Het is verheugend dat de geschiedschrijving over de eerste feministische golf in Nederland (1860–1920) verrijkt wordt met biografieën van de voortreksters. Dit vergroot onze kennis en inzicht met betrekking tot de individuen die deze beweging vormgaven. De complexiteit van beweging en tijd wordt hierdoor duidelijker zichtbaar. Er is een biografie verschenen van feministe Aletta Jacobs (Mineke Bosch 2005) en een studie met biografische aspecten van de historica Johanna Naber (Maria Grever 1994). In 2013 verscheen een biografie van een van de vroege Nederlandse feministes, Mina Kruseman, van de hand van Annet Mooij. Er waren al wel deelstudies over deze intrigerende vrouw, geschreven door Margot de Waal (1978 en 1986) en Olf Praamstra (2003). Een volledige studie was er echter nog niet. Mooijs boek is geslaagd, zowel als informatieve en kritische levensschets en als beeld van de toenmalige Nederlandse en buitenlandse samenleving en van de beperkingen waaraan vrouwen onderworpen waren.

Mooij had te kampen met een gebrek aan bronnenmateriaal. Met name over de jeugd van Kruseman is weinig bekend. Mooij heeft in deze lacune voorzien door onder meer te putten uit Krusemans autobiografie, Mijn leven (1877). Haar stelling dat het hier om een problematische, maar nuttige bron gaat, is overtuigend. Zoals de meeste autobiografieën is Mijn leven een zelfverdediging en moet daarom extra kritisch worden gehanteerd. Maar het boek bevat ook veel informatie, onder meer doordat Kruseman er briefwisselingen met anderen in opnam. In de gevallen waar haar beweringen controleerbaar zijn met behulp van aanvullende gegevens, laat ze zich kennen als iemand die doorgaans de waarheid schreef.

Kruseman was van goede komaf: ze was een generaalsdochter en haar moeder stamde uit een familie die behoorde tot het Nederlandse patriciaat. Dit milieu bepaalde de blik van het jonge meisje. Al vroeg had ze moeite met het uitgestippelde levenspad voor jonge dochters uit haar kringen: wat onderwijs in Frans en Nederlands, een beetje rekenen, borduren, pianospelen, naaien en zingen. Allemaal vaardigheden gericht op het latere huwelijk en moederschap, maar niets degelijk genoeg om er werkelijk een beroep van te maken anders dan dat van huisvrouw uit de betere kringen. Kruseman zag de verveling om zich heen en ook het vreselijke lot van de vrouwen die ongetrouwd bleven en ten laste kwamen van de familie. Betaald werken werd voor vrouwen uit de betere kringen als niet passend beschouwd; dit zou een belangrijke oorzaak worden van de eerste feministische golf.

Kruseman legde zich niet bij dit toekomstperspectief neer, wellicht gestimuleerd door een gedeeltelijk in Nederlands-Indië doorgebrachte jeugd, waar ze meer vrijheid had genoten dan jonge meisjes in Nederland. Tegen de wens van haar familie in ging ze toch het pad van het betaalde werk op. Met financiële steun van haar vader, dat wel, volgde ze een opleiding tot zangeres in Brussel en Parijs. Op 32-jarige leeftijd vertrok ze naar de Verenigde Staten om het geleerde in praktijk te brengen; ze zou er een jaar verblijven. Het Amerikaanse avontuur was geen doorslaand succes, maar de genoten zelfstandigheid smaakte wel naar meer. Ze ontplooide zich in haar latere leven als schrijfster, actrice en voordrachtskunstenares; in dit laatste bleek ze het meest getalenteerd. Ze gold in haar tijd als een knappe vrouw, hoewel de afbeeldingen in Mooijs boek dit niet steeds ondersteunen, en kon mede hierdoor een potje breken bij het grote publiek. Bekend is haar twee maanden durende tournee door Nederland samen met een andere vroege feministe, Betsy Perk, in 1873. Van hen twee boekte Kruseman het meest succes met haar lezingen waarin ze pleitte voor beter onderwijs en betaald werk voor vrouwen. Het is een van de manieren waardoor ze uitgroeide tot bekende en spraakmakende persoonlijkheid.

Nu was Kruseman niet de eerste in die jaren met dergelijke feministische eisen, maar ze was wel een van de weinigen en ze was in Nederland de felste. De manier waarop ze theorie en praktijk combineerde wekt bewondering. Ze propageerde het feminisme niet alleen, ze leefde er ook naar en dat gedurende haar hele lange leven lang. Ze zorgde steeds voor betaald werk voor haarzelf – en ook voor anderen, bijvoorbeeld in de toneelwereld. Uit vrije keuze bleef ze ongetrouwd omdat ze niet geloofde in het huwelijk dat vrouwen in een ondergeschikte rol dwong. Ze ageerde tegen het huwelijks- en echtscheidingsrecht: het was voor vrouwen vrijwel onmogelijk om hun tweederangspositie in het huwelijk te ontvluchten met een echtscheiding.

Het moet ongelooflijk moeilijk zijn geweest om te leven zoals Kruseman leefde – als vrijgevochten vrouw – in een tijd van bekrompenheid en misogynie. Mooij vraagt hier te weinig aandacht voor. Ze heeft oog voor de opvallende kanten van het karakter van Kruseman, niet voor niets heeft haar boek de titel Branie. Mooij ziet ook de sterke punten van haar persoonlijkheid en wijst terecht op mindere aspecten ervan als een gebrek aan zelfkritiek, een zekere paranoia en de neiging om de schuld van eigen falen bij anderen te zoeken. Maar omdat Mooij herhaalde malen de zelfoverschatting van Kruseman kritiseert, dreigt het besef dat zij zonder een groot geloof in zichzelf nooit haar moedige initiatieven had genomen, naar de achtergrond te geraken. Naast haar feministische leefwijze en manifestaties poogde Kruseman in haar eentje de verstarde Nederlandse kunstwereld open te breken met haar aanval op de ingeslapen kunstkritiek, de verkalkte toneelwereld en de ouderwetse manier van toneelspel in het bijzonder. Dat ze er niet in slaagde is een tweede.

Mooij portretteert Kruseman als een soliste, die slecht met anderen kon samenwerken. Daar kan tegenover worden gesteld dat ze jarenlang een prettig gezelschap was voor haar vader toen hij weduwnaar geworden was. Ook heeft ze gedurende 37 jaar (!) ongehuwd een levensgezel gehad. Aan haar relatie met Frits Hoffman kwam een einde door zijn overlijden in 1918. Misschien was Kruseman toch te zeer haar tijd vooruit, of in ieder geval iemand die te zeer aan de rand van haar tijd leefde, om goed te kunnen samenwerken met anderen. Is dit wellicht een betere verklaring dan die Mooij biedt, namelijk het moeilijke, egocentrische karakter van haar protagoniste? Relevant in dit verband is dat Kruseman zelf ook het besef had dat ze te vroeg was geboren (207).

Qua opbouw en helderheid niets dan lof voor deze biografie. Het boek is prettig leesbaar en wisselt op een harmonische manier informatie over Kruseman af met gegevens over tijd en omstandigheden. Op gezette tijden wordt de lezer ‘bijgepraat’ met tussentijdse conclusies. Een Epiloog met een evaluatie van de betekenis van Kruseman sluit het boek af. Een bibliografie van de geschriften van Kruseman was nuttig geweest, maar ontbreekt.