Het is een aardige gewoonte dat hoogleraren die met pensioen gaan een afscheidsbundel aangeboden krijgen met bijdragen van medewerkers en collega’s. Zulke bundels bevatten dikwijls lezenswaardige en prikkelende stukken. Ze hebben echter vaak ook het karakter van een warme lappendeken.

In de voorzomer van 2015 nam Duco Hellema afscheid als hoogleraar Internationale Betrekkingen in Historisch Perspectief aan de Universiteit Utrecht. Rond zijn afscheid is een bundel vervaardigd die beoogt het niveau van een hoogwaardig gelegenheidsproduct te overstijgen. Hellema zelf en de redacteuren Jacco Pekelder, Remco Raben en Mathieu Segers gebruiken het boek als een etalage van de onderzoeksthema’s die in Utrecht bij het vak internationale betrekkingen in historisch perspectief worden bestudeerd. Zij willen demonstreren hoe in Utrecht sterke kanten van geschiedbeoefening en politieke wetenschappen aan elkaar worden gekoppeld, hoe de resultaten van gedegen historisch bronnenonderzoek worden geanalyseerd met behulp van theorieën uit de politicologie. Op deze manier willen zij ook traditionele visies op het lange termijn karakter van Nederlands buitenlandse betrekkingen op hun juistheid en houdbaarheid toetsen. De redacteurs van De wereld volgens Nederland hebben hun schrijvers een vast stramien voor hun bijdragen opgelegd: een conceptuele entree waarin historiografie of politicologische theorie wordt besproken, een schets van het lopende onderzoek, mede aan de hand van een casus, en agendering van nieuwe onderzoeksplannen. De tien bijdragen worden gepresenteerd in drie overkoepelende clusters: Nederland tussen de Europese mogendheden, Nederland in de naoorlogse wereld, en Nederland en moderne veiligheidsdilemma’s. Duco Hellema leidt de bundel in. Aan het einde van het boek biedt Bert van der Zwan een virtuele rondleiding door de archieven van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

In het cluster ‘Nederland tussen de Europese mogendheden’ illustreert David Onnekink dat toepassing van de ‘New Diplomatic History School’ bestudering van de geschiedenis van Nederlands buitenlands beleid kan verrijken. Hij vergelijkt daartoe publieke en private bronnen over de Nederlandse standpuntbepaling in de Spaanse Successieoorlog. Zijn slotsom is prikkelend: er was aan Nederlandse zijde eerder sprake van streven naar collectieve veiligheid dan, cynischer, naar machtsevenwicht. Beatrice de Graaf biedt een essay vol concepten, personages en episodes. Ook zij benadrukt het Nederlandse streven naar collectieve veiligheid in buitenlandse betrekkingen, in het verleden net als in het heden. Haar casus gaat over de herordening van intra-Europese verhoudingen na de val van Napoleon en de plaats die het Koninkrijk daarin nastreefde. Jacco Pekelders hoofdstuk over de Nederlandse kijk op Duitsland is, in lange historische lijnen, strakker georganiseerd. Duitsland werd pas in de loop van de negentiende eeuw een zwaargewicht in Europa, en tegelijk een belangrijke economische partner en een dominante buur voor Nederland. Na 1945 was in Nederland het beeld van de verhouding met Duitsland lang veel negatiever dan de werkelijkheid van de economische betrekkingen. Pekelder bepleit studie naar de invloed van negatieve opvattingen over Duitsland bij de ontwikkeling van Nederlands nationaal besef in de negentiende eeuw. Hij betoogt dat zulk onderzoek ook nieuw licht kan werpen op de naoorlogse verhoudingen.

In het cluster ‘Nederland in de naoorlogse wereld’ houdt Mathieu Segers een helder pleidooi voor een multidisciplinaire aanpak bij onderzoek naar de fundamentele drijfveren achter Europese integratie. De overvloed aan archiefmateriaal vraagt om een analyse met behulp van een theoretisch instrumentarium waarin statelijke en niet-statelijke, economische, politieke en historische inzichten bij elkaar tot een duidelijk beeld moeten leiden, aldus Segers. Laurien Crump wijst er op dat de opening van archieven in voormalige lidstaten van het Warschau Pact toetsing van traditionele opvattingen over internationale betrekkingen tijdens de Koude Oorlog mogelijk maakt. Die toetsing kan extra reliëf krijgen door vergelijking van de nieuwe toegankelijke bronnen van Nederlandse archieven. Crump vraagt daarnaast vooral aandacht voor de onderlinge interstatelijke relaties van de leden van het Warschau Pact (waarbij ze Roemenië als intrigerend voorbeeld neemt) en in den brede voor de rol van kleine staten in bondgenootschappen.

Peter Malcontent analyseert verschillende historische interpretaties over de plaats van mensenrechten in Nederlands buitenlands beleid. Hij vraagt aandacht voor revisionistische benaderingen en oppert dat bij Nederlands mensenrechtenbeleid verlicht eigenbelang nooit ver te zoeken is geweest. Daarbij bevestigt hij met kracht van argumenten de traditionele visie op dit thema. Remco Raben sluit dit cluster met een mooi doorgeredeneerd essay over de relatie tussen koloniaal verleden en postkoloniaal heden. Onderzoek naar de relatie tussen die twee geschiedt meestal nog op grond van westerse politicologische theorieën en dat levert eenzijdige resultaten op. Raben bepleit een nieuwe theoretische kijk op het verband tussen historische ervaring en actueel beleid van voormalige koloniën. Hij agendeert ook de betrekkingen tussen voormalige koloniale mogendheden onderling als onderwerp voor nader onderzoek.

In het laatste cluster, Nederland en moderne veiligheidsdilemma’s, laat Jan Hoffenaar zien dat Nederland een lange geschiedenis van krijgshaftigheid kent. Na een historisch overzicht ter adstructie van deze stelling bepleit hij meer aandacht voor militaire geschiedenis. Hij agendeert in dat kader historisch onderzoek naar de maatschappelijke waardering voor de krijgsmacht in Nederland, en ook een internationaal comparatieve aanpak bij studie naar opleidingscurricula en wapenaanschafbeleid. Bob de Graaff stelt in een helder maar niet heel verrassend hoofdstuk vast dat er een academisch discipline van ‘intelligence studies’ is ontstaan die internationaal steeds breder wortelt. Nederlandse ‘intelligence studies’ zullen meer diepgang kunnen bereiken door een nauwere combinatie tussen uitgebreid bronnenonderzoek (dat steeds gemakkelijker te realiseren valt) en theoretische instrumenten uit de leer der internationale betrekkingen. Isabelle Duyvesteyn en Luuk Arlar stellen, ten slotte, voor om de Nederlandse betrokkenheid bij internationale militaire interventies met humanitair oogmerk te analyseren aan de hand van vier ijkpunten: de spanning tussen internationale inmenging ter bescherming van mensenrechten en staatssoevereiniteit; de onvoorziene slechte gevolgen van goedbedoelde interventie; de relatie tussen zelfzuchtige en altruïstische motieven voor interventie, en de vraag naar de wenselijkheid van de inzet van militaire middelen ter bescherming van mensenrechten. Dat zijn allemaal thema’s die niet alleen historisch maar ook actueel van groot belang zijn.

De redacteurs van De wereld volgens Nederland hebben er alles aan gedaan om samenhang tussen de bijdragen te stimuleren en zo de Utrechtse aanpak van de bestudering van internationale betrekkingen helder voor het voetlicht te brengen. Zijn ze in hun opzet geslaagd?

Het redactionele stramien heeft niet alle auteurs in gelijke mate geïnspireerd. De grote variëteit aan onderwerpen maakt een coherente presentatie niet vanzelfsprekend. Maar overigens luidt het antwoord op de vraag beslist positief. De wereld volgens Nederland is niet zomaar een charmant afscheidscadeau voor een hoogleraar die de afgelopen decennia zijn stempel heeft gedrukt op de geschiedschrijving over de buitenlandse betrekkingen van Nederland. De bundel blikt in de toekomst van het Utrechtse onderzoek naar het historisch perspectief van Nederlandse internationale betrekkingen. Dat is een verfrissende aanpak. Bovendien laat het boek overtuigend voordelen zien van een bundeling van geschiedkundige en politicologische vaardigheden en denkkracht. Voor die aanpak zijn traditionele historici nogal eens huiverig. Het boek maakt nieuwsgierig naar de resultaten van veel van het voorgenomen onderzoek. Dat is waarschijnlijk de mooist denkbare hommage aan Duco Hellema.