Reeds voor het openslaan van de kaft roept de bundel Het (on)verenigd Koninkrijk 1815-1830-2015 vragen op. Op het boekomslag prijkt in grote rode letters en tussen haakjes ‘on’. Is dit een betekenisloze affix? Uiteraard niet. De redacteuren van de bundel, Remieg Aerts en Gita Deneckere, maken met de keuze voor dit voorvoegsel duidelijk dat het Verenigd Koninkrijk zowel in België als Nederland onvoltooid verleden is. En wellicht belangrijker nog: dat het koninkrijk van Willem I evengoed een gedeelde als verdeelde geschiedenis is, waarin een proces van natievorming plaatsvond, los van de desintegratie die uiteindelijk in 1830 eindigde in de scheiding van Noord en Zuid. Het (on)verenigd Koninkrijk is een passende titel voor een interessante en mooi uitgegeven bundel met prachtige foto’s van Michiel Hendryckx en uiteenlopende bijdragen van historici, letterkundigen, kunsthistorici en publicisten.

Evenals de titel zet ook de ondertitel – Een politiek experiment in de Lage Landen – aan tot nadenken. Het Verenigd Koninkrijk als politiek experiment? De kwalificatie ‘experiment’ doet wat gekunsteld aan. Zowel voor de mogendheden als koning Willem I was de vereniging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden immers allesbehalve een experiment, maar een reële oplossing voor het ‘probleem Frankrijk’. De constructie in Wenen van de Verenigde Nederlanden als bufferstaat was dan ook van dezelfde orde als Congres-Polen of Piëmont-Sardinië; de onderhandelaars dachten met deze ‘middelgrote staten’ veiligheid in Europa te kunnen garanderen. Het is de vraag of het zinvol is het Verenigd Koninkrijk een ‘politiek experiment’ te noemen. Is dit niet een kwalificatie achteraf, waarin al het mislukken van 1830 ligt opgesloten? De redacteuren spreken zichzelf in de inleiding op dit punt ook tegen, zonder dat dit overigens storend is. Op pagina 19 schrijven ze: ‘Een staat is ten slotte niet alleen een politiek project, het is tevens een bestuurspraktijk en een evenwicht tussen de belangen van diverse machtscentra.’

Het Verenigd Koninkrijk was de uitkomst van Realpolitik van de mogendheden, en dan met name van Groot-Brittannië, alsmede van de lobby van een door revolutie getekende Oranjevorst, geobsedeerd door landsbestuur en compensatie. Het uiteenvallen van het koninkrijk komt voor een groot deel op het conto van dezelfde Willem I en diens rigide amalgaam-politiek. De kwalificatie ‘experiment’ is dan ook te vrijblijvend; in 1815 zag men in Wenen het Verenigd Koninkrijk niet als een eindig project, maar als een duurzame oplossing die evenwicht in Europa zou brengen. Zelfs tijdens het hoogtepunt van de crisis van 1830 werd het stopzetten van dit ‘experiment’ als uiterst onwenselijk en gevaarlijk gezien, en hield Londen niet voor niets lange tijd vast aan een personele en administratieve scheiding van beide landsdelen onder het Oranjehuis. Ofwel, het ‘mislukken’ van het Verenigd Koninkrijk kan niet simpelweg worden gereduceerd tot een stukgelopen ‘experiment’.

Het (on)verenigd Koninkrijk bestaat uit vijf delen, waarin telkens een groep van drie tot vier auteurs een specifiek thema behandelt. In het eerste deel, een nieuwe monarchie in Europese context, wordt het Verenigd Koninkrijk geplaatst in de context van de geopolitieke puzzel die op het Congres van Wenen werd gelegd. De bijdragen in dit deel zijn zonder meer geslaagd. Tom Verschaffel schrijft in zijn bijdrage dat de opdracht die de mogendheden aan Willem I gaven om een ‘union intime’ te smeden ten behoeve van duurzame vrede in Europa een lastige was: de twee landsdelen verschilden al bij aanvang van het Verenigd Koninkrijk te veel van elkaar. Na de val van Antwerpen in 1585 waren het Zuiden en het Noorden politiek, cultureel en economisch uit elkaar gegroeid. Deze scheiding van geesten was evenwel ook weer niet zo groot, dat de ‘hereniging’ in 1815 helemaal geen kans van slagen had. Terecht merkt Verschaffel op dat het deze gelaagdheid is die de geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk zo interessant maakt.

Het tweede deel van de bundel handelt over de prille fase van natievorming en de nationaliseringspolitiek van Willem I: het ‘Noord’ en ‘Zuid’ gevoel. In de eerste bijdrage van dit deel schetst Remieg Aerts een mooi genuanceerd beeld van de identificaties met het Verenigd Koninkrijk, en hoe Willem I van bovenaf een nationaliseringspolitiek voerde via taal-, onderwijs- en godsdienstpolitiek. In de Noordelijke Nederlanden ondervond deze politiek beduidend minder weerstand dan in de Zuidelijke Nederlanden, waar aanvankelijk eerder een belangen- dan een nationale gemeenschap bestond. Joost Rosendaal en Carolien Boender laten vervolgens in twee casestudies over respectievelijk Brabant, Limburg en Haarlem zien dat er binnen het Verenigd Koninkrijk sprake was van sterke lokale en regionale identiteiten, die soms op gespannen voet stonden met het door de regering gepredikte vaderlands gevoel.

Ook in het derde deel van de bundel, met als titel ‘Publieke ruimte en sociabiliteit’, is sprake van een inleidend essay, dit maal door Christophe Verbruggen, gevolgd door twee casestudies van Janneke Weijermars over letterkundige genootschappen en Marita Mathijsen over cultuurdragers in het Verenigd Koninkrijk. Verbruggen stelt in zijn essay dat het relatief liberale klimaat in het Verenigd Koninkrijk niet zozeer de sociabiliteit veranderde, maar wel de intensiteit en de mate waarin die fungeerde als voedingsbodem voor politieke mobilisatie. Op zich is deze analyse niet fout, maar een nuancering is hier wel op zijn plaats; het koninkrijk van Willem I was liberaal en autoritair tegelijk, en kende ook vormen van (zelf)repressie die zowel in het Noorden als het Zuiden politisering hebben vertraagd en/of onderdrukt.

Delen vier en vijf van de bundel liggen in elkaars verlengde. Deel vier gaat over de desintegratie van het Verenigd Koninkrijk en deel vijf over de lange ‘na-geschiedenis’ in zowel de Noordelijke als Zuidelijke Nederlanden. Deel vier heeft iets van Pieter Geyls’ ‘voor of tegen’, en dan niet met Napoleon, maar met Willem I en diens ‘bestuurs-politieke’ systeem als historiografische Janus. In een mooi inleidend essay laat Marnix Beyen zien dat er meerdere ‘mentale kaders’ bestonden in de politieke cultuur van het Verenigd Koninkrijk en dat deze deels terug kunnen worden gevoerd op de verschillende ervaringen van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden ten tijde van de Franse revolutie en het Napoleontische tijdperk. De Noord-Nederlandse en Zuid-Nederlandse elites gingen hierdoor anders om met Willem I’s autoritaire en instrumentele koningschap, en wellicht belangrijker nog: gaven in de loop van de tijd – en dan vooral tijdens politieke crisismomenten – een eigen betekenis aan de verschillen tussen de twee landsdelen. In de drie casestudies die volgen wordt de relatie tussen Willem I’s politiek en het uiteenvallen van het koninkrijk verder blootgelegd. Rik Vosters en Guy Janssens maken duidelijk hoe de taalpolitiek in het Zuiden als een katalysator werkte voor de oppositie. Uit Stijn Van de Perre’s bijdrage blijkt dat hetzelfde gold voor Willem I’s fiscale politiek. Nikolaj Bijleveld laat tot slot zien dat de kerkpolitiek in plaats van eenheid, alleen maar verdeeldheid zaaide.

De multidisciplinaire mix van auteurs in Het (on)verenigd Koninkrijk is op zichzelf verfrissend, maar heeft wel tot gevolg dat niet alle bijdragen even vernieuwend of relevant zijn; enkele auteurs lijken iets minder op de hoogte van de recente historiografie op het terrein van de Europese Restauratie en leunen in hun bijdrage zwaar op bestaande studies over het Verenigd Koninkrijk. Recentelijk heeft Els Witte in een artikel in Wetenschappelijke Tijdingen (LXIX (2010) 147–171) nog gewaarschuwd voor wat zij ‘multidisciplinaire preoccupatie’ noemt. ‘Niet-historici bewandelen in hun discipline meestal nieuwe paden en moeten die rechtvaardigen. Hun profileringsstrategie moet met andere woorden gelegitimeerd worden. Historici verwijten toesturen, hoort bij die strategie. [...] De historici verdedigen zich vanzelfsprekend. Ze verwijten de niet-historici onvoldoende vertrouwd te zijn met de moderne historische literatuur, waardoor hun achtergrond- en contextinformatie beneden peil is’, aldus Witte. Terecht pleit ze voor ‘begrip voor elkaars benaderingen, methodes en resultaten’. Hier kan wellicht aan toe worden gevoegd dat studies waarin uitvoerige analyses worden gemaakt van primair materiaal nu juist zeer vruchtbaar zijn gebleken, zie bijvoorbeeld het vernieuwend onderzoek van Janneke Weijermars (Stiefbroeders. Zuid-Nederlandse letteren en natievorming onder Willem I, 1814–1834) en van Els Witte zelf (Het verloren Koninkrijk. Het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie, 1828–1850).

Een tweede kanttekening. Belgische en Nederlandse historici en letterkundigen onderzoeken het proces van natievorming in het Verenigd Koninkrijk vaak als een losstaand, voor de Lage Landen uniek fenomeen, terwijl er in het Europa van na de Napoleontische oorlogen meer regio’s waren waar soortgelijke processen plaatsvonden. Ondanks aandacht voor de internationale context, wordt ook in Het (on)verenigd Koninkrijk toch vooral naar binnen gekeken. Dat is jammer, want een eerste vergelijking met nationalisme in andere ‘kleine landen’ rond 1815 had goed in de bundel gepast. Door zo’n vergelijking zou er daadwerkelijk sprake zijn geweest van ‘een geïntegreerde visie op het Verenigd Koninkrijk’. Te denken valt aan het al genoemde Piëmont-Sardinië. Een ander voorbeeld is Denemarken en Noorwegen voor en na de zogenaamde ‘Skilsmissen’, oftewel de scheiding van 1814. Het ligt voor de hand het proces van natievorming en nationaliseringspolitiek in de Nederlanden voor en na de breuk van 1830 eens te vergelijken met de vorming van de natiestaat en nationale identiteit in deze landen. Voor 1814 speelde de regionale identiteit in Denemarken en Noorwegen, net als in de Nederlanden, bijvoorbeeld een grotere rol dan de nationale. Interessant zou zijn om het nationalisme in de Noordelijke Nederlanden en Zuidelijke Nederlanden van na 1830 bijvoorbeeld te vergelijken met hoe Denemarken en Noorwegen na 1814 zichzelf als naties (opnieuw) uitvonden en hoe deze landen hun bestaansrecht als ‘kleine natie’ rechtvaardigden.

Dit terzijde. De bundel Het (on)verenigd Koninkrijk is als geheel een geslaagde poging om de veelheid aan onderzoek dat de laatste jaren naar het Verenigd Koninkrijk is gedaan samen te brengen. Dat de samenstellers hierbij hebben gekozen voor een multidisciplinaire aanpak en daarmee de ‘gelaagdheid’ van en in het Verenigd Koninkrijk benadrukken is zowel prijzens- als navolgenswaardig.