‘Wie maakt onze centen zoek ...? Dat is Ruijs de Beerenbrouck!’, scandeerden betogers uit kringen van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV) tijdens een protestvergadering op 8 november 1932 tegen het bezuinigingsbeleid van het derde kabinet-Ruijs. Dat beleid, later door de kabinetten-Colijn voortgezet en steeds heftiger bekritiseerd, heeft ook de herinnering aan de katholieke Ruijs sterk negatief gekleurd. Anderzijds heeft onder anderen diens verre en als katholiek laatste opvolger Ruud Lubbers meermalen diepe bewondering voor de eerste katholieke minister-president van Nederland laten blijken. Met zijn dissertatie, voorgelegd aan de juridische faculteit van de Radboud Universiteit, wil Frans Verhagen (1954) het beeld van de politicus ontdoen van onterechte verguizing en overdreven bewieroking, op zoek naar ‘de echte Ruijs’. En het mag gezegd: Verhagen, bekend om zijn deskundige en onafhankelijke bijdragen als politiek journalist, is daarin geslaagd en heeft een boeiend boek geschreven. Afkomstig uit een milieu dat hem een vanzelfsprekende kennis van de katholieke verhoudingen bijbracht, maar zelf ‘nooit gelovig geweest’, zoals hij in een Verantwoording meedeelt (397), lijkt hij over een combinatie van eigenschappen te beschikken die hem voor zijn taak heel geschikt maakte.

Voorbeelden van bijstelling van het beeld zijn er in het boek in ruime mate te vinden. Zo nam Ruijs’ afhankelijkheid van de machtige priester Nolens, fractieleider van de katholieke volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer en liaison naar het episcopaat, in de loop der jaren sterk af. En tegenover vooraanstaande figuren uit partijen waarmee hij in zijn drie kabinetten (1918–1925 en 1929–1933) moest samenwerken wist hij zich steeds beter te handhaven. Bij dit laatste valt vooral aan Colijn en de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) te denken. Tot op zekere hoogte is Verhagens boek te beschouwen als een correctie op het tot voor kort gangbare beeld van een Colijn die zo ongeveer het hele politieke leven van het Interbellum zou hebben beheerst. Hoe Ruijs, zeker in 1918 en volgende jaren, met succes de tegenwerking van de antipapistische De Savornin Lohman (Christelijk-Historische Unie) en de door hem geadviseerde koningin Wilhelmina wist te weerstaan, is nog zo’n element dat de schrijver terecht herhaaldelijk onder de aandacht brengt. Kortom: het boek biedt ons het beeld van een steeds zelfstandiger opererend politicus die zich wel bewust was van zijn invloed en macht.

Anderzijds blijft ook heel wat van het overgeleverde beeld in stand: de adellijke Ruijs als een regenteske, standsbewuste en nogal gedistantieerde figuur die het vanzelfsprekend vond de eerste viool te spelen en anderen om de boodschappen te sturen. Bovendien zal aan wie in de politieke geschiedenis van die decennia enigszins thuis is, veel in het boek bekend voorkomen. De talrijke verwijzingen naar secundaire literatuur bewijzen dat de schrijver zijn zaakjes kent, maar ook dat hij heel wat aan de bestaande historiografie heeft kunnen en willen ontlenen. De namen van historici als Fasseur, Gribling, Langeveld, Oud, Puchinger en anderen buitelen over de bladzijden, zoals ook de gepubliceerde dagboeken van rooms-katholiek politicus Piet Aalberse druk door de schrijver worden geciteerd.

Een van de pluspunten van het boek is de aandacht voor de verdeeldheid in de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP), de divergentie in programmatisch en praktisch opzicht. Aan de linkerzijde stonden Ruijs’ eeuwige tegenvoeter en partijgenoot Aalberse en de heel eigenzinnig opererende Veraart, rechts de behoudende Van Wijnbergen en de werkgeversvertegenwoordiger Kortenhorst. Linkse Michaëlisten voerden krachtige oppositie, ter rechterzijde splitste notaris Van Cranenburgh zich met een kleine groep van de partij af. De Vlootwetcrisis van 1923 ging de parlementaire verdeeldheid pijnlijk illustreren. Als Ruijs’ grootste verdienste voor de katholieke partij beschouwt Verhagen het dat hij onder die omstandigheden de politieke eenheid van de katholieken in een eigen organisatie heeft weten te handhaven. Wanneer hij daarop in zijn Epiloog terug komt (323) gaat hij echter een flinke stap verder en neemt hij stelling in het secularisatiedebat: toen aan het einde van de jaren 1960 de politieke eenheid verdween, was het volgens hem ook gedaan met de kerkelijke eenheid en zette de ontkerkelijking onder katholieken zich pas goed door. Ik vrees dat de voorrang aan het politieke element voor de verklaring van de secularisatie een eenzijdigheid van de politieke geschiedschrijving is. Wat ‘ontzuiling’ heet, heeft meer dan alleen een politiek gezicht. En bovendien heeft ook andersom distantie van kerk en godsdienst de loyaliteit aan confessionele politiek ondergraven.

Verhagens boek is goed geschreven, vat onderzoeksresultaten helder samen, biedt nieuwe inzichten en is daarom voor vaklui èn een breder publiek een aanwinst. Wanneer ik één kanttekening zou mogen maken, betreft het het niet-politieke leven van de gebiografeerde. Onder de katholieke minister-presidenten was Ruijs wel de godsdienstig meest geprofileerde. Dat hoeft niet te verbazen, omdat hij optrad in een episode van de katholieke herleving die door L.J. Rogier in In vrijheid herboren (1954) als ‘kwarteeuw der ontluiking’ is betiteld. Hoewel het boek Ruijs’ initiatieven en zijn houding op het punt van kerkelijk en godsdienstig leven, publiek zo goed als privé, niet onbesproken laat, vind ik een en ander voor een biografie die meer wil zijn dan wat wel ‘politieke biografie’ heet, te weinig uitgewerkt. Juist in de jaren Toen de katholieken Nederland veroverden kon zo’n uitgesproken katholiek op politiek vlak zijn rol spelen. Dat de Heilige Petrus Canisius, Nederlands eerste jezuïet, een favoriet van Ruijs was, nemen we in dat verband op gezag van de schrijver graag aan – dat hij ook een nazaat van de jezuïet was (231, 359) had wel even toegelicht mogen worden!