De dreigende overstromingen in de Nederlandse delta van 1993 maar vooral van 1995 behoren tot de meest opmerkelijke gebeurtenissen in de waterstaatsgeschiedenis. In de eerste plaats voltrok zich, in tegenstelling tot wat velen nog altijd beweren, geen ramp. Niettemin vonden grootscheepse evacuaties plaats in het rivierengebied en werd volgens goed vaderlands gebruik een nationale inzamelingsactie gehouden ten bate van de slachtoffers. Maar de verwachte catastrofe bleef uit, het waterpeil daalde en de natie haalde opgelucht adem. In politiek Den Haag bleven de seinen echter op rood staan. Met twee dreigende noodsituaties binnen veertien maanden en met weinig goeds voorspellende klimaatscenario’s sloeg de angst toe en werd in 1995 in hoog tempo de Wet Tijdelijke Voorziening Rivierdijkverzwaringen door het parlement gejaagd. Ook hier is sprake van een opmerkelijke actie omdat deze handelingssnelheid in waterstaatsaangelegenheden slechts, en dan nog gedeeltelijk, een parallel vindt in het besluit van Lodewijk Napoleon in 1809 tot instelling van een Koninklijke adviescommissie na de catastrofale rivieroverstromingen in dat jaar. Weliswaar leverde dat enkele korte termijn maatregelen op maar tot een doorbraak in het problematische rivierbeheer en de zo gewenste beveiliging leidde dat niet. Dat gebeurde pas geleidelijk nadat Thorbecke in 1850 opdracht gaf tot een grootscheepse verbetering van de grote rivieren, inclusief het graven van nieuwe riviermondingen naar zee. Ook in dat licht bezien zijn de gebeurtenissen rond 1995 opmerkelijk omdat men zes weken na de aanname van de wet aan de slag ging met de versterking van de rivierdijken. Maatregelen die vanaf 2005 worden gevolgd door grootschalige verruiming van winterbeddingen, verwijderen van obstakels, aanleg van hoogwatergeulen, dijkverlegging en kribverlaging. Ingrepen met het karakter van een trendbreuk, zo niet paradigmawisseling omdat men daarmee afwijkt van de principes die vanaf het midden van de negentiende eeuw vorm gaven aan de rivieren en hun zomer- en winterbeddingen. Een grootschalige operatie die tot op heden voortduurt en een nieuwe fase in de zoektocht naar waterveiligheid inluidt.

In het overzichtswerk Nederlands grote rivieren. Drie eeuwen strijd tegen overstromingen brengt de auteur deze zoektocht naar veilige en, zo voeg ik er aan toe, bevaarbare rivieren vanaf omstreeks 1700 uitvoerig in kaart. Daaraan voorafgaand behandelt de auteur in het eerste hoofdstuk de huidige situatie, vervolgens de stand van zaken rond 1700 en keert dan weer terug naar de ontwikkelingen van voor de achttiende eeuw. Compositorisch een wat ongelukkige keuze en bovendien wordt hier inhoudelijk een kans gemist enige relevante waterstaatkundige en historisch klimatologische ontwikkelingen sedert de middeleeuwen wat steviger aan te zetten dan nu het geval is. Dat geldt ook voor de ontwikkeling van de cartografie, een destijds elementair instrument voor de toekomstige aanpak van de door tijdgenoten als ‘bedorven’ omschreven rivieren. De talrijke historische rivierkaarten die in het boek zijn opgenomen en een functionele rol spelen in het betoog, maken dit gemis enigszins goed.

Na deze opmaat brengt de auteur de eerste grote, offensieve fase in de verbetering van de rivieren in kaart. Deze periode begint met de aanleg van het Pannerdens Kanaal in 1707 en eindigt met de opening van de Bergse Maas in 1906, een van de nieuwe uitmondingen naar zee. In deze voor het fysiek voortbestaan van de Nederlandse natie cruciale twee eeuwen voerden waterstaatsingenieurs, in samenwerking met het bedrijfsleven, externe adviseurs en dankzij de ruim stromende Indische baten met vallen en opstaan een Deltawerk van ongekend formaat uit. Het rivierengebied wordt vanaf 1850 vrijwel geheel op de schop genomen met als uiteindelijk resultaat genormaliseerde rivieren met eigen uitmondingen naar zee, versterkte dijken, een veiliger land en, op wat langere termijn, een sterke verbetering van de bevaarbaarheid. Deze fase in geschiedenis van de rivierverbetering wordt (zeer) gedetailleerd beschreven, inclusief de talrijke plannen, adviezen, debatten en conflicten die daarmee samenhingen.

Daarmee beklemtoont Burgers nog maar eens welke inspanningen de Nederlandse samenleving telkenmale moet leveren om het land überhaupt bewoonbaar te houden. Deze specifieke en complexe verhouding van een cultuur tot natuur, oftewel haar omgeving, loopt als een rode draad in de Nederlandse geschiedenis. Dat blijkt wederom uit de vakkundige behandeling waarmee de auteur zich buigt over de tweede grote fase in het offensieve rivierbeheer die zich in de twintigste eeuw afspeelt. Daarin vindt de voortzetting plaats van de verdere ontwikkeling van een waterbeheersing op nationale schaal onder veranderende politieke, sociaal-culturele en economische condities. In dat kader wordt aandacht besteed aan de beheersing van de Maas, de afdamming van delen van de benedenloop van de rivieren, urgent na de catastrofe van 1953 en, deels in samenhang daarmee, de kanalisatie van Nederrijn en Lek, de verbetering van de IJssel, de bestrijding van de verzilting van zoet rivierwater en, als pièce de résistance de jongste ontwikkelingen in het kader van het programma Ruimte voor de Rivier.

Bij de behandeling daarvan, in mijn ogen het beste deel van deze studie, wijst de auteur allereerst op de maatschappelijke commotie die ontstond nadat de eerste dijkverzwaringen in de jaren zeventig waren uitgevoerd met soms desastreuze gevolgen voor het eeuwenoude rivierenlandschap. Protesten daartegen leidden er toe dat het rijk zich genoodzaakt zag in de toekomst rekening te houden met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden in haar ontwerpplannen, hetgeen niet voorkwam dat de spanning in het rivierengebied tussen voor- en tegenstanders van zowel dijkverzwaring als van andere grootschalige ingrepen in de jaren tachtig verder opliep. Tegen deze achtergrond vonden na 1995 nieuwe dijkverzwaringen plaats en daarop volgden in het begin van deze eeuw de plannen in het kader van de operatie Ruimte voor de Rivier. Deze gaven opnieuw aanleiding tot maatschappelijk protest, de oprichting van nieuwe actiegroepen en tot bijstelling van beleidsonderdelen. Ton Burgers toont in de beschrijving daarvan scherp aan dat omgaan met water altijd spanningsvol is vanwege de grote onzekerheden waarmee dit gepaard gaat, alle know how en rekenmodellen ten spijt. Die wetenschap verleidt de auteur, zeker in het laatste deel van zijn werk, tot kritische commentaren op verantwoordelijke politici, gezagsdragers, beleidsmakers en klimaatsceptici. Zij zouden zich niet door ‘incidenten van de wijs moeten laten brengen’ maar in plaats daarvan een ‘vaste lijn moeten volgen’ gecombineerd met de herinvoering van nuchterheid en praktisch inzicht in het rivierenbeleid.

Een prikkelende afsluiting van een grondige studie die kan worden gekarakteriseerd als een degelijke synthese van vier decennia onderzoek op dit domein. Zo bezien brengt deze studie in wetenschappelijk opzicht weinig nieuws, met uitzondering van de passages waarin de meest recente ontwikkelingen worden beschreven. Desalniettemin is hier sprake van een nuttig en gedetailleerd overzichts- annex naslagwerk mede omdat de auteur – als waterbouwkundig ingenieur van professie – op heldere wijze complexe waterbouwkundige problemen uitlegt en voorziet van informatieve kaderteksten en dito bijlagen.