Koning Willem I koesterde vele ambitieuze plannen. Daartoe behoorde zijn droom om de koloniale bezittingen weer omhoog te stoten in de vaart der volkeren, tot meerdere eer en glorie van het moederland, en bovenal ter versterking van de economische basis van zijn Koninkrijk. Een staat die bovendien op eigen bodem diep verdeeld was: het Congres van Wenen had op geopolitieke gronden gekozen voor een Groot-Nederland, bestaand uit een noordelijk en een zuidelijk deel die maar weinig gemeen hadden. Dat Groot-Nederland zou, als bekend, geen stand houden: in 1830 brak het zuidelijk deel los en ontstonden de koninkrijken België en Nederland.

Aan de overzijde van de Atlantische oceaan leefde ook een dromer, een visionair zelfs: Simón Bolívar. Hij droomde van een onafhankelijk, verenigd rijk van de voormalige Spaans-Amerikaanse koloniën, en streed daarvoor met alle, ook militaire middelen. Dat het hele voormalige imperium niet bijeen zou blijven werd al snel duidelijk. Bolívar streed vervolgens voor een Gran Colombia – één staat, ongeveer het grondgebied van het hedendaagse Venezuela, Colombia, Ecuador, het noorden van Peru, en Panama. Ook dat Groot-Colombia hield geen stand. In 1830 werd ook deze geopolitieke droom begraven.

Dat zowel Groot-Nederland als Groot-Colombia in 1830 strandden was toeval. Wat hebben deze twee geschiedenissen dan wel gemeen? In de praktijk niet veel, maar het had misschien anders kunnen lopen. Althans, dat hoopte Willem I, met zijn ambitieuze plannen om via Curaçao de handel met Zuid-Amerika een flinke impuls te geven; bovendien kon hij via zijn eigen Caribische kolonie zich toch ook een beetje als een geopolitieke speler opstellen, een rol die hem in Europa niet werd vergund. En daarmee is meteen ook de linking pin genoemd: Curaçao. In de woorden van Sytze van der Veen: ‘Het eiland was de kleinigheid die de twee grootheden met elkaar verbond’(13).

Waarom een heel boek wijden aan het uiteenvallen van twee niet-levensvatbare rijken, aan een dubbele neergang die onderling, ook volgens de auteur van Groot Nederland & Groot-Colombia 1815–1830, slechts toevallig is? Na lezing van dit toch lezenswaardige boek kan ik die vraag niet goed beantwoorden – belangrijker, de auteur doet dat mijns inziens ook niet bevredigend. Hij vertelt twee geschiedenissen van teloorgang, die Groot-Nederland en die van Groot-Colombia, hij maakt ook wel duidelijk dat er wat raakvlakken zijn, maar uiteindelijk blijven het toch vooral twee losse verhalen.

De raakvlakken zijn Willem I en Curaçao. Van die twee krijgt voornamelijk Willem I veel ruimte. Dat is een bekend verhaal van grote ambities en van frustraties over zijn gebrek aan politieke invloed in Europa – reden temeer voor hem om onder het mom van koloniale politiek ook buitenlandse politiek te bedrijven. Daarvan geeft Van der Veen mooie schetsen. Deels gaan die over des konings plannen en de weerstand die hij daarmee onder Europese vorsten oproept, deels over de al dan niet officiële diplomaten die hij naar Gran Colombia stuurt om daar handelsbelangen te behartigen – waarmee hij meteen, vooruitlopend op de conservatieve Europese machten, de independistas erkent. Dat levert mooie anekdotes op over de ontberingen, verrassingen en teleurstellingen die deze vertegenwoordigers van Groot-Nederland in Zuid-Amerika ervaren. Dat minder bekende en in Latijns-Amerikaanse context marginale verhaal krijgt de context mee van een uitvoerige beschrijving van de onafhankelijkheidsstrijd op zich, en in het bijzonder van het optreden van Bolívar, een man van mythische proporties. Aan een vergelijking tussen Bolívar en Willem I waagt Van der Veen zich niet. Logisch – het zijn allebei ambitieuze individualisten, ze zien zich allebei voor grote uitdagingen geplaatst, zij ondervinden beiden diepe teleurstellingen, maar in de wereldgeschiedenis neemt Bolívar een volstrekt andere, onvergelijkbaar belangrijker plaats in dan Willem I.

En dan Curaçao, ‘de kleinigheid die de twee grootheden met elkaar verbond’. Groot Nederland & Groot-Colombia biedt mooie verhalen over de rol die het eiland in deze periode – en overigens ook lang daarna – speelde als toevluchtsoord voor telkens nieuwe revolutionairen en contrarevolutionairen, in willekeurige volgorde. Ook vertelt Van der Veen de in Nederland weinig bekende verhalen van Curaçaoënaars die een belangrijke rol speelden in de Bolivariaanse revolutie: Pedro Manuel Brión en Pedro Luís (door Van der Veen consistent aangeduid als Louis) Piar. Dat zijn verhalen vol drama, geheel volgens het patroon van de revolutie die haar eigen kinderen opeet: Piar eindigde op verdenking van verraad – doorgestoken kaart – voor een vuurpeloton, veroordeeld door zijn voormalige kameraden Bolívar en Brión.

Groot Nederland & Groot-Colombia 1815–1830 is kennelijk geschreven zonder pretenties waar het gaat om het aanhaken bij historiografische discussies over de Latijns-Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd of, dichter bij huis, de economische ontwikkeling van de Nederlandse Cariben. Ook over de sociale en politieke geschiedenis van Curaçao zelf leren wij niet veel. Dat is jammer. Het ontbreken van zelfs maar een poging om het economische belang en potentieel van Curaçao wat meer kwantitatief in beeld te brengen is temeer te betreuren omdat dit een ingang zou hebben geboden om de ambities van Willem I te toetsen op realiteitswaarde. Precies een halve eeuw geleden deed T.M.P de Jong daartoe al een poging in zijn dissertatie De krimpende horizon van de Hollandse koloniën (1966). Veel van wat Van der Veen hier schrijft komt overeen met die analyse.

De toonvoering van het hele boek is vlot, Van der Veen heeft een vlotte pen en een goed oog voor treffende anekdotes. Vaak zijn de typeringen raak (‘Groot-Colombia was ondenkbaar zonder Bolívar. Misschien was dat de grootste tekortkoming van de nieuwe republiek’, 51) en soms ook nog spiegelend (‘De grootste tekortkoming van Groot-Nederland was Willem I’, 221). Er zijn echter ook wel gekke stijlbreuken (een diplomatiek plan wordt gekarakteriseerd als ‘een opgewarmde prak’, 198) en betekenisloze frasen (‘Ondanks of dankzij die gewelddadige dialectiek ontwikkelden ze zich tot levensvatbare naties’, 234). Ook doet het kennelijk weinig overdachte gebruik van termen als ‘neger’ en ‘kleurling’ op zijn minst gedateerd aan. Maar verder: een aanrader voor wie geïnteresseerd is in een onbekend stukje Nederlandse geschiedenis in Zuid-Amerika.