Onder het mom van satire is de publicatie van het onderzoek waarop Ivo Nieuwenhuis in 2014 promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Het onderzoek maakt deel uit van het door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) gesubsidieerde project ‘The power of satire. Cultural boundaries contested’ (gestart in 2009), waarin voor verschillende westerse en niet-westerse culturen, voor verschillende tijden en voor verschillende media is onderzocht hoe satire functioneert. Het uitgangspunt in dit project is het vermogen van satire om bestaande grenzen (cultureel, temporeel en mediaal) op de proef te stellen. Daartoe is onder andere onderzoek gedaan naar satire in de Arabische wereld, het achttiende-eeuwse poppentheater en poppensatire op televisie, en de werking van religieuze en politieke satire in film en op televisie.

Ivo Nieuwenhuis – gespecialiseerd in historische Nederlandse letterkunde – deed onderzoek naar de werking van satire in twee casussen die verschenen in de late achttiende eeuw: de periodiek Lanterne magique of toverlantaarn (1782–1783) en enkele reacties daarop, en Pieter van Woensels De Lantaarn (waarvan vijf delen verschenen tussen 1792 en 1801). In beide casussen worden de turbulente politieke omwentelingen van dat moment op een satirische manier becommentarieerd en de manier waarop dat gebeurt is het onderwerp van onderzoek. Daarbij kiest Nieuwenhuis voor een functionalistische analyse: hij beschrijft de werking van satire in de late achttiende eeuw door de casussen te analyseren in het licht van de context. Maar – passend bij de uitgangspunten van het grotere project – Nieuwenhuis kijkt ook regelmatig verder dan de periode 1780–1800 en legt voortdurend een verband met eerdere en latere periodes, andere media en andere landen.

Onder het mom van satire bevat vijf hoofdstukken: in de eerste twee worden de casussen geïntroduceerd en bespreekt Nieuwenhuis aan de hand van verschillende passages de manier waarop satire bedreven wordt. In de Lanterne magique gebeurt dat met grof geschut: in dit orangistische tijdschrift worden patriotten met naam en toenaam stevig over de hekel gehaald. In De Lantaarn treffen we een heel andere werking van satire, die door Nieuwenhuis getypeerd wordt als ambivalent. Pieter van Woensel wil met zijn publicaties zijn publiek aan het denken zetten en bovenal twijfel zaaien. Dat doet hij door amusante analyses te geven van actuele maatschappelijke kwesties – en daarbij geen uitgesproken orangistisch of patriottisch standpunt in te nemen.

Hierna – in hoofdstuk 3, 4 en 5 – bespreekt Nieuwenhuis het functioneren van de satire vanuit drie verschillende perspectieven: de manier waarop de auteur zichzelf profileert, het intermediale aspect van satire en de receptie (of het effect) van satire. Voor het bredere perspectief (hoe functioneert satire in zijn algemeenheid) zijn deze drie hoofdstukken dan ook het interessantst, en door de scherpe en helder beschreven analyses van Nieuwenhuis krijgen we een goed inzicht in hoe satire nu eigenlijk werkt. In hoofdstuk 3 laat hij zien hoe Van Woensel zich in De Lantaarn met zijn humoristische politieke analyses buiten de maatschappij plaatst, maar tegelijkertijd wel hoge ambtelijke functies en goede contacten onderhoudt met bijvoorbeeld Rutger Jan Schimmelpenninck. Hij presenteert zich dus als een buitenstaander, maar is dat in werkelijkheid niet.

In hoofdstuk 4 laat Nieuwenhuis zien dat satire altijd parasiteert op een ander medium of genre. Zo wordt de Lanterne magique gepresenteerd als een toverlantaarn en de auteur gebruikte dus een bij het publiek bekende formule om zijn tegenstander te blameren. Nieuwenhuis maakt in dit hoofdstuk ook weer een van zijn vele mooie uitstapjes naar het heden door een vergelijking te maken met de satirische nieuwsberichten van de Nederlandse website De Speld. In wezen doen die nieuwsberichten hetzelfde als de Lanterne magique, doordat zij de vorm aannemen van een bestaand medium (de krant). Het effect hiervan is dat daarmee ook het oorspronkelijke medium in een ander daglicht komt te staan.

In hoofdstuk 5 ten slotte laat Nieuwenhuis zien wat het effect geweest kan zijn van de twee casussen die hij bespreekt. Daartoe bespreekt hij zowel de contemporaine als de negentiende-eeuwse receptie van met name Van Woensels De Lantaarn. Dat deze satire wel degelijk gevaarlijk was, bewijst het verschijningsverbod dat De Lantaarn voor 1800 ten deel viel. Nieuwenhuis vermoedt dat dit komt omdat de satirische publicatie te veel twijfel zaaide over wat de patriotten inmiddels hadden bereikt: te veel maatschappijkritiek kon leiden tot onrust en dat zinde de politici niet. Net als tegenwoordig kon satire in de late achttiende eeuw dus een grote impact hebben op politieke gebeurtenissen.

Nieuwenhuis’ proefschrift is sterk door de verschillende invalshoeken van waaruit satire geanalyseerd wordt. De analyses zijn zeer leesbaar geschreven en erg interessant door de grensverleggende verbanden die de auteur trekt met wat in Frankrijk en Engeland aan satire verscheen en met wat er in onze eigen tijd aan satire verschijnt (behalve De Speld komen bijvoorbeeld ook South Park en sketches van cabaretier Hans Teeuwen in zijn proefschrift voorbij). En door zijn casussen te analyseren in het licht van zelfrepresentatie, intermedialiteit, en de zestiende- en zeventiende-eeuwse pamfletcultuur sluit de auteur tegelijk aan bij recent verschenen proefschriften van historisch-letterkundigen: in 2012 promoveerde Nina Geerdink aan de Vrije Universiteit Amsterdam op de zelfrepresentatie van de zeventiende-eeuwse auteur Jan Vos en in hetzelfde jaar promoveerde Feike Dietz aan de Universiteit Utrecht op de materiële aspecten van emblemen. In 2010 promoveerde ondergetekende aan dezelfde universiteit op de commerciële aspecten van pamfletten in de zeventiende eeuw.

Een kritiekpunt is wellicht dat Nieuwenhuis zich niet duidelijk uitspreekt over wat zijn onderzoek verandert aan het bestaande beeld van satire. Precies omdat Nieuwenhuis zo mooi laat zien hoe zijn casussen passen in zowel de achttiende-eeuwse context als in het algemene beeld van satire (zoals dat ook bedreven werd in de klassieke tijd en in onze eigen tijd), vraag je je als lezer wel eens af: wat is er dan zo bijzonder aan die casussen? En in hoeverre wijkt de satire hierin af van wat in andere landen of in andere periodes verscheen? Met name de Lanterne Magique lijkt sterk op wat in de zestiende en zeventiende eeuw aan pamfletten verscheen: ook die verschenen vaak in reactie op elkaar en blameerden de politieke tegenstander met grof geschut. Nieuwenhuis besteedt hier zeker ook aandacht aan en beschouwt met name Van Woensels De Lantaarn als iets nieuws. De manier waarop hierin twijfel wordt gezaaid paste goed bij de veranderende politieke omstandigheden van die tijd en minder in de tijd daarvoor. Dat is een interessante these, die nog wel wat meer uitgewerkt had mogen worden om de uniciteit van de casus te benadrukken.

Dit laat onverlet dat Nieuwenhuis’ proefschrift slaagt in zijn opzet een bredere kijk op de werking van satire te leveren. Door de verschillende invalshoeken van waaruit hij naar zijn casussen kijkt, werpt hij en passant ook een blik op onze huidige tijd. Daarin lijkt de vraag wat satire is actueler dan ooit. Voor iedereen die wil weten hoe satire nu eigenlijk werkt, is dit proefschrift dan ook zeker een must.