als pedagoog telkens pragmatisch gehandeld en op zijn persoonlijke intuïtie vertrouwd. Dat paste niet meer bij de professionalisering die in deze jaren in de jeugdzorg plaatsvond.

Het is al gemeld: dit is een omvangrijk proefschrift, bij vlagen zelfs te omvangrijk. De beschrijving van veertig jaren Neerbosch onder leiding van Johannes van ’t Lindenhout is terecht gedetailleerd. Daarna volgen echter nog eens tientallen pagina’s met bijlagen en onderzoeksgegevens. De zeggingskracht van het boek had mijns inziens meer gewonnen bij het achterwege laten van dit bronnenmateriaal. De relevante gegevens staan immers al in de tekst vermeld. Wellicht was er daardoor ruimte ontstaan om nog explicieter in te zetten op een vergelijking met andere instellingen en organisaties. Juist in het dichten van het historiografische gat tussen traditionele wezenzorg en moderne jeugdzorg ligt voor onderzoekers nog een mooie uitdaging. Van Renssen heeft hier met dit boek een belangwekkende voorzet voor gegeven.