In dit huis is een omvangrijke geschiedenis van de Tweede Kamer in acht thematische en zeven chronologische hoofdstukken, en 34 (of 35 volgens de Inleiding) ‘vignetten’ met korte biografische of thematische schetsen. De bijdragen zijn geschreven door Leidse en Nijmeegse historici die zich de afgelopen jaren onderscheiden hebben in een stroom van publicaties over de Nederlandse parlementaire cultuur, en een enkele politicoloog en staatsrechtgeleerde. Het resultaat mag er zijn. Alle bijdragen zijn gebaseerd op diepgravende kennis van het onderwerp en van de bronnen voor de geschiedenis van het parlement. De auteurs zijn vertrouwd met het karakter van hun hoofdpersonen en weten hun wederwaardigheden overtuigend te plaatsen in een historische context.

De verdeling in thematische en chronologische hoofdstukken en vignetten leidt onvermijdelijk tot een zekere versnippering en tot doublures van informatie en van anekdotiek. Jammer is dat veel van wat in enkele thematische hoofdstukken naar voren wordt gebracht, niet is geland in de chronologische hoofdstukken. Zo wordt de voortreffelijke staatsrechtelijke analyse van de parlementaire kerntaken door Paul Bovend’Eert niet opgepakt door de andere auteurs, zoals ook de heldere analyse van twee eeuwen parlementaire journalistiek door Huub Wijfjes (de enige auteur zonder Leidse of Nijmeegse affiliatie) relatief geïsoleerd blijft van de historische beschouwingen in het boek. Het is alsof de Leidse en Nijmeegse historici vooral gefascineerd zijn door het politieke spel, door de manifestatie van politiek in de openbaarheid van de plenaire vergaderzaal. Ze zijn minder geneigd te kijken naar de wijze waarop compromissen, wetten en beleidswijzigingen tot stand komen, achter de groene gordijnen, via de pers, in de commissiekamers en nog minder zichtbaar: in het verkeer tussen Kamerleden en ministeries. Dat lijkt in lijn met het onderscheid dat in de inleiding wordt gemaakt tussen parlementaire geschiedenis (de geschiedenis van politieke representatie) en geschiedenis van het parlement (de geschiedenis van het instituut Tweede Kamer), maar je kan je afvragen of zo’n onderscheid in feite wel te maken valt: pers, ambtenaren en achterkamertjes maken net zo goed deel uit van de geschiedenis van het parlement.

Een gedenkboek dat ook op de huid van de tijd wil zitten, loopt het gevaar dat het wordt ingehaald door de actualiteit. Auteurs en redacteuren kunnen het niet helpen dat net toen het boek uitgegeven was Kamervoorzitter Van Miltenburg, die het voorwoord van het boek schreef, moest aftreden. Ook misten de auteurs net de frontale aanval van Geert Wilders op het ‘nepparlement’ en de ongekende, kortdurende crisisstemming rond het lekken uit de ‘Commissie Stiekem’ waarin de fractievoorzitters in strikte vertrouwelijkheid het werk van de inlichtingendiensten bespreken. Wilders’ recente antiparlementaire retoriek zou moeiteloos ingepast kunnen worden in Carla Hoetinks nuchtere analyse van Wilders’ functioneren als parlementariër pur sang. Maar beide andere punten, het voorzitterschap en het commissiewerk, geven aanleiding tot nadere overdenking.

Allereerst het voorzitterschap, of beter: de vergadercultuur. Niet alleen voor de buitenstaander, maar ook voor het beginnende Kamerlid is het lastig greep te krijgen op de mores, de ongeschreven regels van het parlementaire handwerk, van het politieke spel. Opmerkelijk is dat daaraan geen thematisch hoofdstuk is gewijd. Wel komt in de chronologische hoofdstukken het leiden van de plenaire vergaderingen ruimhartig, zij het niet systematisch, aan de orde. De invulling van het voorzitterschap is hier een belangrijke sleutel voor het ontsluiten van de geheimen van de vergadercultuur van de Kamer. Exemplarisch hoofdstuk in dit verband is dat van Jouke Turpijn, die op zeer levendige, zij het wat chaotische wijze analyseert hoe tussen 1848 en 1887 de Tweede Kamer zich ontwikkelde tot een volwaardig en zelfbewust parlement met een eigen vergadercultuur.

Dan het fenomeen dat een belangrijk deel van het Kamerwerk (de laatste jaren inclusief de besluitvorming) zich afspeelt in commissievergaderingen, dus buiten de plenaire vergaderzaal. De algemene ontwikkeling van het commissiestelsel komt ruimschoots aan bod in de chronologische hoofdstukken. Maar nergens wordt geanalyseerd wat de impact van de versterking van het commissiestelsel door de jaren heen was op de uitoefening van kerntaken van de Tweede Kamer: wetgeving en controle van de regering. Slechts en passant lezen we hoe een tweedeling ontstond tussen het specialistische debat in de commissiekamer tegenover het generalistische spel in de plenaire zaal. Juist hier hadden de staatsrechtelijke overwegingen van Bovend’Eert goede diensten kunnen bewijzen.

Dit alles is natuurlijk geen toeval. Openbaarheid, beeld en zelfbeeld staan centraal in dit kloeke boek. Dit culmineert in een prachtig hoofdstuk van Henk te Velde over de parlementaire retorica en een bevlogen slotbeschouwing van Remieg Aerts over het Nederlandse parlement als uitdrukking of spiegel van de nationale volksaard. In deze aanpak blijkt echter alleen plaats voor een functionele reflectie op het fenomeen politieke representatie als het gaat om elementaire zaken als kiesrechtuitbreiding of de sociale achtergrond van de Kamerleden. Verwijzingen naar meer fundamentele beschouwingen over de aard van het Nederlandse politieke stelsel, bijvoorbeeld in het werk van E.H. Kossmann, of naar meer politiek-filosofische werken over politieke representatie ontbreken. Ook alternatieven voor de parlementaire democratie, of zelfs maar de Kamerdebatten daarover, komen niet of maar zeer zijdelings aan de orde. Het verplaatsen van politieke representatie naar corporatieve raden, openbare lichamen of referenda (denk aan het drama van het door de Tweede Kamer mogelijk gemaakte Europese grondwetsreferendum in 2005) blijft goeddeels ongenoemd.

Maar dit zijn slechts overwegingen in de marge. Belangrijker is dat de auteurs en redacteuren een veelzijdige, uitstekend gedocumenteerde en nagenoeg volledige geschiedenis van de Tweede Kamer hebben opgeleverd die bovendien prachtig is uitgegeven. Een nu ontbrekend (online) zakenregister zou er een onmisbaar naslagwerk van maken.