De afgelopen twee decennia maakte de historiografie over België tijdens de Eerste Wereldoorlog (WOI) een ware gedaanteverandering door. Twintig jaar geleden bestond er weinig belangstelling van historici voor dat oorlogsverleden en was de Belgische historiografie over WOI afgesneden van internationale tendensen. Vandaag is België in WOI een respectabel specialisme, stevig verankerd in het nationale en internationale onderzoekslandschap. Hoog tijd dus om terug te blikken op deze merkwaardige evolutie. Oogmerk van deze bijdrage is niet zozeer de achtergronden van die hernieuwde belangstelling en institutionele verankering te reconstrueren, maar een bilan te maken van de voornaamste thematische en conceptuele evoluties. Beantwoordt het beeld aan de internationale trends in de oorlogshistoriografie en in welke mate bestond er wisselwerking tussen Belgische en internationale tendensen? Is er zoals Jay Winter vaststelt elders in Europa na eerdere opeenvolgende diplomatiek-politieke, sociaalhistorische en cultuurhistorische golven een periode van verbinding van die perspectieven en een transnationale wending doorgebroken?1 Werden de vier grote nieuwe thema’s (militaire bezetting, radicalisering, ras en lichaam) die Heather Jones in de internationale oorlogshistoriografie van de afgelopen twintig jaar ontwaart, ook in het onderzoek over België geëxploreerd of werden vooral lopende discussies over diplomatieke en krijgshistorische kwesties enerzijds en over de houding van soldaten en burgers tegenover de oorlogsinspanning anderzijds uitgediept?2

Enige reflectie op de Belgische casus dringt zich dus duidelijk op. In de geschiedschrijving over België tijdens WOI zijn boeken het meest van belang. Daarom wordt hier enkel ingegaan op monografieën die tussen 1995 en 2014 over België tijdens WOI gepubliceerd werden. De keuze van die termini laat toe de hele ontwikkeling vanaf het voorzichtige aantrekken van de belangstelling midden jaren 1990 te behappen. Enkel oorlogsstudies met een bovenindividuele reikwijdte worden besproken: biografieën waarin ook op WOI ingegaan wordt, worden dus niet behandeld. Artikelen, bronnenpublicaties (zoals de talloze uitgegeven egodocumenten) en lopend onderzoek blijven dus onbesproken.3 De klemtoon ligt op wetenschappelijke publicaties gericht op een bovenlokaal publiek. Vanwege de dynamiek van het onderzoeksveld is zelfs met al die beperkingen volledigheid een schier onmogelijke opdracht.

Van marginaal naar respectabel

Gezien de centrale rol van België in het uitbreken van WOI wekt het geen verwondering dat het land een brandpunt van de internationale herdenking van honderd jaar 1914–1918 vormde.4 Bovendien zetten de vele Belgische overheden een pleïade aan herdenkingsinitiatieven op. Het Belgische publiek participeerde op massale schaal door televisieseries te bekijken, boeken te lezen, tentoonstellingen te bezoeken en de slagvelden van weleer te verkennen. Was de herdenkingsdynamiek initieel voornamelijk aangezwengeld om buitenlandse toeristen aan te trekken, in 2014 sprong vooral de overweldigende publieke belangstelling in België zelf in het oog. Bij al dat herdenkingsgeweld is het moeilijk voorstelbaar dat amper een kwarteeuw eerder WOI in België slechts op een lauwe belangstelling kon rekenen.5 Dat was in het bijzonder het geval voor de Belgische historische wereld: anders dan in landen als Frankrijk en Duitsland was er in de vanaf de jaren 1960 ontspruitende vakgroepen nieuwste geschiedenis nauwelijks interesse voor 1914–1918. Het weinige onderzoek dat naar WOI gevoerd werd, werd bovendien doorgaans niet bewogen door intrinsieke belangstelling voor die oorlog zelf. Centraal stond de impact van de oorlog op brandende vraagstukken uit de Belgische politieke geschiedenis zoals de verhouding tussen het Vlaamse en het Belgische nationalisme en de internationale positie van België met inbegrip van de houding van koning Albert I. De wending in het internationale oorlogsonderzoek vanaf de jaren 1950 van diplomatiek-politieke geschiedenis naar sociale geschiedenis vond in België niet plaats, een paar interessante uitzonderingen daargelaten. De samenstellers van de retrospectieve bibliografie over België tijdens WOI kwamen in 1987 dan ook tot de vaststelling dat de historiografie ter zake hopeloos verouderd was.6

WOI was in België in die tijd een historiografisch niemandsland. Nochtans wijst diezelfde monumentale bibliografie uit dat er in het Interbellum al heel wat verkennend onderzoek was verricht waarop men verder had kunnen bouwen. Henri Pirenne publiceerde in 1929 op basis daarvan een prikkelende synthese die tot doel had nieuw onderzoek uit te lokken. Waarom dat decennialang niet gebeurde, blijft tot op heden onduidelijk. Ter verklaring wordt nogal eens verwezen naar het feit dat de maatschappelijke en wetenschappelijke preoccupatie met de Tweede Wereldoorlog (WOII) de belangstelling voor WOI wegdrukte. Op het eerste gezicht is dit een overtuigende hypothese, maar de vraag blijft waarom dit verschijnsel zich in België dan in veel sterkere mate voorgedaan zou hebben dan in Frankrijk, Groot-Brittannië of zelfs Duitsland. Mogelijk is de in vergelijkend perspectief beperkte bloedtol van WOI in België een factor: terwijl in genoemde grote landen van de miljoenen frontdoden een blijvend appèl op historici uitging, was dat veel minder het geval in België waarvan de oorlogservaring overwegend een bezettingservaring was. Hoe het ook zij, Pirennes synthese bleek decennialang een eindpunt in plaats van een startpunt, afgezien van strijdpunten van nationaal politiek belang zoals de Flamenpolitik en de Koning.

Pas diep in de jaren 1990 kwam het tot een kentering. De lopende bibliografie van de geschiedenis van België laat toe die ontwikkeling te duiden. Terwijl een kwarteeuw geleden nauwelijks twintig publicaties per jaar over België in WOI verschenen, begon dat aantal gestaag toe te nemen om de afgelopen vijf jaar een redelijk spectaculair gemiddelde van bijna tweehonderd te bereiken. Zowel amateur als professionele historici gingen veel intenser publiceren op dit terrein. Opvallend is dat in die enorme productie de afgelopen twee decennia ongeveer evenveel aandacht naar het front als naar het bezette land is uitgegaan, en dat de hausse van de afgelopen vijf jaar overwegend uit frontgeschiedenis bestond. Dat overwicht van de frontgeschiedenis moet goeddeels het resultaat zijn van de ijver van amateurhistorici, want in de recente professionele productie is van een dergelijk overwicht geen sprake. Voor de laatste vijf volledige jaren springt ook in het oog dat het aantal Nederlandstalige publicaties drie maal talrijker was dan de Franstalige hoeveelheid (respectievelijk 849 in het Nederlands, 329 in het Frans, 77 in het Engels en 26 in het Duits voor 2009–2014), terwijl dit onderwerp traditioneel een wat Franstalige reuk heeft. De suggestie dat ’14-’18 als laatste moment de gloire van een overwegend francofone burgerlijke natie Franstalige vorsers buitenproportioneel zou bekoren en omgekeerd Vlaamse historici zou afschrikken, gaat dus niet (meer) op.7 Ook hier lijkt er een discrepantie te bestaan tussen amateur en professionele historici: het globale Nederlandstalige overwicht is niet terug te vinden bij de professionele productie en moet dus het werk zijn van amateurhistorici. Wellicht is de grotere vitaliteit van de heemkringen en erfgoedsector in Vlaanderen daar debet aan. Dat in Vlaanderen de markt voor historische boeken er beter voorstaat dan in Franstalig België, vormt mogelijk een ander deel van de verklaring.

Tabel 1:

absoluut aantal publicaties over België in WOI 1990–2014 (Bron: Bibliografie van de geschiedenis van België).

Er is niet alleen sprake van een kwantitatieve, maar ook van een kwalitatieve sprong. Met name het Rijksarchief heeft de afgelopen kwarteeuw een volgehouden inspanning gedaan om de voorheen goeddeels ontoegankelijke oorlogsarchieven te ontsluiten aan de hand van inventarissen en bronnengidsen.8 Zelfs gespecialiseerde onderzoeksgidsen zagen het licht.9 Een krachtige impuls ging ook uit van gespecialiseerde publiekshistorische instellingen in West-Vlaanderen (met name het In Flanders Fields Museum). België in WOI werd eindelijk een volwaardig onderzoeksveld, wat zich uitte in een toenemend aantal wetenschappelijke publicaties, de opname van WOI in het verruimde onderzoeksprogramma van het CEGESOMA (Studiecentrum Oorlog en Maatschappij), en een veel sterkere inbedding in het internationale onderzoekslandschap. Een eerste duidelijke manifestatie van dat laatste was het congres ‘Een totale oorlog?’ dat in 2003 aan de Université Libre de Bruxelles (ULB) gehouden werd en een brede schare binnen- en buitenlandse specialisten samenbracht.10 Tekenend voor de toegenomen academische respectabiliteit van het onderwerp is ook het toenemend aantal proefschriften over België tijdens WOI. Een recente schatting wijst uit dat op dit moment 43 doctoraatsprojecten lopen, een stuk meer dan er de hele eeuw na 1914 verdedigd werden.11 Het spreekt voor zich dat de ‘grote klaprozenexplosie’, de overrompelende herdenkingsactiviteit van de afgelopen tijd, sterk tot deze ontpopping heeft bijgedragen.12 Overheden, uitgevers, heemkringen en andere actoren stimuleerden met het oog op de nakende herdenking tal van publicaties over WOI. Die invloed zal ook de komende jaren nog sterk te voelen zijn, met name door gefinancierde onderzoeksprojecten die thans vrucht beginnen te dragen. De lopende bibliografie geeft echter aan dat de historische belangstelling voor WOI zeker niet geheel tot het herdenkingseffect te herleiden valt want zij begon duidelijk al in de late jaren 1990 stevig aan te trekken, lang voor dat er sprake was van de herdenking. De initiële impuls lijkt te zijn uitgegaan van de sinds 1990 sterk aanzwellende internationale belangstelling voor WOI die met enige vertraging oversloeg op België.

Opmerkelijk is dat die hernieuwde belangstelling mede ingeluid werd door een nieuwe synthese, De Groote Oorlog, van de hand van Sophie De Schaepdrijver die in 1997 verscheen.13 Dat boek was een echte krachttoer juist omdat de auteur niet kon steunen op veel recent onderzoek; De Schaepdrijver moest haar synthese voor tal van aspecten baseren op publicaties uit het Interbellum of op origineel bronnenonderzoek. Zij maakte echter van de nood een deugd en schreef op basis van het disparate materiaal een lucide, persoonlijke analyse die de urgentie van de Belgische casus tijdens WOI met een klap op het voorplan zette. De exceptionele stijl en vaart maakten van het boek een zeldzame historische bestseller. De brede weerklank van De Groote Oorlog valt ogenschijnlijk ook af te lezen uit de eerste piek aan publicaties over België in WOI in de jaren na 1997. De verbinding van sociale, culturele en politieke geschiedenis was vernieuwend en sloot aan bij toenmalige internationale tendensen in het onderzoek over WOI. Nochtans had de auteur daar afgaande op de bibliografie niet bewust naar gestreefd en lijkt dus op eigen kracht tot die verbinding te zijn gekomen. De Schaepdrijver schreef het boek op verzoek van haar Nederlandse uitgever. Inhoudelijk ging veel aandacht uit naar de weerslag van de oorlog op de communautaire verhoudingen in België, één van de intern-Belgische twistpunten die in de decennia daarvoor wel systematisch uitgespit was. Naderhand zou De Schaepdrijver zich natuurlijk wel als dé Belgische WOI-specialist presenteren in het internationale onderzoekslandschap. De Groote Oorlog die naderhand ook in het Frans verscheen, is nog steeds veruit de beste synthese. Navolgers strandden door een gebrek aan kennis van het Nederlands en een uitgesproken slachtofferperspectief.14

Ongeveer gelijktijdig met het verschijnen van De Groote Oorlog werd op het vlak van de cultuurgeschiedenis vanuit de Belgische oorlogshistoriografie aansluiting gevonden bij de internationale onderzoeksagenda. Dat dat precies op dit terrein plaatsvond is niet toevallig, want vanaf de jaren 1990 brak onder invloed van de cultural en linguistic turns een derde, door cultuurgeschiedenis gedomineerde, fase in het internationale oorlogsonderzoek (geïncarneerd door een internationale groep historici rond het Historial te Péronne, een museum en onderzoekscentrum gewijd aan WOI) aan. Representatie en betekenisgeving van de oorlogservaringen kwamen daarbij centraal te staan. Laurence Van Ypersele ontpopte zich tot de belangrijkste vertegenwoordiger van deze stroming in België en maakte aan de Université Catholique de Louvain (UCL) als eerste school. Paradoxaal genoeg introduceerde zij deze aanpak in België aan de hand van haar analyse van de mythe van koning Albert I, het Belgische oorlogsicoon bij uitstek.15 De twee grote vernieuwsters van de Belgische oorlogshistoriografie vertrokken dus vanaf vertrouwd, vaderlands terrein.

Van beslissend belang om WOI in België wetenschappelijke respectabiliteit te verlenen, was ook de sterk aantrekkende internationale belangstelling. Dat gerenommeerde buitenlandse onderzoekers als John Horne en Alan Kramer zich rond de eeuwwisseling met België tijdens WOI inlieten, gaf duidelijk aan welk gewicht in het internationale oorlogsonderzoek aan die casus werd gehecht.16 Die internationale belangstelling droeg er ongetwijfeld toe bij dat ook andere Belgische universiteiten en onderzoeksinstellingen dan de UCL volop gingen inzetten op onderzoek over België tijdens WOI. Het zwaartepunt van de academische belangstelling bleef binnen België de eerste tijd in Franstalig België (UCL en daarna ook ULB) liggen, ongetwijfeld aangezwengeld door de aantrekkingskracht van Péronne en de vitaliteit van de Franse oorlogshistoriografie. De hernieuwde francofone dynamiek stak ook de federale wetenschappelijke instellingen aan. Nog in 2005 werd vastgesteld dat de Vlaamse universiteiten nauwelijks belangstelling toonden. Pas in de afgelopen vijf jaar zou die achterstand ingelopen worden. Parallel met de verbreding van het onderzoekslandschap verruimde het onderzoeksveld ook op inhoudelijk en conceptueel vlak. Conform de internationale tendensen is de geschiedenis van representaties niet langer dominant, maar worden culturele, sociale en politieke geschiedenis in toenemende mate met elkaar verbonden.

Nico Wouters schrijft die hausse van WOI toe aan een zekere mate van verzadiging in het WOII-onderzoek vanaf ongeveer 1995 na twee decennia van baanbrekende werken over hete hangijzers in het Belgische publieke debat over WOII.17 Historici zouden hun aandacht verlegd hebben naar WOI die zich als een nieuw, maagdelijk terrein aandiende. Afgezien van de vraag of een dergelijke hydraulische kijk op het historische bedrijf wel opgaat, springt vooral het verschil in benaderingswijze tussen de historiogafie van WOI en WOII in het oog. In sterkere mate dan de geschiedschrijving over WOII overstijgt de historiografie over WOI een klassieke rankeaanse benadering van kwesties van politiek-moreel belang, door vernieuwde methodologieën en vraagstellingen. Terwijl de historiografie over WOII zich de afgelopen twintig jaar voornamelijk toelegde op de analyse wie es eigentlich gewesenwar van verschijnselen met een sterke maatschappelijke urgentie zoals de collaboratie en de Jodenvervolging, was een dergelijke benadering voor WOI bij gebrek aan vergelijkbare maatschappelijke noodzaak geen optie. Waar lagen nu de zwaartepunten van het onderzoek van de afgelopen twee decennia? Vooraleer op die vraag in te gaan, is het belangrijk te wijzen op de gespletenheid van de Belgische oorlogservaringen. Er zijn minstens drie Belgiës in oorlogstijd: bezet België dat 95 procent van het grondgebied omvatte, het Belgische front in de onbezette Westhoek, en de Belgische vluchtelingen in het buitenland.

De Duitse invallers en bezetters

Juist de verscheidenheid aan oorlogservaringen heeft historici ertoe gebracht, België in WOI als een laboratorium voor de ‘totale oorlog’ te betitelen.18 Tal van verschijnselen die kenmerkend zouden zijn voor een dergelijke oorlog (zoals geweldpleging tegen burgers, massale vlucht, economische exploitatie, dwangarbeid en deportatie, honger en hulp, repressie en verzet), kan men observeren bij de casus van België. Dat vermeende hoge laboratoriumgehalte verklaart waarom zoveel buitenlandse onderzoekers zich de afgelopen jaren met België tijdens WOI ingelaten hebben. Eén aspect heeft op uitgesproken veel internationale belangstelling kunnen rekenen: de opstelling van de Duitse invaller en bezetter. België was de casus bij uitstek van de door Heather Jones sterk toegenomen internationale interesse voor militaire bezettingen. Terwijl de Belgische specialisten van de bezetting zich vooral richtten op de ervaringen van de Belgische burgers en militairen, staat voor buitenlanders in het verlengde daarvan de houding van de Duitsers centraal. Achterliggend sluimert de vraag hoe het gedrag van de Duitsers in België tijdens WOI zich verhield tot het massale nazigeweld nauwelijks een generatie later. Als het om de Duitse wreedheden bij de invasie gaat, lopen de interpretatiekaders sterk uiteen. Voor Horne en Kramer waren zij terug te voeren op de collectieve illusie bij de Duitse militairen dat er Belgische vrijschutters actief waren. Die illusie was gestoeld op de ervaringen van de Frans-Duitse oorlog. Voor Lipkes ligt het referentiepunt elders, het ging om bewuste terreur, een voorafspiegeling van het nazigeweld.19

Voornamelijk Duitse onderzoekers legden belangrijke facetten van het beleid van de bezetter bloot, met name over de exploitatie van het bezette land, de strategische plaats van België in het Europa van de toekomst en de cultuurpolitiek.20 Aan Belgische zijde gaat de aandacht nog steeds voornamelijk naar de Flamenpolitik.21 Terwijl literatuurwetenschappers voornamelijk de culturele Eigendynamik van de activisten exploreerden, benadrukte Lode Wils in een herwerkte synthese nog krachtiger dan voorheen het belang van de Duitse interventie in de communautaire geschiedenis van België sinds 1914. Bruno Yaminne ging een stap verder door de Flamenpolitik in een lange voorgeschiedenis te situeren. Bij al dat onderzoek over de bezetter valt op dat de klemtoon ligt op het Duitse beleid en de toekomstplannen met België, de politiek met de grote P. Veel minder aandacht is er voor de dagelijkse praxis van het bezettingsbestuur, voor de vraag hoe de Duitsers op diverse terreinen daadwerkelijk bestuurden.22 Dat manco valt wellicht moeilijk te ondervangen, want is deels terug te voeren op de vernietiging van de meeste archieven van de Duitse bezettingsbesturen.

Belgen aan het front

De militaire geschiedenis bleef lange tijd het ondergeschoven kindje van de Belgische oorlogshistoriografie. Terwijl in het Interbellum in talloze regimentsgeschiedenissen het optreden van het Belgische leger aan het IJzerfront werd gereconstrueerd, viel de militairhistorische belangstelling na 1940 goeddeels stil. Ook op dit vlak week België af van het patroon elders in Europa, waar de soldaten een centraal thema vormden in de sociaalhistorische golf in de oorlogshistoriografie vanaf de jaren 1960. De opeenvolgende roof van de Belgische legerarchieven door de nazi’s en de sowjets was daar deels debet aan. Ook beschikbare bronnen zoals egodocumenten of de frontpers werden echter nauwelijks aangesproken, tenzij voor de studie van de taalverhoudingen en de daaraan gerelateerde Frontbeweging.23 Dat de dominante oorlogservaring in België een bezettingservaring was heeft er ook toe bijgedragen dat een geschiedenis van het Belgische front lange tijd achterwege bleef. Door de snelle bezetting van het gros van het land was het Belgische leger verhoudingsgewijs klein (goed 350.000 man), maar dat neemt niet weg dat de frontervaring een cruciaal facet van de Belgische oorlogservaring vormt.

Intussen zijn belangrijke Belgische legerarchieven weer gerepatrieerd uit Moskou en is de belangstelling voor de frontgeschiedenis het afgelopen decennium weer opgeveerd. In de klassieke krijgshistorische traditie verschenen een heleboel studies over bepaalde operaties of eenheden (vaak uitgegeven bij gespecialiseerde uitgeverijen zoals De Krijger en De Klaproos) en voor het eerst sinds lang syntheses over de oorlogsvoering door het Belgische leger.24 Maar ook de vernieuwde militaire geschiedenis met een sterke mentaliteits- of sociaalhistorische inslag begon in België weerklank te krijgen. Het perspectief van de soldaten zelf stond daarin centraal. De vraag waarom de soldaten al die jaren bleven doorvechten, een vraag die vooral in Frankrijk veel controverse opriep, inspireerde genuanceerd onderzoek over de Belgische casus.25 In dezelfde lijn werden de ervaringen, percepties en aspiraties van de soldaten systematisch onderzocht op basis van onuitgegeven egodocumenten.26 Elementen als het geloof, het natiegevoel, de genderopvattingen, de dagelijkse overlevingsstrategieën, de omgang met verminking en dood aan het front kwamen in dergelijk onderzoek volop aan bod. De door Heather Jones gesignaleerde benadering van oorlogsvoering als een lijfelijk verschijnsel, is echter voor de Belgische casus nog niet ten volle geëxploreerd.

Niet alleen de ervaringen van de soldaten aan het IJzerfront, maar ook bijvoorbeeld die van de krijgsgevangenen in Duitsland of van het Belgische pantserkorps in Rusland werden onderzocht.27 Net als elders kreeg ook de imperiale en raciale dimensie van de oorlogsvoering in België en Afrika hernieuwde aandacht, ofschoon er nog veel werk op de plank ligt om België in WOI vanuit globaal perspectief te analyseren.28 Opvallend veel aandacht ging de afgelopen jaren ook naar het Belgische militaire gerecht in WOI, in de hand gewerkt door het beschikbaar komen van de gerechtelijke militaire bronnen én de levendige onderzoeksactiviteit op het vlak van de geschiedenis van recht en gerecht. Er verscheen een omvattende synthese over de werking van het krijgsgerecht.29 Onderzoek van de bestraffingspraktijk liet ook toe de mythe van een harde repressie van Vlaamsgezinde militairen aan het front tot haar ware properties terug te brengen.30 Maar ook de strategieën van de gewone soldaten die met het krijgsgerecht of andere regulerende instanties in aanraking kwamen, kregen aandacht. Zo verscheen er een studie over de vraag hoe conflicten tussen soldaten en officieren beslecht werden.31 De archieven van het krijgsgerecht lieten ook toe meer te weten te komen over motieven en lot van Belgische deserteurs.32 De afgelopen jaren werd in navolging van de discussies in Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland ook in België een controverse uitgelokt over de gefusilleerden (en in mindere mate ook over de Belgische soldaten die in Nederland geïnterneerd werden).33 Dat debat had alvast de verdienste onderzoek te stimuleren over de terdoodveroordelingen door het krijgsgerecht.34

Burgers in het bezette land en in ballingschap

De oorlog haalde niet enkel het leven overhoop van de mannen die in krijgsdienst traden, maar van de bevolking als geheel. Net dat ‘totale’ karakter van WOI heeft oorlogsonderzoekers er in Europa tijdens de sociaal- en cultuurhistorische golven toe aangezet, de civiele kant van de oorlogservaring uitputtend te onderzoeken. Aangezien de oorlogservaring in België door de relatief beperkte omvang van het leger nog veel sterker dan elders een civiele ervaring was, wekt het verwondering dat die voor 1995 slechts op een beperkte belangstelling had kunnen rekenen.

De Belgische civiele oorlogservaring bij uitstek was de bezetting. Voor zes miljoen Belgen was de bezetting de stoorzender van het dagelijks leven. Steeds minder facetten van het leven ontsnapten aan de omvattende invloed van de bezetting. Beproefde strategieën kwamen onder druk te staan. Bestaande sociale verhoudingen en hiërarchieën verschoven. Gevestigde mentaliteiten voldeden vaak niet langer. De bevolking van het bezette land moest op allerlei fronten haar positie opnieuw bepalen. Hoe dat in zijn werk ging, was afgaande op de stand van het onderzoek van twee decennia geleden nauwelijks te zeggen. Er was veel gepubliceerd over de Vlaams-nationalistische collaboratie (het ‘activisme’) en over de impact van bezetting op de voedselvoorziening en de genderverhoudingen waren al belangrijke, maar verkennende stukken geschreven door Peter Scholliers en Eliane Gubin. Vandaag kunnen we de vraag hoe de bevolking omging met de stoorzender die de bezetting was, voor een aantal facetten veel beter beantwoorden. Tegelijkertijd dringt de vaststelling zich op dat er nog heel veel terrein braak ligt.

De bezetting wijzigde de machtsconstellatie grondig. In de eerste plaats moest een houding worden gevonden ten aanzien van een nieuwe actor, de bezetter. Het vroegere onderzoek over de politieke collaboratie met de bezetter bleef beperkt tot Vlaanderen en de kopstukken. De afgelopen tijd verschenen studies over de activistische achterban in Vlaanderen en eindelijk een eerste synthese over het activisme in Wallonië.35 Andere vormen van collaboratie (zoals de economische) bleven tot dusver onderbelicht en werden louter bestudeerd vanuit het perspectief van de naoorlogse bestraffing. Over het verzet tijdens WOI was op wat hagiografische publicaties uit het Interbellum na nauwelijks iets bekend. In die situatie is dramatisch verandering gekomen door een overrompelende onderzoeksactiviteit over het verzet (met name, maar niet uitsluitend inlichtendiensten) tijdens WOI.36 Die is mede mogelijk gemaakt door het toegankelijk worden van de archieven van de ‘Vaderlandse diensten’. Opvallend veel aandacht gaat daarbij naar de rol van vrouwen, de Duitse repressie en het discours over en van de verzetslui. Door al die onderzoeksijver zijn we intussen goed geïnformeerd over de twee uitersten verzet en collaboratie, maar keerzijde van die concentratie is het gevaar van vertekening: hoe de overgrote meerderheid van de bevolking die buiten de collaboratie en het verzet bleef, zich tegenover de bezetters positioneerde, dreigt buiten beeld te blijven.37

De focus op collaboratie en verzet houdt ook het risico in dat veel crucialere machtsactoren onderbelicht blijven. Ook voor dat deel van het Belgische overheidsapparaat dat in het bezette land operationeel bleef, was het immers moeilijk laveren tussen de bezetter, de bevolking en de regering in Le Havre. In het bijzonder was dat het geval voor de Belgische ordediensten en gerecht die naast die botsende claims ook nog eens te kampen kregen met een gespannen situatie op het vlak van openbare orde en een sterk toenemende criminaliteit. Een aantal grondige studies liet nieuw licht schijnen op de houding van de Brusselse politie, de jeugdrechtbanken en het Belgische gerecht als geheel, eveneens een vrucht van de dynamiek op het vlak van de Crime and criminal justice history in België.38

Voor andere facetten van het bestuur en beleid in het bezette land tasten we voorlopig nog in het duister, behalve dan op het vlak van de voedselpolitiek waarover vernieuwend onderzoek verscheen. De rol van het Nationaal Komiteit voor Hulp en Voeding en de Commission for Relief in Belgium in de bevoorrading is verder uitgespit.39 Maar vooral staat in dat onderzoek centraal tot welke scherpe politieke en sociale spanningen de voedselcrisis tijdens de oorlog leidde en hoe ook van onderop gepoogd werd de voedselpolitiek te beïnvloeden.

Terwijl de aandacht voor de impact van de oorlog voor politiek met de grote en kleine p verdiepte, bleef de belangstelling voor de sociaaleconomische weerslag van de oorlog beperkt. De invloed van de oorlog op de demografie (huwelijk, geboorte, ziekte, sterfte) is vooralsnog nauwelijks onderzocht. Hoe diverse sociale groepen bestaansstrategieën ontwikkelden om met de moeilijkheden en kansen die de oorlog met zich meebracht om te gaan, blijft nog grotendeels in het ongewisse. Welke sociale groepen als verliezer of (zeldzamer, maar toch) als winnaar uit de oorlog kwamen, weten we maar bij benadering. Voor de vraag hoe diverse economische sectoren de oorlog doorkwamen, geldt hetzelfde. De enige bedrijfstak waarvoor betekenisvolle vooruitgang is geboekt, is die van de landbouw.40 Over de ingrijpende weerslag van de oorlog op industrieland België weten we thans nog altijd niet veel meer dan in het Interbellum. Met die relatieve veronachtzaming van de sociaaleconomische dimensies van de oorlog past de casus België in een breder internationaal patroon in het actuele oorlogsonderzoek. Voor de Belgische casus is dat des te erger, omdat de sterk kwantitatief gekleurde sociaalhistorische golf van de jaren 1960–1980 er grotendeels aan voorbij gegaan is. Ogenschijnlijk bestaat er binnen het brede veld van de sociaaleconomische geschiedenis in België een soort koudwatervrees ten aanzien van oorlogsgeschiedenis. Mogelijk valt die te verklaren door een sterke focus op structuren en conjuncturen en een geringer belang dat aan schokken op de korte termijn wordt gehecht.

De bezettingservaring was in eerste instantie een lokale ervaring omdat de bewegingsvrijheid van de bevolking in het bezette land sterk ingeperkt werd. Vanuit dat perspectief verdient de ware hausse aan lokale studies over WOI in België dan ook verwelkomd te worden. Tal van lokale historici en heemkundige kringen zijn door de herdenkingen geprikkeld om aan de slag te gaan met dit oorlogsverleden. De kwaliteit ervan varieert van het beste tot het slechtste en ook de opzet van de studies loopt heel sterk uiteen. Het is in dit bestek nauwelijks doenbaar om algemene uitspraken te doen over deze enorme stroom publicaties. Wat wel duidelijk is, en te betreuren valt gezien het feit dat België in 1914 het meest verstedelijkte land ter wereld was, is dat nauwelijks de brug gemaakt is naar de subdiscipline van de stadsgeschiedenis. Sterk in het oog springt evenzeer dat vaak het standpunt van de spreekwoordelijke kleine man of vrouw als uitgangspunt genomen wordt. In geslaagde voorbeelden leidt zulks tot knappe staaltjes van sociaalhistorische analyse, in minder geslaagde gevallen wordt de blik vertroebeld door een eenzijdig slachtofferperspectief.

Michaël Amara presenteert in 2008 zijn standaardwerk over de Belgische vluchtelingen.

Fotograaf onbekend.

Naast de bezetting was de vlucht de belangrijkste component van de Belgische civiele oorlogservaring. Een grondiger verstoring van de dagelijkse routines dan een ervaring van vlucht en ballingschap is moeilijk denkbaar. Bij de Duitse inval sloegen ongeveer anderhalf miljoen Belgen op de vlucht. Ofschoon ongeveer 600.000 van hen (tien procent van de bevolking) de oorlog in buitenlandse ballingsoorden doorbrachten, bestond er nauwelijks historische belangstelling voor die massale exilervaring. In die verwaarlozing kwam de afgelopen tijd eindelijk verandering. De Roodt legde de eerste steen met een boek over het lot van de vluchtelingen en krijgsgevangenen in Nederland.41 Amara schreef de langverwachte synthese over de Belgische vluchtelingen. In deze geraffineerde studie kwam niet enkel de wisselende ontvangst in de diverse gastlanden, maar ook de (gespannen) relaties tussen het bezette land en de vluchtelingen én de interne breuklijnen onder de vluchtelingen aan bod.42 Deze werken over de massale Belgische vluchtervaring vormden niet zomaar een vertaling van internationale onderzoekstendensen, maar droegen er toe bij om het belang van bevolkingsbewegingen in WOI op de internationale onderzoeksagenda te plaatsen.

Afwikkeling en herinnering

De oorlog liet diepe sociale en fysieke sporen achter; in de Belgische samenleving en in het landschap zouden nog decennialang de gevolgen van die wereldbrand naspeurbaar zijn. Tot voor de opbloei van de Belgische oorlogshistoriografie was de aandacht vrijwel exclusief uitgegaan naar de fysieke wederopbouw van de aangerichte schade. De afgelopen vijftien jaar is het onderzoek naar de afwikkeling van en omgang met het oorlogsverleden stevig verruimd. In het bijzonder verdient het onderzoek naar de Westhoek hier vermelding, de streek die door het IJzerfront geheel omgewoeld werd. Niet alleen werden de landschappelijke weerslag van de oorlogsvoering en de reconstructie verder verkend, de naoorlogse herinneringsactiviteiten in de Westhoek werden nu ook aan grondig onderzoek onderworpen.43

De vraag hoe de overgang van oorlog naar vrede vorm kreeg, heeft in het gehele land veel meer aandacht dan voorheen gekregen. Uitputtend werd onderzocht hoe de Belgische staat en samenleving omgingen met diverse categorieën mensen die na de Wapenstilstand als ‘ongewenst’ doorgingen.44 Het gaat dan bijvoorbeeld om ongewenste vreemdelingen (mensen van Duitse herkomst in België) of gewapende bendes die het land onveilig maakten. In het bijzonder naar de bestraffing van zogenaamde ‘incivieken’, Belgen die gecollaboreerd hadden met de bezetter, is veel onderzoek verricht. Door op de bestraffing van de collaboratie (gaande van economische collaborateurs over Duitse spionnen tot politieke collaborateurs) in haar totaliteit te analyseren, heeft al dat onderzoek aangetoond hoe onterecht de concentratie op de repressie van het activisme wel niet was. Ook de Leipziger processen, de ambivalente naoorlogse Duitse bestraffing van Duitse oorlogsmisdaden, werden eindelijk bestudeerd.45 In het licht van de wereldwijde belangstelling voor transitional justice zouden al die onderzoeksresultaten sterker internationaal bekend gemaakt kunnen worden. Andere aspecten van de transitie van oorlog naar vrede kregen echter nog niet de aandacht die ze verdienen. De sociale spanningen na de Wapenstilstand en vooral de economische reconstructie van het leeggeplunderde land blijven nog steeds grotendeels terrae incognitae. Wel uitputtend onderzocht werd de kwestie van de Duitse herstelbetalingen.46

Maar het is vooral het onderzoek naar de (collectieve) herinnering aan WOI dat een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt heeft. Dat onderzoek werd gevoed uit twee bronnen: de cultuurhistorische Wende binnen de oorlogsgeschiedenis in de jaren 1990 en de algemene memory boom in de geschiedenis. Van Ypersele knoopte zoals reeds gezegd als eerste aan bij die internationale onderzoeksdynamiek met haar studie over de beeldvorming over Koning-Ridder Albert I. Dat vormde het startschot voor een reeks publicaties over de herinnering aan WOI in België. De vraag hoe de officiële herinneringspolitiek vorm kreeg in diverse monumenten werd op nationale schaal gereconstrueerd.47 Tal van lokale studies focusten op diverse facetten van de herinneringspolitiek én -praktijken. Om zijn betekenis van hoofdstad van het bezette land, werd de Brusselse casus uitputtend bestudeerd.48 Naast de monumenten en bijhorende riten, werd ook de betekenisgeving van de oorlog in de letterkunde, schoolboeken, film etc. bestudeerd.49 Het parcours van de herinnering aan de ‘helden’ en ‘verraders’ van de oorlog werd blootgelegd en de impact van het oorlogsverleden op de natievorming in België verder geëxploreerd. De doorwerking van de herinnering aan WOI in WOII werd verkend. Bij al die publicatie-ijver passen toch een paar kritische bedenkingen. In het bestaande onderzoek staat de herinneringscultuur onder (overwegend stedelijke) elites en middengroepen centraal, terwijl we over de betekenisgeving van de oorlog door de lagere sociale groepen en op het platteland nauwelijks iets weten, een scheeftrekking die te wijten is aan selectief brongebruik en de concentratie op een beperkt aantal figuren. De militaire herinneringscultuur (denken we aan de talloze regimentsgeschiedenissen) werd nauwelijks onderzocht. Een systematische studie van de doorwerking van de oorlog op de Belgische politieke cultuur ontbreekt vooralsnog. Meer in algemene zin is voor België niet onderzocht of de oorlog processen van radicalisering of brutalisering ingezet heeft die doorwerkten in de naoorlogse jaren.

Besluit

Het mag duidelijk zijn dat de afgelopen twee decennia de historiografie over België tijdens WOI een lange weg afgelegd heeft. Wat eerst een verwaarloosd onderwerp vormde, is thans de inzet van een levendige subdiscipline. Tal van interessante, lopende onderzoeksprojecten getuigen van de levendigheid ervan. Aansluiting is gevonden bij het vitale internationale onderzoekslandschap over WOI; als er een tak van de Belgische contemporaine geschiedenis transnationaal vervlochten is, is het wel deze. Gevolg van die sterk toegenomen verstrengeling is ook dat de historiografie over België in WOI voor het eerst sinds het Interbellum inspeelt op actuele tendensen in het internationale onderzoekslandschap. Enerzijds zorgden ontwikkelingen in dat internationale landschap – zoals de aantrekkende belangstelling voor bezettingen – ervoor dat buitenlandse onderzoekers zich veel sterker dan voorheen gingen interesseren voor de Belgische casus. Anderzijds gingen ook Belgische historici de Belgische oorlogservaring hernieuwd tegen het licht houden. Daarbij werden zij deels geïnspireerd door de internationale ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld de weerklank van de school van Péronne aangeeft. Toch is de Belgische oorlogshistoriografie niet zomaar een doorslag van internationale tendensen. De twee grondlegsters van de vernieuwde Belgische oorlogshistoriografie (De Schaepdrijver en Van Ypersele) betraden dit terrein ogenschijnlijk relatief autonoom ten opzichte van de ontwikkelingen in het toenmalige internationale oorlogsonderzoeklandschap. Ook de vervlechting tussen oorlogsgeschiedenis en de Crime & Criminal Justice History is een voorbeeld van een specifieke Belgische dynamiek.

De vrees dat wel snel verzadiging zal optreden als de herdenkingen voorbij zijn, lijkt ongegrond. De onderzoeksdynamiek is immers niet geheel afhankelijk van de chronologie van de herdenkingen, dat blijkt duidelijk uit de ontwikkelingen van de laatste twee decennia. De bijzondere en cruciale positie van België tijdens WOI als ‘laboratorium voor de totale oorlog’ zal een blijvende stimulans voor onderzoek in nationaal en internationaal verband vormen. Tal van belangwekkende vragen en terreinen (zoals economie, religie, stadsgeschiedenis, gender) hebben nog niet de aandacht gekregen die ze verdienen, dat leert dit overzicht evenzeer. Hoe burgers en soldaten de oorlog betekenis gaven, kan nog veel verder uitgespit worden. Ook de vraag hoe de drie Belgiës zich tot elkaar verhielden, moet nog veel systematischer geëxploreerd worden. Dat België in WOI nu het voorwerp van een gevestigde subdiscipline vormt, houdt echter niet alleen beloftes, maar ook risico’s in. Met name bestaat het gevaar dat de nu ontwikkelde oorlogshistoriografie zich geheel toelegt op interne discussies en onvoldoende kruisverbindingen zoekt met het bredere historische veld.

Natuurlijk is het gerechtvaardigd dat een specifieke onderzoeksniche zich toelegt op de oorlog als grootschalige geweldsvorm met enorme en lang doorwerkende maatschappelijke impact. Maar de oorlogsgeschiedenis heeft ook een relevantie die de oorlog en zijn weerslag nog overstijgt. De prioriteit moet dan ook zijn die bredere relevantie van de casus België tijdens en na WOI te exploreren. Die relevantie is er omdat WOI er in België toe leidde dat sociale processen die vaak kenmerkend worden genoemd voor de moderniteit, althans tijdelijk van richting veranderden. België was een van de vroegst en meest geïndustrialiseerde landen ter wereld, maar werd door de bezetter vakkundig gedesindustrialiseerd. De Belgische economie was voor de oorlog een van de sterkst geglobaliseerde, via handels- en financiële netwerken vervlochten met tal van andere landen, maar wordt door de Britse zeeblokkade goeddeels op zichzelf teruggeworpen. België was het dichtst bevolkte en een van de meest verstedelijkte landen ter wereld, maar de oorlog stimuleerde processen van reruralisering en maakte van de landbouw weer de basis van de nationale economie. Ook staatsvormingsprocessen werden door de oorlog beïnvloed. De centrale administratie raakte ontredderd en het zwaartepunt van het politieke leven verschoof (verder) naar het lokale niveau. Het geweldsmonopolie van de staat raakte uitgehold door de verzwakking van de politie-aanwezigheid en de staking van het gerecht vanaf 1918. De nationale markt desintegreerde door de indeling van het land in diverse bezettingszones. Dat proces werd nog in de hand gewerkt door de beperking van de bewegingsvrijheid van de bevolking en dat in een land met een sterk vertakte verkeersinfractuur en hoge mate van mobiliteit voor de oorlog. De oorlog initieerde ook processen van deliberalisering. Het vooroorlogse België was zowel politiek-constitutioneel als sociaaleconomisch een liberale staat. De oorlog leidde niet enkel tot een autoritair bezettingsregime, maar ook tot sociaalpolitieke interventies van ongekende intensiteit en omvang met name op het vlak van de voedselvoorziening. Het onderzoek naar de weerslag van die fundamentele verschuivingen moet nog beginnen. Daarbij moet niet enkel de impact van de oorlog onderzocht worden, maar ook de vraag hoe na 1918 die verschuivingen al dan niet weer omgebogen werden. Zulk onderzoek opent een frisse kijk op sociale procesen die maar al te vaak vanuit lineair ontwikkelingsperspectief worden benaderd. België tijdens WOI is dan ook niet enkel uiterst relevant als een laboratorium van de totale oorlog, maar ook als een historisch-sociologisch observatorium voor de dynamiek van sociale processen.