Although most political historians presumably acknowledge the vital importance of ideas in politics, the relation between political ideas and power relations remains a remarkably neglected topic in political history. This article assesses the role of political ideas in times of deep political crisis, focusing on the Dutch neoliberals, who fiercely opposed the emerging welfare state in the aftermath of the Second World War. As the early neoliberals did not establish parties of their own, political historians have overlooked this particular political movement. Nevertheless, the early neoliberals provide a fascinating departure point for a closer examination of the political power of ideas.

As this article demonstrates, neoliberals departed from social liberalism and classical liberalism in the late 1930s, and established an influential, transnational political network. After the Second World War, they managed to gain substantial publicity for their ‘battle of ideas’ against social security, without establishing parties of their own. Due to their fierce opposition to social democrats, neoliberals would play a fundamental role in the establishment of a new left-right division in Dutch politics. In doing so, they caused an internal division of the mainstream Christian democratic parties over socio-economic issues and delayed the development of the Dutch welfare state.

Hoewel de meeste politiek historici het belang van ideeën in de politiek niet zullen ontkennen, is de invloed van ideeën op politieke machtsvorming nauwelijks onderzocht. Dit artikel behandelt de rol van politieke ideeën in crisistijd, en vestigt daarbij de aandacht op de Nederlandse neoliberalen. Kort na de Tweede Wereldoorlog voerden zij een felle ideeënstrijd tegen de oprukkende verzorgingsstaat. Omdat deze neoliberalen geen eigen partijen oprichtten, maar streefden naar invloed binnen gevestigde partijen, zijn zij in de politieke

geschiedschrijving tot nu toe onopgemerkt gebleven. Juist door hun afwijkende organisatievorm bieden zij echter een interessant aanknopingspunt om de relatie tussen ideeën en politieke machtsvorming nader te onderzoeken.

Uit de analyse blijkt dat de neoliberalen, die zich sinds het late interbellum afkeerden van het sociaal-liberalisme én het klassiek-liberalisme, na de beurskrach van 1929 een invloedrijk, internationaal netwerk opbouwden. Na de oorlog zochten zij de publiciteit met hun felle ideeënstrijd tegen sociale zekerheid, zonder daarbij tot partijvorming over te gaan. Met hun strijd tegen de sociaaldemocraten stonden de neoliberalen aan de basis van de naoorlogse links-rechtstegenstelling in de Nederlandse politiek, die de confessionele middenpartijen ernstig zou verdelen op sociaaleconomisch terrein. De verzorgingsstaat kon in Nederland dan ook pas worden opgebouwd nadat deze neoliberale weerstand in de jaren vijftig werd gebroken.

‘From the wreckage of liberalism, nothing can be saved but its values.’

Karl Mannheim, Man and Society (1940)

Soms zijn ideeën sterker dan partijen. In de zomer van 2016 leidde het raadgevend referendum over het EU-lidmaatschap van Groot-Brittannië tot een Brexit die door weinigen was voorzien, en door weinig beroepspolitici werd beoogd. Vijfentwintig jaar eerder werd de Sovjet-Unie ontbonden. Historici zijn het er in de regel over eens dat haar val voor een belangrijk deel werd veroorzaakt door economisch falen en een opeenvolging van politieke en geopolitieke ‘evenementen’ aan de oostzijde van het voormalige IJzeren Gordijn. Het ideologisch vacuüm dat de heilstaat achterliet, is hiermee echter nog allerminst verklaard en verdeelt experts tot op het bot.2 Of neem de culturele revolutie van de jaren zestig, de daaruit volgende gezagscrisis en de groeiende aandacht voor ‘postmateriële waarden’: politiek zeer invloedrijk, maar niet tot partijpolitiek te reduceren. Ideeën hebben een eigen uitwerking op de politiek, vooral in tijden van grote, plotselinge veranderingen, maar die invloed valt gemakkelijker te observeren dan te analyseren.

In dit artikel wil ik een poging tot analyse doen door de aandacht te richten op het vroege neoliberalisme in Nederland. Over Nederlands neoliberalisme is nagenoeg niets bekend. Sinds een jaar of vijf gebruiken historici het begrip steeds vaker om de verzakelijkingspolitiek van Ruud Lubbers in de jaren tachtig te typeren – zonder het verschijnsel van een duidelijke afbakening of definitie te voorzien.3 En dat terwijl het neoliberalisme in Nederland een veel langere traditie kent, die bovendien concreet valt te traceren. Centrale ideeën achter het neoliberalisme kregen in Nederland al in de late jaren dertig van de vorige eeuw voet aan de grond. Na de oorlog slaagden zelfverklaarde neoliberalen er bovendien in deze ideeën om te zetten in een concrete politieke agenda, waarmee zij ten strijde trokken tegen sociale zekerheid van wieg tot graf. Zij meenden dat de overheid de markt niet moest inperken (sociaal-liberalisme), noch vrij moest laten (klassiek-liberalisme), maar moest aanjagen. Daartoe voerden de neoliberalen kort na de Tweede Wereldoorlog een felle ideeënstrijd binnen gevestigde politieke partijen die van grote invloed was op het politieke speelveld tijdens de wederopbouwperiode. Door hun succes in dit artikel centraal te stellen, wil ik inzicht verschaffen in de wijze waarop ideeën kunnen bijdragen aan politieke machtsvorming en wil ik laten zien hoe historici de relatie tussen ideeën en machtsvorming zichtbaar kunnen maken.

Dat onderzoek begint met de vraag hoe neoliberalen, als zij werkelijk zo belangrijk waren, onzichtbaar bleven in het historisch onderzoek naar de wederopbouwperiode. Daarover gaat de eerste paragraaf, waarin ik aandacht besteed aan het toonaangevende intellectueel-historisch onderzoek naar neoliberalisme, dat tot nu toe vooral in Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Frankrijk en Duitsland van de grond is gekomen. Waar de eerste paragraaf laat zien dat het neoliberalisme opkwam als een transnationaal opererend, politiek ‘gedachtencollectief’, laat de tweede paragraaf zien hoe dit collectief in Nederland een voet aan de grond kreeg en, omgekeerd, hoe dit netwerk door Nederlandse neoliberalen werd gevoed. Het tot dusver onbekende politieke netwerk ‘Burgerrecht’, dat streefde naar invloed binnen de gevestigde politieke partijen, staat hierin centraal. Uit wat voor soort mensen bestond dit netwerk, wat waren hun politieke motieven, welke politieke denkbeelden hingen zij aan en hoe probeerden zij deze denkbeelden om te zetten in politieke invloed?

Ten slotte toon ik aan dat de Nederlandse neoliberalen er in de jaren veertig reeds in slaagden om een invloedrijke ‘ideeënstrijd’ binnen de gevestigde partijen te ontketenen. Op basis van onderzoek naar neoliberale netwerken en digitaal krantenonderzoek naar het publieke debat over sociale zekerheid laat ik zien dat de neoliberalen veel aandacht verwierven met hun politieke strijd tegen de vroege verzorgingsstaat. Deze invloed strekte zich ook uit tot de sociaaleconomische agenda’s van confessionele partijen. Hoewel ik zal laten zien dat neoliberalen de Nederlandse christendemocratische politiek in het hart wisten te raken, wil ik niet betogen dat de sociaaleconomische denkbeelden van de christendemocraten als eenduidig neoliberaal moeten worden geherinterpreteerd. Wel wil ik laten zien dat de economische standpunten van de drie voornaamste christendemocratische partijen in Nederland niet slechts werden gevoed door oude beginselen van subsidiariteit en soevereiniteit in eigen kring, maar ook sterk werden beïnvloed door een gepolitiseerde strijd die in de jaren vijftig overal in West-Europa woedde: de strijd om sociale zekerheid. Dit inzicht verrijkt ons begrip van politieke ideeënvorming en relativeert het nog altijd dominante verzuilingsperspectief, dat een goed begrip van de sociaaleconomische politieke verhoudingen in de jaren vijftig belemmert.

Een anti-institutioneel ideeënnetwerk

Wie waren de vaandeldragers van het neoliberalisme, en wat is hun invloed geweest? Historici en politicologen hebben in de afgelopen twee decennia met deze vraag geworsteld. Van oudsher zijn politiek historici gewend om invloed te taxeren aan de hand van aanwijsbare en vastomlijnde instituties: kabinetten, parlementaire vertegenwoordiging en bovenal de beginselpartij, die sinds de negentiende eeuw haar opmars maakte en in hoge mate heeft bepaald wat ons idee van politieke invloed is. De organisatievorm die neoliberalen verkozen, past niet in dit plaatje. Dit maakt hun organisatievorm moeilijk te typeren: vormden ze een netwerk, een beweging, een ‘gedachtencollectief’?4 Laat staan dat een politiek historicus over eenduidige maatstaven beschikt om de politieke invloed van de neoliberalen vast te stellen. Vertrouwde graadmeters, zoals de inhoud van partijprogramma’s, geboekte verkiezingsuitslagen of kabinetsdeelname, volstaan niet buiten de kaders van een klassieke politieke partij die politieke invloed formaliseert, kanaliseert en daardoor zichtbaar maakt.

Om tot nieuwe graadmeters te komen, is het van belang te begrijpen waarom neoliberalen niet tot partijvorming overgingen. Dit heeft alles te maken met hun voorstelling van politiek, die zich moeilijk met de beginselpartij liet rijmen. Een vooraanstaand intellectueel als de Oostenrijkse econoom Friedrich Hayek, een van de belangrijkste neoliberalen van zijn tijd, verklaarde in de jaren veertig dat hij niet geïnteresseerd was in partijpolitiek, maar wel in een ideeënstrijd die het gevestigde politieke denkkader op de schop moest nemen. Toen Hayek met een kleine groep gelijkgestemden in 1947 de Mont Pèlerin Society oprichtte, kraamkamer en zenuwcentrum van het internationale neoliberalisme, omarmde hij dan ook de retorische uitsmijter waarmee de Britse econoom John Maynard Keynes zijn General Theory had afgesloten: ‘The ideas of economists and political philosophers, both when they are right and when they are wrong, are more powerful than is commonly understood. Indeed the world is ruled by little else.’5 Drie jaar eerder had Hayek in zijn beroemd geworden pamflet The Road to Serfdom gewaarschuwd dat het vrije Westen nooit van nazi-Duitsland zou kunnen winnen als het de ideeën achter het nationaal-socialisme niet begreep.6

Ideeën vormden volgens Hayek de drijvende kracht achter politiek. Daarom kon een wedergeboorte van het liberalisme alleen via een gerichte ideeënstrijd slagen, en toonde Hayek zich wars van electoraal gewin op korte termijn; waarschijnlijk zou het wel dertig jaar duren eer de neoliberale strijd vruchten afwierp.7 Met zijn intellectualistische politieke denkbeelden stond Hayek niet alleen. De Duitse econoom Wilhelm Röpke, waarmee Hayek nauwe contacten onderhield, huldigde vergelijkbare opvattingen. Hij meende dat Europa na de Eerste Wereldoorlog ten prooi was gevallen aan het ‘collectivisme’: een alomvattend staatsingrijpen op sociaaleconomisch gebied, dat alle ruimte aan individu en samenleving ontnam.8 Dit collectivisme werd door welwillende socialisten gepredikt, maar deze socialisten hadden niet door dat zij met hun staatsgeoriënteerde ideologie de vrijheid afschaften die zij zegden te bestendigen. Maar ook in het socialistische kamp, dat door de neoliberalen zo fel werd bestreden, heerste de gedachte dat ideeën belangrijk, zo niet van fundamenteel belang waren voor politieke strijd. De Hongaars-Britse theoreticus Karl Mannheim stelde in 1940 vast dat het totalitarisme voortkwam uit de intellectuele gebreken van laissez-faire liberalisme, en dat de liberale idealen van individuele vrijheid en verantwoordelijkheid slechts beschermd konden worden als het naoorlogse politiek-bestuurlijke instrumentarium op een nieuwe intellectuele leest werd geschoeid.9 Deze gedachte werd vervolgens op allerlei manieren uitgewerkt, onder andere aan de hand van het tegenwoordig onbekende, maar destijds veelgelezen boek The Planning of Free Societies van de Poolse politiek econoom Ferdynand Zweig.

In de intellectualistische voorstelling die zij zich van politiek maakten, toonden sociaaldemocraten en neoliberalen zich kinderen van hun tijd. In de politiek van de jaren dertig en veertig woedde immers een hevige ideeënstrijd. Volgens de Schotse politiek econoom Mark Blyth had dit alles te maken met de economische en democratische crisis van de jaren dertig en de diepe onzekerheid die zij teweegbracht. Blyth constateert dat politiek historici en politicologen instituties en belangen in de regel hoger schatten dan ideeën, en geeft hun daarin voor een deel gelijk: meestal vormen zij de centrale as van de politiek.10 Instituties, zoals partijen, verkiezingen, peilingen en ambtelijke adviesorganen, structureren het politieke leven en houden het beheersbaar en voorspelbaar.11 Belangen bieden mensen de mogelijkheid zich politiek te organiseren, waarbij ideeën en belangen nauw verbonden raken. Tijdens een crisis, stelt Blyth, verandert deze situatie. Door een hevige crisis verliezen instituties hun vanzelfsprekende gezag. Mensen geloven niet in beurzen die plotseling instorten, in politieke partijen die ‘laissez-faire’ als oplossing voorschrijven voor een crisis die daar naar hun idee door werd veroorzaakt of in een gouden standaard die volgens hen de armoede in stand houdt. Instituties worden ondergraven, het politieke leven verliest zijn voorspelbaarheid en mensen kunnen niet langer inschatten waar hun belangen liggen. Dient een ondernemer zijn eigen belangen het beste door overheidsingrijpen in de economie te bestrijden, of moet hij overheidsingrijpen aanvaarden om een groter kwaad – de socialistische revolutie – af te wenden? Moet een burger zijn geld op de bank laten staan, omdat deze toch wel door de overheid gered zal worden, of doet hij er goed aan zijn geld op te nemen en zelf te bewaren? In dergelijke situaties winnen ideeën aan betekenis. Politici gebruiken ze om de politiek-maatschappelijke situatie te herinterpreteren, nieuwe coalities te smeden, blauwdrukken voor nieuwe instituties te ontwerpen en de crisis te bezweren.12

De grote verdienste van Blyths theorie is dat het ‘overgangspolitiek’ in crisistijd scheidt van conventionele politiek, en daarmee politieke regimewisselingen inzichtelijk maakt.13 Een inzicht dat daar logischerwijs uit volgt – maar niet nader door Blyth wordt uitgewerkt – is dat politieke bewegingen die het belang van ideeën tijdig onderkennen, veel invloed kunnen verwerven in crisistijd. Het meest voor de hand liggende voorbeeld hiervan is de opkomst van de verzorgingsstaat als antwoord op de crisis van de jaren dertig. Zoals Kees-Jan van Klaveren overtuigend heeft laten zien, werd de naoorlogse politieke orde gevestigd op het idee dat alleen een individu dat is gevrijwaard van bestaansonzekerheid, in vrijheid verantwoordelijkheid kan dragen.14 Dit nieuwe idee bracht sociaal-liberalen, sociaaldemocraten en progressieve protestanten en katholieken in veel West-Europese landen bij elkaar. Sociale zekerheid werd door hen tot fundament van democratische vrijheid verklaard. Dit ideaal was daarmee echter nog bepaald niet onomstreden. Historici hebben vaak verondersteld dat de verzorgingsstaat het min of meer vanzelfsprekende antwoord werd op een lange periode van crisis en oorlog. Zoals zal blijken, moest zij echter worden bevochten op een ander kamp, dat in de ideeënstrijd over sociale zekerheid snel aanhang verwierf. Dit was het kamp van de neoliberalen.

Wie waren deze neoliberalen en wat bond hen? Intellectueel-historici hebben de afgelopen jaren hardhandig afgerekend met het beeld van één samenhangend neoliberaal project dat geleidelijk over de wereld werd uitgerold.15 Wie zich het neoliberalisme als één samenhangende politieke beweging voorstelt, behandelt het te veel als een conventionele beginselpartij. Critici hebben terecht opgemerkt dat een dergelijk neoliberalisme nooit heeft bestaan. Hoewel het begrip ‘neoliberalisme’ in de late jaren dertig werd gemunt in kringen rondom Hayek, viel het woord maar weinig en bestond zelfs onder aanhangers weinig overeenstemming over de betekenis ervan.16 Dat betekent echter niet dat het neoliberalisme nooit als min of meer samenhangende stroming heeft bestaan. Wie geen eigen partij opricht, maar een ideeënpolitiek wil voeren binnen gevestigde partijen, heeft er immers weinig belang bij om zich als zelfbenoemde ‘neoliberaal’ te onderscheiden en ideeën onder dat vaandel uit te dragen. Terecht hebben intellectueel historici het vroege neoliberale netwerk dan ook getypeerd als een ‘gedachtencollectief’ waarin sterk resonerende ideeën met elkaar in verband werden gebracht met de bedoeling ze buiten het eigen netwerk te verspreiden.17 De nauwe relaties die de leden van het neoliberale netwerk met elkaar onderhielden, en de omstreden boodschap die het netwerk bond, laten zien dat het de vroege neoliberalen menens was met hun ideeënstrijd.

Het vroege neoliberale netwerk ontleende zijn samenhang aan drie gedeelde veronderstellingen. Ten eerste onderschreven de neoliberalen een interpretatie van het recente verleden waarin de schuld voor de totalitaire staat en Hitler-Duitsland bij de socialisten werd gelegd. Deze redenering werd in de jaren dertig door de Amerikaanse journalist Walter Lippmann op papier gezet en bereikte in de jaren veertig dankzij Hayek en Röpke een breed Europees publiek.18 In hoofdlijnen verliep de argumentatie als volgt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren de overheden van verschillende Europese landen en de Verenigde Staten zich in toenemende mate gaan bemoeien met de economie, omdat de oorlogssituatie hen daartoe noopte. Omdat hiermee grote resultaten werden geboekt, werden deze staatsinterventies in vredestijd voortgezet. Hiermee perkte de overheid het mechanisme van de vrije concurrentie geleidelijk in. Omdat vrije concurrentie de machtsuitoefening van het ene individu over het andere voorkwam – het verzekerde immers de permanente strijd van allen tegen allen – was de inperking van dit beginsel funest geweest. De overheid was steeds meer economische en politieke macht in zich gaan verenigen. Zo was in de jaren dertig de totalitaire staat ontstaan die uiteindelijk tot de Tweede Wereldoorlog had geleid. Lippmann, Röpke en Hayek rekenden alle politieke stromingen die de vrije markt wilden inperken (van communisme tot sociaal-liberalisme) tot het socialisme, en schiepen daarmee een ‘binaire mythe’: alle wegen, behalve die van het neoliberalisme, waren socialistisch en leidden dientengevolge naar de totalitaire staat. Socialisten hadden weliswaar goede bedoelingen, maar hun politieke ideeën hadden desastreuse gevolgen. Hayek droeg The Road to Serfdom dan ook op aan ‘the socialists of all parties’ in de hoop hen tot inkeer te brengen.19

Naast de binaire mythe deelden de neoliberalen nog een tweede veronderstelling: de gedachte dat politiek in essentie om ideeën draaide. Dit beginsel vormde de kern van hun kritiek op het klassiek-liberalisme, dat zij net als het socialisme en het sociaal-liberalisme afwezen. Hayek meende dat het ondoordachte laissez-fairebeleid van de klassiek-liberalen de weg naar het socialisme had geplaveid. Hij schreef dat ‘nothing has done so much harm to the liberal cause as the wooden insistence of some liberals on certain rough rules of thumb, above all the principle of laissez-faire.’20 Door de markt vrij te laten, hadden klassiek-liberalen haar onvoldoende beschermd tegen kartel- en monopolievorming. Hieruit was de economische crisis van 1929 ontstaan die de socialisten in de kaart had gespeeld. De neoliberalen meenden dat de staat op economisch terrein geen toeschouwer, maar scheidsrechter moest zijn. Zij moest de markt niet vrijlaten maar aanjagen, door vrije concurrentie aan te moedigen.21 Alleen via een geharnaste strijd tegen economische machtsconcentraties kon een terugval in totalitarisme worden afgewend. Dit was de derde veronderstelling die neoliberalen deelden: de overheid moest een actieve rol spelen in een ‘maakbare economie’, niet door haar te plannen, maar door het beginsel van vrije concurrentie aan te jagen en te vervolmaken.22

Omdat deze politieke agenda met haar bijbehorende, karakteristieke voorstelling van politiek als ideeënstrijd en haar heftig verzet tegen socialisten en klassiek-liberalen breed werd gedeeld binnen het eerdergenoemde liberale netwerk uit de jaren dertig, hebben historici met recht van een onderscheidend neoliberaal gedachtencollectief of netwerk gesproken. Onder invloed van de oorlog kreeg dit netwerk in de jaren veertig steeds meer politieke zeggingskracht. In zes jaar veranderde het politieke speelveld voor de liberalen ingrijpend, omdat Groot-Brittannië en de Verenigde Staten tijdens de oorlog bereid bleken om de vrije markt drastisch in te perken door de introductie van sociale zekerheid. Het rapport Social Insurance and Allied Services, dat onder leiding van William Beveridge in Groot-Brittannië in 1942 werd opgesteld, schetste hiervoor de contouren. De commissie beargumenteerde de wenselijkheid van sociale zekerheid in een pleidooi voor ‘co-operation between the State and the individual’ die in stelling werd gebracht tegen de eerdergenoemde ‘five giants on the road to reconstruction’: behoeftigheid, ziekte, onwetendheid, misère en werkloosheid.23 Sociale zekerheid was niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk, omdat het vooroorlogse laissez-fairebeleid de vijf reuzen had geschapen die de vooroorlogse samenleving verpulverden.

Drie jaar later verscheen het rapport van de Nederlandse Commissie-Van Rhijn over sociale zekerheid en kreeg de strijd om sociale zekerheid ook in Nederland wind in de zeilen. Het rapport was geschreven in opdracht van een extraparlementaire regering in ballingschap met een beperkt mandaat. Toch rekende het rapport in niet mis te verstane woorden af met het vooroorlogse laissez-fairebeleid. Volgens de commissie-Van Rhijn werden middenstanders sinds de beurskrach van 1929 in hun bestaan bedreigd door de ‘algemeen economische ontreddering’.24 Deze ontreddering kon voortbestaan, omdat de economische crisis op haar beloop was gelaten en schadelijke machtsconcentraties in het bedrijfsleven ongemoeid bleven. De gevolgen hiervan waren ernstig: ‘Het wordt immers weinig meer betwijfeld, dat de opkomst van een verderfelijke beweging als het Nationaal-Socialisme mede te wijten is aan de ontevredenheid van werklooze arbeiders, ontwortelde middenstanders, verdrukte boeren, en een te laag beloond boordenproletariaat.’25 Wie sociale zekerheid nog voorstelde als een ‘veren bedje’ of als ‘Lazy Man’s Paradise’ moest zich tweemaal bedenken: in de strijd tegen totalitarisme was zij noodzakelijk geworden.26

Met hun boodschap dat het totalitarisme alleen via sociale zekerheid kon worden afgewend, kwamen Beveridge en Van Rhijn lijnrecht tegenover de neoliberalen te staan. Terwijl neoliberalen meenden dat de totalitaire staat voortkwam uit de inperking van de vrije markt, meenden voorstanders van sociale zekerheid dat de totalitaire staat alleen kon worden afgewend als de overheid het vrije marktkapitalisme voortaan in bedwang zou houden. Waar neoliberalen de competitie tussen individuen als het fundament voor menselijke vrijheid beschouwden, vestigden hun tegenstanders alle hoop op bestaanszekerheid als het fundament voor de naoorlogse democratie. Op andere terreinen leken beide partijen juist sterk op elkaar. Beide bestempelden de terugkeer van de totalitaire samenleving als hét politieke vraagstuk van hun tijd, en veronderstelden dat die slechts kon worden gedwarsboomd door ‘het enige juiste’ economische beleid. Hiermee verhieven beide partijen economisch beleid tot hét fundament voor politiek en beleid, met de overheid in de hoofdrol. Ten slotte veronderstelden beide partijen dat de economie maakbaar was, en dus afhankelijk van ideeën. In hun voorstelling van politiek als ideeënstrijd vonden socialisten en neoliberalen elkaar. Juist daarom namen zij elkaar als politieke tegenstanders uiterst serieus en zouden hun denkbeelden zich binnen deze antagonistische verhouding verder ontwikkelen.

Affiche van de Partij van de Arbeid, getekend door Nico Broekman (1947).

Behorend bij de collectie ‘Afficheproject’ van het Internationaal Instituut voor

Sociale Geschiedenis, Amsterdam.

De moeizame opbouw van een neoliberaal netwerk

Historici hebben vooralsnog weinig belangstelling getoond voor de harde, openlijke strijd die neoliberalen en sociaaldemocraten kort na de oorlog met elkaar voerden. Politiek historici hebben het neoliberale gedachtencollectief over het hoofd gezien, omdat dit nooit de vorm van een beginselpartij heeft aangenomen. Specialisten op het terrein van neoliberalisme hebben het politieke netwerk van de neoliberalen blootgelegd en ontleed om aan te tonen dat het neoliberalisme een samenhangende politieke stroming was, maar hebben vooralsnog weinig aandacht besteed aan de verspreiding van neoliberale ideeën buiten eigen kring. Hierdoor is de vroege neoliberale beweging lang onder de radar van de politieke geschiedschrijving gebleven. Aan het einde van de jaren negentig typeerde Mark Mazower een neoliberaal als Hayek nog altijd als een roepende in de woestijn, wiens ideeën pas vier decennia later aan invloed zouden winnen.27 Intellectueel historici hebben er in de kantlijn van hun betoog incidenteel op gewezen dat diezelfde Hayek in de jaren veertig maandenlang de Amerikaanse bestsellerslijsten aanvoerde, dat zijn boek in Groot-Brittannië ondanks de papierschaarste 40.000 keer werd gedrukt, en dat het boek in verkorte vorm onder de 600.000 abonnees van The Reader’s Digest werd verspreid.28 Ze hebben de bredere reikwijdte en invloed van neoliberale ideeën in de jaren veertig echter tot nu toe niet onderzocht, en wekken niet zelden de indruk dat het vroege neoliberalisme geen noemenswaardige publieke zichtbaarheid kende.29

Hiermee onderschatten zij de politieke slagkracht van de vroege neoliberalen. Die vormden in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog een effectieve politieke beweging die in korte tijd veel ruchtbaarheid aan haar ideeën wist te geven. Toen de romanschrijver J.J. Voskuil in de jaren zestig zijn herinneringen aan zijn studententijd optekende, herinnerde hij zich nog goed hoezeer zijn communistische studiegenoot Paul in de tijd van de eerste naoorlogse verkiezingen meende ‘dat we alles [moeten] mobiliseren als tegenwicht tegen de schoftenstreken van de Burgerrecht-troep’ – het netwerk van de Nederlandse neoliberalen.30 In de eerste naoorlogse jaren ging het inderdaad om sociale zekerheid of neoliberalisme. Nederlandse neoliberalen probeerden, in nauwe samenspraak met hun collega’s uit andere landen, invloed te verwerven in het opkomende debat over sociale zekerheid. Aanvankelijk leken zij geen serieus te nemen partij. Groot-Brittannië en de Verenigde Staten hadden zich in de Tweede Wereldoorlog aan het ideaal van sociale zekerheid gecommitteerd, en met het Britse model van de welfarestate werd dit ideaal omgezet in uitvoerbaar beleid.31 Terwijl theoretici als Karl Mannheim en Ferdynand Zweig het einde van laissez-faire afkondigden, begonnen de Britten in hun West-Duitse bezettingszone te experimenteren met de geleide economie.32 En terwijl in Nederland het rapport van de commissie-Van Rhijn werd gepubliceerd, boekten de Nederlandse liberalen hun slechtste verkiezingsuitslag ooit: zes parlementszetels, bijna een halvering van de reeds magere uitslag uit 1939.33

In deze sombere atmosfeer reisde grootindustrieel Henri Keus af naar de Verenigde Staten. Keus was directeur van de Hengelosche Electrische en Mechanische Apparaten Fabriek (HEEMAF), een bedrijf dat zich toelegde op huishoudelijke apparatuur en industriële elektrotechniek als treinbouw, ongeveer zoals het Duitse Siemens. Binnen de Nederlandse zakenwereld was Keus een invloedrijk man, en daarom voorzag de Nederlandse overheid hem in november 1945 van een geprioriteerde plaats op de Holland-Amerikalijn, opdat hij in de Verenigde Staten de zakelijke belangen van zijn bedrijf kon behartigen.

Eenmaal in Amerika aangekomen, gebruikte Keus zijn tijd niet alleen om zakelijke activiteiten te ontplooien, maar bouwde hij ook in korte tijd een indrukwekkend politiek netwerk op. Gewapend met aanbevelingsbrieven van de Duitse econoom Wilhelm Röpke, met wie Keus tijdens de oorlog intensief had gecorrespondeerd, legde hij contacten met allerlei liberalen van soortgelijke snit in de universitaire wereld, de zakenwereld, de ambtenarij en de politiek. Kort voor de oorlog had Keus zich voor het eerst op politiek terrein gewaagd, toen hij zich in 1939 aansloot bij het pas opgerichte Comité ter Bestudering van Ordeningsvraagstukken. Dit was een proto-neoliberale organisatie die blijkens haar beginselverklaring onderzocht of de economische ‘ordening’ van Nederland ‘voldoet aan de voorwaarde, dat het oeconomisch leven er door wordt versterkt’.34 Tijdens de oorlog had Keus zijn denkbeelden onder invloed van Röpke aangescherpt. Tijdens de bezetting gaf hij lezingen over de vernieuwing van het liberalisme en schreef hij hierover boeken die opmerkelijk genoeg de censuur doorstonden.35 Kort na de oorlog was hij voor een Belgisch publiek uit de kast gekomen als ‘entrepreneur neo-libéral’.36 In de Verenigde Staten hoopte hij een internationaal politiek netwerk op te bouwen om zijn ideeën verder te verspreiden.

Intussen hield Keus’ vertrouweling Frits Willink, de tweede directeur van de HEEMAF, hem via brieven op de hoogte van de politieke gang van zaken aan het thuisfront. Die leek zorgelijk. Willink schreef dat hij onlangs bij een buurtbijeenkomst van de Nederlandse Volksbeweging (NVB) was geweest, een buitenparlementaire voorloper van de PvdA. ‘Men schijnt over het hele land dergelijke houseparties te arrangeeren,’ schreef Willink, en inmiddels was hem ‘volkomen duidelijk geworden, dat de Volksbeweging de Nederlandsche “labourparty” wil worden. Men komt er volkomen openlijk voor uit, dat men socialistisch en antikapitalistisch is en voor [de] geleide economie’.37 Katholieken en vrijzinnig-democraten werden voor de zaak geronseld. Voor een kentering was het nog te vroeg, dacht Willink, ‘maar dat deze komen gaat, geloof ik zeker.’

Reeds voor zijn vertrek had Keus een voorproefje gekregen van wat Nederland te wachten stond. In juni 1945 had minister-president Willem Schermerhorn, die zich later bij de PvdA zou aansluiten, in een radiorede de toon gezet. De kersverse premier kondigde vergaande sociaaleconomische maatregelen aan. Hij verklaarde dat de ‘gelijkmatige verdeling van de armoede in ons volk’ voorwaarde was voor de wederopbouw van Nederland en schetste de contouren van een centraal economisch plan dat de belastingpolitiek, de loon- en prijspolitiek, de sociale politiek en de arbeidsmarkt moest dekken. Ook zouden de mijnbouw en de Nederlandse Bank worden genationaliseerd en werd de nationalisatie van andere bedrijfstakken overwogen.38 Het pas opgerichte Centraal Planbureau leek het symbool te worden voor de nieuwe economische orde: voortaan werd de markt in Nederland gepland.

Een verstrekkend wetsvoorstel van minister Hein Vos op het terrein van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie liet zien dat het kabinet zich niet tot goede voornemens wilde beperken.39 Tegen deze achtergrond kwam de tegenmobilisatie van de neoliberalen op gang. Terwijl Keus in de Verenigde Staten verbleef, werd in Nederland de ‘Federatie van Nederlandsche bedrijven ter bestrijding van economische dictatuur en ter bevordering van het particulier initiatief’ (FNB) opgericht, die naar voorbeeld van de NVB ‘een stroming in het maatschappelijk leven’ wilde zijn, ‘dus in de politieke partijen’.40 Ze wilde de vrije markt herstellen en streed daarmee naar eigen inzicht voor gezonde economische én democratische verhoudingen: ‘De dictatuur in West-Europa, ontstaan op het terrein van de politiek, is overwonnen. De Federatie wil thans waakzaam zijn om te voorkomen, dat eenzelfde dictatuur weer binnensluipt via het terrein van de economie.’41

Vrije markt en democratie waren volgens de FNB één, en dat verhaal sprak aan: binnen twee jaar traden vijf- tot zesduizend bedrijven tot de achterban toe.42 Aangemoedigd door hun successen in de ondernemerswereld wilden de oprichters van de FNB nu ‘doorstoten tot ons volk’, en daarom werd in 1947 een nieuwe organisatie in het leven geroepen: het Comité Burgerrecht.43 Burgerrecht moest zich bij monde van haar voorzitter J. van den Berge toeleggen op een politieke ideeënstrijd die het politieke speelveld drastisch kon veranderen, want ‘indien de massa anders gaat denken, dan denken ook de politieke leiders weldra anders. Wij moeten werken naar het verkrijgen van een toestand en daardoor infiltrerend werk doen.’

Wat die ‘infiltratie’ in de praktijk behelsde, moest vervolgens in een weerbarstige politieke praktijk worden uitgedacht. Hoewel de Nederlandse neoliberalen zich, evenals hun buitenlandse collega’s, uiteindelijk zouden toeleggen op een ideeënstrijd, werd die strategie pas dominant nadat rivaliserende strategieën het onderspit hadden gedolven. Eén van die mislukte strategieën werd aanvankelijk aangehangen door de Zeeuwse dichter L.M. van Breen, een van de voornaamste organisatorische krachten achter Burgerrecht. Hij probeerde op ronduit samenzweerderige wijze politieke invloed te verwerven in het nationale en internationale perslandschap. In 1948 werkte Van Breen met Röpke aan een internationaal gezaghebbend wetenschappelijk tijdschrift dat volgens Van Breen echter stiekem was bedoeld ‘om het “neo-liberalisme” een geestelijke basis en een stoottroep te verschaffen’.44 Van Breens metgezel Abraham Zeegers probeerde tevens wetenschappelijk benoemingsbeleid te beïnvloeden. Toen de jurist I.A. Diepenhorst in 1949 tijdelijk vertrok van de Vrije Universiteit, probeerde Zeegers ervoor te zorgen dat ‘deze leerstoel nu eens niet in handen van een hele of halve voorstander van de huidige economische politiek viel’.45 Intussen kocht Van Breen in 1949 het tijdschrift De Prinsestad aan om ‘een ontspanningsblad in ten dele linkse kringen te brengen en daarin tevens te velde te trekken tegen de geleide economie, zonder dat de lezers weglopen’.46 Een jaar later nam Burgerrecht ook deHaagse Post over, maar dat werd een fiasco: de redactie stapte uit protest op en de pers kreeg lucht van de ‘stille’ overname.47 Al met al werd via de weg van samenzweringen weinig tot niets bereikt.

Andere sympathisanten van Burgerrecht besloten hun geluk in de partijpolitiek te beproeven, maar ook daar kregen zij weinig voor elkaar. De meest ontmoedigende poging was de oprichting van de Partij voor Recht, Vrijheid en Welvaart in 1951. Met deze partij trok een aantal leden van Burgerrecht van leer tegen het economisch ‘dirigisme’. De meeste leden van Burgerrecht zagen evenwel weinig in partijvorming, zodat de partij zelfs in kleine kring weinig steun genoot. Bovendien was zij pas kort voor de verkiezingen opgericht en rommelig georganiseerd. De PRVW behaalde hierdoor niet meer dan 0,36 procent van de stemmen – veel te weinig voor een Kamerzetel.48

De katholieke parlementariër Charles Welter boekte iets meer succes. Hij scheidde zich in 1948 van de Katholieke Volkspartij af en richtte de Katholieke Nationale Partij (KNP) op. Hoewel deze partij in de bestaande literatuur vooral in verband wordt gebracht met de Indiëkwestie, profileerde Welter zich primair op sociaaleconomisch terrein en trachtte hij in het tijdschrift Burgerrecht een neoliberaal electoraat aan zich te binden via advertenties en interviews, waarin de redactie graag voorzag.49 Verder dan twee Kamerzetels kwam hij echter niet, en binnen het netwerk van Burgerrecht werd de partijpolitiek van Welter als een politiek zijspoor beschouwd: nuttig om aandacht mee te genereren, maar niet van wezenlijk belang voor de zaak.

Gefotografeerd schilderij (door L.D. Keus) van H.I. (Henri) Keus, in opdracht geschilderd door Carel Willink in 1955. Bron: www.holechistorie.nl

Nadat deze strategieën op niets waren uitgelopen, verenigden de leden van Burgerrecht zich in een koers die in de voorgaande jaren sowieso reeds dominant was geweest: het streven naar invloed bínnen gevestigde partijen, op basis van ideeënvorming. Waar de Nederlandse Volksbeweging in aanloop naar de verkiezingen zich vooral mobiliseerde ten bate van één partij, de Partij van de Arbeid, hield Burgerrecht doelbewust afstand van de gevestigde partijpolitiek en hoopte het comité via een ideeënstrijd meerdere partijen voor zich te winnen, en dus een grotere slag te slaan. Een alternatief voor deze benadering was er eigenlijk ook niet: door crisis, totalitarisme en oorlog had het liberalisme toch al geen beste naam gekregen – waarom zou men de eigen ideeën dan onder dat vaandel uitdragen?

Intussen bleven de neoliberalen streven naar interne cohesie en invloed. De interne samenhang kwam onder meer tot uitdrukking in het sterke internationale netwerk dat bestuurslid Henri Keus had opgebouwd, en waarvan het nieuw opgerichte Comité Burgerrecht dankbaar gebruikmaakte. Keus en de Delftse jurist prof. dr. A.C. Josephus Jitta, een prominent lid van Burgerrecht, werden in 1949 uitgenodigd om toe te treden tot de Mont Pèlerin Society. Samen organiseerden zij de derde conferentie van deze vooraanstaande neoliberale denktank in 1950 in Bloemendaal. De conferentie werd vervolgens gebruikt om aandacht voor de eigen politieke denkbeelden te genereren en een breder publiek te bereiken. Friedrich Hayek, Wilhelm Röpke en de geharnaste Oostenrijkse liberaal Ludwig von Mises trokken brede aandacht in de Nederlandse pers dankzij de inspanningen van de Koninklijke Vereniging voor Staathuishoudkunde, die een publieksbijeenkomst belegde waar academici, politici en de nationale pers kennis konden maken met deze gezaghebbende neoliberale kopstukken.50

Met de oprichting van Burgerrecht ontstond wat de politicoloog Maarten Hajer een ‘discourscoalitie’ heeft genoemd: een groep geestverwanten die een specifiek politiek taalgebruik met elkaar delen en zich op basis daarvan verenigen.51 Burgerrecht trok ten strijde tegen het ‘economisch dirigisme’, de ‘planning’ en het ‘collectivisme’ die volgens de leden van het comité de opmars vormden naar de totalitaire staat. Daartoe bracht Burgerrecht boeken van neoliberalen onder de aandacht van Nederlandse uitgeverijen en legde het contact met het verwante Comité ter Bestudering van Ordeningsvraagtukken, dat neoliberale lezingen in druk verspreidde.52 Tussen 1947 en 1957 gaf dit comité maar liefst 66 lezingen van 48 denkers uit, die vrijwel zonder uitzondering aan de Mont Pèlerin Society waren verbonden. Ook haalde Burgerrecht Wilhelm Röpke meermaals voor lezingenreeksen naar Nederland. Daarnaast wist Van Breen, de onvermoeibare organisator achter Burgerrecht, radiozendtijd bij de AVRO los te peuteren, waarin bestuursleden van Burgerrecht eens per twee weken waarschuwden tegen de geest van het ‘Duitse collectivisme’ – een term die zij aan Röpke ontleenden.53 Af en toe werden deze pleidooien kracht bijgezet door interviews met internationaal gerenommeerde wetenschappers die deze waarschuwingen van een wetenschappelijk fundament mochten voorzien.

Al met al richtte de hoofdstroom van Burgerrecht zich dus op het verwerven van invloed via een ideeënstrijd. Spoedig zou die strategie vruchten afwerpen, vooral in academische kringen en beleidskringen. Bovendien wist Burgerrecht liberalen voor zich te winnen, socialisten tegen zich in het harnas te jagen en de confessionele partijen over het vraagstuk van sociale zekerheid te verdelen.

Het succes van de ideeënstrijd

De late jaren veertig boden Burgerrecht uitgelezen kansen om de strategie van een politieke ideeënstrijd te beproeven. Het kabinet-Schermerhorn was met zijn ondubbelzinnige keuze voor planning een ideale stroman voor de neoliberalen. Bovendien legde de nieuw opgerichte Partij van de Arbeid zich vast op sociale zekerheid en kreeg zij bijval van de KVP.54 Hoewel de katholieken al te innige samenwerking met de PvdA afwezen en bovendien meer ruimte opeisten voor het particulier initiatief, kende ook de KVP ruime sociaaleconomische bevoegdheden toe aan de overheid. De partij bepleitte een constructieve prijs- en loonpolitiek, een algemeen gezondheidsplan en een stelsel van bestaanszekerheid waarin arbeidersgezinnen ‘een redelijk aandeel verkrijgen in de nationale welvaart en de toeneming daarvan’.55 De overtuiging dat de massawerkloosheid van de jaren dertig tot de oorlog had geleid, maakte de katholieken ontvankelijk voor overheidsingrijpen. Hierdoor was na de oorlog een coalitie mogelijk geworden die vergaande planning van de economie gestalte kon geven. In de oprichting van het Centraal Planbureau (1945) en de Sociaal-Economische Raad (1950) zagen tegenstanders van het economisch dirigisme aanvankelijk hun ergste vermoedens bevestigd.

Hoezeer de scheiding der geesten zich inmiddels had voltrokken, werd duidelijk toen het Instituut voor Sociaal Onderzoek van het Nederlandse Volk in 1947 een expertmeeting belegde over het thema van ‘maatschappelijke planning’. De bijeenkomst was bedoeld als een constructieve beleidsdag waar vooraanstaande specialisten, waaronder topambtenaar Aat van Rhijn, econoom Jan Tinbergen en minister Hein Vos, samen zouden werken aan het omzetten van het ideaal van sociale zekerheid in concreet politiek beleid.

Tot beleidsvoorstellen kwam het echter niet. Spoedig nadat dagvoorzitter Tinbergen de zitting had geopend, barstte de bom. Josephus Jitta, die kort daarna zou aantreden als bestuurslid van de Mont Pèlerin Society, kreeg het woord en waarschuwde op hoge toon dat het ideaal van maatschappelijke planning ontegenzeggelijk zou uitmonden in de totalitaire staat.56 Een zekere F.R. Boot viel hem bij, en betoogde dat ‘een vis in een aquarium [...] evenmin [vrij is] als een vogel in de dierentuin. Beide hebben ongetwijfeld “sociale zekerheid” en zijn misschien heel gelukkig evenals de mensen in D.P. camps misschien ook gelukkig zijn met hun “freedom from want” en “freedom from fear”.’57 Volgens Boot zou het streven naar sociale zekerheid ‘overeenkomstig Hayeks voorspelling of liever bewijs overal “the worst on top” laten komen, omdat de fatsoenlijken op een gegeven moment steeds voor onfatsoenlijke dwang zullen terugschrikken.’ Voorstanders van sociale zekerheid lieten zich evenwel niet in het nauw drijven door deze felle aanval. In reactie op de opmerkingen van Josephus Jitta en Boot verklaarde Van Rhijn dat hij beider betoog met afschuw had aangehoord. Vooral het feit dat Jitta maar niet wilde begrijpen dat het tijdperk van laissez-faire voorbij was, en dat bestaanszekerheid en conjunctuurbeleid de voorwaarden schiepen voor vrijheid, stoorde hem zeer:

De heer Josephus Jitta heeft gezegd: de conjunctuurwisseling werkt zuiverend. Ik heb even gehuiverd, toen hij dat zei. [...] Is het zuiverend, wanneer er dertig millioen werklozen in de wereld zijn? Hoe groot zijn de zedelijke, sociale, economische en politieke rampen, die wij daardoor hebben beleefd! Is niet de algemene mening, dat het nationaal-socialisme zulk een geweldige invloed heeft kunnen krijgen tengevolge van het feit, dat men in Duitsland zes millioen werklozen had, waardoor een grote massa bereid was ieder te volgen, die verbetering beloofde? Mag men in zulk een geval van een zuiverende werking spreken?58

De tweestrijd die zich tijdens het congres over maatschappelijke planning aftekende, beheerste de rest van de dag en maakte de bijeenkomst tot een mislukking, zo oordeelde althans dagvoorzitter Tinbergen. Ter afsluiting van het congres stelde hij teleurgesteld vast dat de bijeenkomst wéér was uitgelopen op een debat over de vraag of planning wenselijk en onvermijdelijk was, terwijl het bestuur ‘zich eigenlijk al min of meer op het standpunt [had] gesteld, dat die vraag beantwoord was’.59 Maar zoals de academici en beleidsmakers in oktober 1947 geen overeenstemming over het vraagstuk van maatschappelijke planning wisten te bereiken en uiteenvielen in een socialistisch en een neoliberaal kamp, zo werd ook buiten de congreszaal veelvuldig en op hoge toon over dit vraagstuk gedebatteerd. De neoliberale ideeënstrijd begon zijn vruchten af te werpen.

Dit blijkt vooral uit de invloed die Burgerrecht verwierf buiten eigen kring. Gevestigde partijen begonnen neoliberaal taalgebruik in meer of mindere mate over te nemen, en toonden belangstelling voor het achterliggende gedachtengoed. Zo sprak de nieuw opgerichte liberale Partij van de Vrijheid (PvdV) zich in de verkiezingsstrijd van 1946 uit tegen het socialisme, niet omdat socialisten de vrijheid van het individu niet zouden respecteren of marxistisch zouden zijn, maar omdat hun plannen voor socialisatie zouden leiden tot ‘een machtspositie, die daardoor alle gebieden des levens onderwerpt aan dwang’.60 Het neoliberale idee dat marktwerking economische machtsconcentraties voorkwam en daarmee waarborgen bood voor de menselijke vrijheid als zodanig, werd door de PvdV ten volle onderschreven – en daar bleef het niet bij.

De antirevolutionairen sloten in dezelfde verkiezingsstrijd nog nauwer bij de boodschap van Burgerrecht aan. In het heetst van de strijd verklaarde de ARP dat sociale zekerheid uitmondde in ‘een middeleeuwsche horigheid, die in dezen tijd in Sovjet-Rusland en in Hitler-Duitschland moderne voorbeelden vond’.61 Het specifieke gebruik van het begrip ‘horigheid’ was niet alleen een rechtstreekse verwijzing naar Hayek, maar ook het denkbeeld dat beide totalitaire staten in het leven waren geroepen door hetzelfde desastreuze economische beleid verraadt neoliberale invloed. Voorts predikte de ARP de afstand tussen overheid en samenleving omdat ‘staatsalmacht en staatssocialisme, de gevaarlijkste [was] van onzen tijd’.62 De partij sloeg hiermee een anti-etatistische toon aan die wortels had in het gereformeerde beginsel van soevereiniteit in eigen kring.63 Maar van de daarvoor kenmerkende scheiding van de maatschappij in verschillende ‘sferen’ werd met geen woord gerept. De argumentatie van de ARP was economisch en niet juridisch van aard. Het anti-etatisme van de ARP werd aangescherpt en verkocht in de taal van Hayek.

Deze ombuiging in neoliberale richting bleef in protestantse kringen niet onopgemerkt. In navolging van het hervormde blad Tijd en Taak klaagde de Leeuwarder Courant over de wijze waarop de gereformeerden zich lieten beïnvloeden door de ‘neo-liberalen der V.V.D.’.64 De ARP zou langzamerhand gekaapt worden door partijgenoten die met de KVP de weg van het socialisme wilden bewandelen, en door ‘neo-liberalen, die met Röpke en Hayek in hun zak rondlopen. Deze groep is niet groot, maar schreeuwt formidabel’.

Deze neoliberalen kregen alleen maar meer aandacht toen ook tegenstanders binnen de ARP zich uitdrukkelijk tegen het neoliberalisme begonnen te verzetten. VU-econoom en minister van Economische Zaken Jelle Zijlstra behoorde aanvankelijk tot de uitdrukkelijke tegenstanders van het neoliberalisme. In 1951 trok hij in een publiekslezing fel van leer tegen deze nieuwe loot aan de liberale stam, en verklaarde hij dat zelfs het aloude beginsel van soevereiniteit in eigen kring moest worden opgeofferd in de strijd voor inperking van het marktmechanisme.65 Hoewel Zijlstra zich met dit standpunt binnen de partij omstreden maakte, kreeg hij opvallend veel bijval voor zijn onorthodoxe stellingname. De Leeuwarder Courant stookte het vuurtje onder de gereformeerden nog wat verder op. De hervormde krant stelde vast dat het beginsel van soevereiniteit in eigen kring veel gereformeerden dierbaar was, maar achtte het onwenselijk dat ‘zo’n belangrijke bevolkingsgroep door verouderde denkbeelden zichzelf op zo’n belangrijk gebied als het sociaal-economische uitschakelt’.66 Men kon niet telkens maar op Kuyper blijven teruggrijpen.

De felle strijd die binnen de ARP woedde, laat zien dat de partij geen eenduidige socialistische of neoliberale koers voer, maar toont ook aan hoezeer de felle ideeënstrijd tussen beide partijen de antirevolutionairen verlamde. De ARP slaagde er hierdoor nauwelijks in om een consistente, onderscheidende sociaaleconomische koers te varen. Dit probleem beperkte zich niet tot de gereformeerden, maar beheerste de confessionele partijen in de jaren vijftig in het algemeen. Accentverschillen waren duidelijk zichtbaar. Waar de ARP zich op de keper beschouwd het sterkst vereenzelvigde met de neoliberale boodschap, was de KVP eerder tot het socialisme geneigd.67 Die neiging maakte een langdurige regeringssamenwerking met de PvdA mogelijk, maar leidde ook tot een felle interne partijstrijd over het sociaaleconomische vraagstuk binnen de eigen gelederen.

De partijleiding moest de regeringssamenwerking uiteindelijk met een afscheiding bekopen. Hoewel Welters Katholieke Nationale Partij electoraal geen groot succes werd, was de interne strijd evenmin voorbij nadat Welter had afgezwaaid. In het voorjaar van 1951 schreef de Nijmeegse hoogleraar Frans Duynstee een serie artikelen in De Maasbode waarin hij de KVP-partijlijn inzake sociale zekerheid hekelde, omdat hierdoor ‘de sociale structuur in staatssocialistische zin wordt omgevormd’.68 Duynstee dacht dat de partijleiding zélf niet in sociale zekerheid geloofde, maar geen eigen koers durfde uit te zetten en zich daarom maar door de PvdA op sleeptouw liet nemen. Hiermee haalde Duynstee zich de woede van partijvoorzitter W.J. Andriessen op de hals, die hem in verschillende krantenartikelen van repliek diende. Duynstees kritiek vond binnen de partij echter zoveel weerklank, dat fractievoorzitter Carl Romme zich genoodzaakt zag het gevaar van de ‘verzinking in [de] socialistische structuur’ tijdens het partijcongres van 1951 publiekelijk te erkennen.69 Hij zette hiermee de verhoudingen met zijn coalitiepartner op scherp.

Ook binnen de Christelijk-Historische Unie (CHU) begon het te rommelen. In 1955 veroorzaakte de conservatieve senator Carel Gerretson ophef toen hij zijn steun betuigde aan de neoliberaal A.C. Josephus Jitta, die het democratisch-socialisme tijdens een lezing voor de Mont Pèlerin Society in Venetië een contradictio in terminis had genoemd.70 De groeiende overheidsinmenging in de economie (socialisme) moest wel afbreuk doen aan de individuele vrijheid (democratie), betoogde Jitta, die zijn betoog in navolging van Hayek opdroeg aan ‘my many socialist friends in all political parties’.71

Intussen viel voor tijdgenoten moeilijk te voorzien welk kamp de sociaaleconomische strijd zou winnen. In Nederland leek een stelsel van sociale zekerheid weliswaar van de grond te komen, maar de geleide prijspolitiek werd al kort na de Tweede Wereldoorlog afgeschaft, terwijl het Centraal Planbureau en de Sociaal-Economische Raad veel minder gewicht in de schaal legden dan destijds door het kabinet-Schermerhorn werd gehoopt. Daar kwamen de internationale ontwikkelingen nog bij. In 1949 werden in West-Duitsland de eerste Bondsverkiezingen gehouden. De verkiezingsstrijd had zich toegespitst op de sociaaleconomische toekomst van West-Duitsland onder de leuze Markt oder Plan.72 De brede christelijke coalitie van CDU en CSU onder leiding van Konrad Adenauer won nipt van de sociaaldemocratische SPD en voerde in de daaropvolgende jaren onder minister van Economische Zaken Ludwig Erhard een economische agenda die was geïnspireerd op het werk van Röpke. Het Duitse Wirtschaftswunder voorzag het tot dan toe theoretische neoliberalisme van tastbare politieke resultaten en maakte duidelijk dat neoliberaal beleid mogelijk was. Vertwijfeld schreef het katholieke blad De Tijd dat het socialisme ‘tot steeds verdergaande compromissen [wordt] verleid’ terwijl de tegenpartij niet stilzat:

Een neo-liberale reactie breekt zich baan. Op de roep om ‘social security’ en economische gebondenheid is de kreet gevolgd van ‘free enterprise’ [...]. Het maakt echter verschil, of men de maatschappelijke zekerheid slechts ziet als een toegift en vette kluif, door de machthebbers de massa toegeworpen [...] dan wel als een lichtend doel, dat men realistisch poogt te benaderen. En dit realistisch onderzoek loont de moeite, nu [...] het falen van het socialisme een liberale reactie te voorschijn roept, die slechts vrijheid brengt voor de rijken.73

De overtuiging dat het neoliberalisme zou kunnen winnen en dus een volwaardig alternatief was voor het moderne socialisme, leefde breed in confessionele kringen. Dit gevoel werd gevoed door socialisten en liberalen zelf. Tijdens een VVD-partijbijeenkomst in 1952 stelde partijleider P.J. Oud tevreden vast ‘dat men voor het neo-liberalisme, dat wij voorstaan, meer en meer oog begint te krijgen’.74 Een jaar later betoogde PvdA-partijvoorzitter Koos Vorrink op het jaarlijkse congres van zijn partij dat het politieke leven vooral werd bepaald door de tegenstelling tussen de conservatieve VVD en Welters KNP enerzijds en de progressieve PvdA anderzijds. Hierdoor stond ‘het voortbestaan van de confessionele partijen [...] op het spel. Wie zou zich verbazen, dat zij zich tot het uiterste inspannen om aan het licht tredende ontbindende factoren te overwinnen? Ik zal daar thans niet verder op ingaan.’75 Zelfs in confessionele kring werd geregeld de klacht gehoord dat het christelijke midden door de vleugels uiteen werd gereten. In 1958 beklemtoonde VU-hoogleraar strafrecht I.A. Diepenhorst in zijn boek Christelijke politiek dat het ‘funest’ was om een ‘ontwikkelend Europa aan het neo-liberalisme of neo-socialisme over te laten’.76 Maar uit de daaropvolgende klaagzang op de ideologische ‘sleur en traditie’ in eigen kring bleek dat een oplossing niet zomaar was gevonden.

Poster afgedrukt in Burgerrecht, 11 augustus 1956, p. 12. Behorend tot de periodiekencollectie van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.

Burgerrecht probeerde van dit ideologisch vacuüm te profiteren door de denkbeelden van Röpke in christelijke kring onder de aandacht te brengen. Maar gezien de dominante middenpositie van de christendemocraten in het Nederlandse parlement is het eigenlijk verrassender dat de neoliberalen zich zo weinig om de christendemocratie bekommerden. In de ideeënstrijd om sociale zekerheid was de PvdA de belangrijkste gesprekspartner van Burgerrecht geworden, juist omdat zij als gevaarlijkste tegenhanger van het neoliberalisme werd beschouwd. Vandaar ook dat Burgerrecht-organisator L.M. van Breen in 1949 verheugd vaststelde dat de sociaaldemocraten zich steeds meer aantrokken van het vernieuwde weekblad Burgerrecht: ‘Het blad wekt veel reacties op. Gedurende de laatste drie weken kreeg ik een telefoontje van minister Lieftinck, twee boze brieven van minister In ’t Veld [...] en een (boze) brief van [...] [PvdA-fractievoorzitter] v.d. Goes v. Naters [...] Uit een en ander blijkt, dat ministers en kamerleden van de inhoud van ons blad terdege kennisnemen.’77

Vanuit socialistisch perspectief zag het speelveld er na vijf jaar van felle ideologische strijd vergelijkbaar uit. Hoewel de sociaaldemocraten dagelijks het meest te stellen hadden met hun katholieke regeringspartner, beschouwden zij de neoliberalen als hun voornaamste ideologische tegenstanders. Toen de partij in 1951 haar belangrijkste ideologische rapport van de jaren vijftig opstelde – de eerste na het fameuze ‘Plan van Arbeid’ waaraan de partijnaam herinnerde – noemde zij dit De weg naar vrijheid. De titel van het lijvige rapport, waaraan een ‘plancommissie’ maar liefst twee jaar had gewerkt, werd door tijdgenoten herkend als een rechtstreekse verwijzing naar Hayeks boek The Road to Serfdom. ‘De neoliberale oplossing’ was dan ook het enige ideologische alternatief dat in het vierhonderd pagina’s tellende rapport in een aparte paragraaf ter sprake werd gebracht.78 In het debat over sociale zekerheid leek het christelijke geluid intussen nagenoeg afwezig.

Conclusie

De opmerkelijke onzichtbaarheid van de confessionelen in het debat over sociale zekerheid, die ik in een eerder artikel toeschreef aan de ‘doorbraak’ van de PvdA, is evenzeer het gevolg geweest van neoliberale ideeënpolitiek.79 Doordat de neoliberalen zich ideologisch zo sterk afzetten tegen de sociaaldemocraten, schiepen beide partijen een antagonistische tegenstelling die aan de basis stond van het nieuwe ‘links’ en ‘rechts’ in naoorlogs Nederland. Voortaan stonden liberalen en sociaaldemocraten als ‘links’ niet langer tegenover confessioneel ‘rechts’, maar vormden beide partijen de flanken, met de christelijke partijen in een ongemakkelijke middenpositie.

Daarnaast heb ik met dit artikel willen aantonen dat de neoliberale strijd in Nederland geen stille strijd was die in kleine intellectuele netwerken werd uitgevochten. Hoewel Nederlandse neoliberalen ook streefden naar invloed achter de schermen, dankten zij hun succes vooral aan hun publieke aanwezigheid. Dit bleek uit hun grote zichtbaarheid in de pers, die aan het neoliberalisme goede kansen toeschreef, uit hun zichtbaarheid binnen gevestigde politieke partijen en uit hun uitdrukkelijke pogingen om via radio, lezingenreeksen en krantenartikelen de aandacht op zichzelf te vestigen. Het lijkt erop dat neoliberalen in het buitenland een vergelijkbare strategie hebben beproefd. In de Bondsrepubliek stonden de verkiezingen van 1949 in het teken van de strijd tussen de planeconomie en de Soziale Marktwirtschaft, de inzet van de Duitse neoliberalen.80 In Groot-Brittannië raakte Winston Churchill tijdens de verkiezingscampagne van 1945 in opspraak toen hij, enkele weken nadat Hayek hem The Road to Serfdom had toegestuurd, een redevoering hield waarin hij verklaarde dat de socialistische beleidsvoornemens van Labour zouden leiden tot ‘some form of Gestapo, no doubt very humanely directed in the first instance’.81 Dat het hier ging om meer dan ontspoorde verkiezingsretoriek, mag blijken uit het feit dat Churchill enkele weken later aan een bevriende journalist toevertrouwde dat deze lezing vermoedelijk als zijn belangrijkste de geschiedenis in zou gaan. Dergelijke voorbeelden zeggen op zichzelf niet zoveel, maar bieden ruimte voor de hypothese dat Nederland met haar zichtbare neoliberale netwerk eerder regel dan uitzondering was.

Dat dit netwerk niettemin zo lang onopgemerkt is gebleven, heeft alles te maken met de strategie van de neoliberalen. Omdat de neoliberalen streefden naar gecoördineerde invloed in beleidskringen en op het algemene politieke debat, maar geen eigen partijen oprichtten, hebben zij zich lang aan het zicht van historici onttrokken. Dat de neoliberalen een zichtbare en felle politieke strijd hebben gevoerd zal inmiddels duidelijk zijn. Ook blijkt dat zij met hun strategie van invloed zijn geweest op de vormgeving van het naoorlogse politieke speelveld in Nederland. In hoeverre zij op dat politieke speelveld een politieke macht van (blijvende) betekenis zijn geweest, zal nader onderzoek naar beleidsinvloed en de totstandkoming van wetgeving moeten uitwijzen. Drie observaties kunnen hiervoor als vertrekpunt dienen.

Ten eerste kan onderzoek naar neoliberale beleidsinvloeden de relatief langzame ontwikkeling van de Nederlandse verzorgingsstaat in een nieuw daglicht stellen. De trage ontwikkeling van de verzorgingsstaat is in de bestaande geschiedschrijving vooral toegeschreven aan moeilijkheden bij de implementatie en aan de verhoudingen binnen de rooms-rode coalitie.82 In dergelijke analyses wordt de PvdA meestal tegenover de KVP geplaatst – in de jaren vijftig haar voornaamste en trouwste coalitiepartner. Hoewel tegenstellingen binnen de coalitie de vormgeving van de verzorgingsstaat ongetwijfeld hebben getekend, dringt zich op basis van bovenstaande bevindingen de vraag op in hoeverre neoliberale economische denkbeelden bínnen de confessionele partijen van invloed zijn geweest op de trage totstandkoming van de verzorgingsstaat. Zeker is in elk geval dat de strijd over sociale zekerheid niet alleen maar ging over haar implementatie, maar ook over haar wenselijkheid. De onenigheid die daar keer op keer over ontstond, publiekelijk én achter de schermen, wekt de indruk dat neoliberale weerstand de verzorgingsstaat in Nederland heeft vertraagd.

Een tweede observatie betreft de afbouw van de verzorgingsstaat. Politicologen hebben aangetoond dat Nederland zijn publieke sector sinds de jaren tachtig drastischer inperkte dan vergelijkbare OESO-landen, sociale wetenschappers hebben laten zien dat de Nederlandse publieke sector sinds de jaren tachtig doelbewust wordt aangestuurd via ‘marktprikkels’ en de historicus Duco Hellema heeft vastgesteld dat de pragmatische hervormingsagenda van de kabinetten-Lubbers internationaal werd beschouwd als stevig neoliberaal hervormingsbeleid.83 Nederlandstalige populairwetenschappelijke studies schrijven deze ontwikkeling vooralsnog toe aan Amerikaanse invloeden.84 Dit artikel roept de vraag op of de ontwikkelingen van de jaren tachtig, die de laatste jaren in toenemende mate met het neoliberalisme in verband zijn gebracht, niet voor een belangrijk deel zijn terug te voeren op een langere politieke traditie van eigen bodem.

Ten slotte herinnert de geschiedenis van het Nederlandse neoliberalisme ons aan de specifieke invloed van politieke ideeën, die weliswaar door politieke instituties kunnen worden uitgedragen, maar zich ook buiten die instituties om ontwikkelen en verspreiden. In die zin biedt zij een waarschuwing tegen een te gemakkelijke vereenzelviging van ideeën met instituties, en tegen een reductie van politiek tot partijpolitiek. Voor de Nederlandse geschiedschrijving over de jaren vijftig is dat geen onbelangrijke waarschuwing, omdat politiek in dit decennium vaak wordt verengd tot de levensbeschouwelijke, politiek-institutionele strijd die wij verzuiling zijn gaan noemen. In plaats van dit concept in abstracto te bekritiseren, heb ik met dit artikel willen laten zien wat er tevoorschijn komt als we niet het confessionele midden, maar de liberale en socialistische flanken van het politieke spectrum als uitgangspunt van analyse nemen. Zonder de indruk te hoeven wekken dat religie in de jaren vijftig onbelangrijk was, kan onderzoek naar neoliberale netwerken dit decennium wel bevrijden van religieus determinisme. Dit zou niet alleen een stap voorwaarts zijn in het verzuilingsdebat, maar maakt Nederland ook gemakkelijker inpasbaar in een bredere West-Europese tendens: de omstreden opmars van de verzorgingsstaat.