In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog werden veel rechtszaken gevoerd tegen collaborateurs en oorlogsmisdadigers. Vaak werd in deze rechtszaken niet alleen recht gesproken. Het bleek onvermijdelijk om in het kader van dit soort processen een bredere historische analyse uit te voeren. Zo begonnen juristen en historici te wijzen op de overeenkomsten en verschillen tussen geschiedschrijving en gerechtelijke onderzoeken.1 Dit mondde uit in een ruimere discussie over de interactie tussen beide. De belangrijkste uitloper van die discussie vandaag gaat wellicht over de toenemende impact van gerechtelijke, politieke en wettelijke initiatieven op geschiedenis- en herinneringsconstructie.2 Gekend in dit verband is de kritiek van de Franse historicus Henry Rousso – in een fikse polemiek met collega’s in het kader van het Paponproces (1998) – op wat hij de ‘juridisering’ van de geschiedenis noemde.

Bij deze discussies ging de aandacht doorgaans naar de meest in het oog springende didactic trials, grootschalige rechtszaken tegen iconische daders.3 Deze processen verlegden immers juridisch de bakens en vormden mede daardoor onderwerp van heftig maatschappelijk debat. Daarnaast hadden deze processen vaak een normatieve functie. Ze presenteerden zich als ‘opvoedkundig’, met als expliciet doel het beleid, de geschiedschrijving, de publieke beeldvorming en de herinnering duurzaam te beïnvloeden. Voorbeelden van zulke didactische rechtszaken zijn de processen van Neurenberg (1945–1948), het Eichmannproces in Israël (1961), het zogenaamde eerste Auschwitzproces in Frankfurt (1963–1965) en het vermelde Franse Paponproces.4

Om te onderzoeken hoe dit soort grote processen precies doorwerken in de collectieve herinnering, gebruiken de historici Kim Priemel en Alexa Stiller het concept van trial narratives. Dit zijn min of meer consistente verhalen over de (recente) historische gebeurtenissen die gedurende een gerechtelijke procedure worden gecreëerd. Die narratieven worden in een vonnis of arrest bekrachtigd als juridische waarheid. Processen kunnen zo na de gerechtelijke afwikkeling een interpretatiekader aanreiken dat ook met veel publieke macht wordt gepromoot.5 Dit interpretatiekader kan het publieke bewustzijn en de academische onderzoeksagenda nog decennialang domineren, soms ook via de betrokken academici-experts van het verzamelde bronnenmateriaal.6 Een schoolvoorbeeld hiervan is het tijdens de Amerikaanse Neurenbergprocessen geconstrueerde beeld over de SS als monopolistische ‘staat binnen de staat’; een beeld dat decennialang de verantwoordelijkheid van de Wehrmacht in genocidaire praktijken kon verbergen.7

Bij de bekende didactic trials ligt die grote impact voor de hand. Dat het Eichmannproces een internationaal breukmoment was in de bewustwording rond de Holocaust is genoegzaam bekend. Veel minder duidelijk echter is de invloed van de kleinere gerechtelijke processen onmiddellijk na een periode van oorlog, dictatuur of bezetting. Het gaat om een groot aantal processen in een korte periode, vaak van minder bekende daders. Bij dit soort seriële processen is het moeilijker eenduidige narratieven of een duidelijke langetermijnimpact te bepalen. Dat dergelijke processen echter wel degelijk een impact hebben op geschiedschrijving en herinnering, illustreert de beeldvorming rond de Belgische en Nederlandse ‘oorlogsburgemeesters’. Zowel de Nederlandse uitdrukking ‘als een burgemeester in oorlogstijd’ als de Vlaamse publieke beeldvorming over de collaborerende burgemeester die zich opoffert om de voedselvoorziening te waarborgen is herleidbaar tot de naoorlogse administratieve en gerechtelijke procedures.8

De bestraffing van aan de Jodenvervolging gerelateerde feiten in België en Nederland vormt een goede testcase om te onderzoeken of en hoe processen tegen minder bekende daders de herinneringscultuur hebben beïnvloed. Het is duidelijk dat de geschiedschrijving en beeldvorming in België en Nederland na 1950 over de Jodenvervolging flink uiteenliepen. De geschiedschrijving kwam in Nederland veel vroeger op gang dan in België en wist bovendien de publieke opinie mede te sturen. Dit is uiteraard deels te wijten aan de verschillende institutionele inbedding van de historiografie maar de eventuele impact van de eigenlijke processen tussen 1945 en 1951 blijft een blinde vlek. Zijn Belgisch-Nederlandse gerechtelijke verschillen mede verantwoordelijk voor de verschillen in geschiedschrijving en maatschappelijk bewustzijn? Was er een fundamenteel andere aanpak in beide landen, waardoor al in 1946–1947 bepaalde trial narratives ontstonden die de latere verschillen deels kunnen verklaren?

Om deze vragen te beantwoorden richten wij ons hier op de kernperiode van de naoorlogse processen, van 1945 tot 1951. We bekijken niet de Duitse oorlogsmisdadigers of leidinggevende collaborateurs, maar ‘gewone’ Belgische en Nederlandse daders.9 Deze bijdrage geeft eerst een vergelijkende analyse van enkele processen en vervolgens conclusies over de langetermijnimpact.

De casuspresentatie

In België werd ongeveer 40 procent van de in het land gevestigde Joden gedeporteerd, in Nederland ongeveer 75 procent. De vergelijking van de historici Pim Griffioen en Ron Zeller wijst uiteindelijk vooral naar de agency van de Duitse bezetter als factor van verschil. In Nederland was de Duitse vervolgingsorganisatie een grotere prioriteit.10 Omdat de vervolging van de Nederlandse en Belgische Joden verschillend verliep, is er sprake van deels uiteenlopende daderprofielen. Toch is het mogelijk om dadertypes te onderscheiden die in beide landen voorkwamen. Voor dit artikel hanteren we drie typen daders op basis van de activiteit (of het misdrijf): politiemensen, particuliere verklikkers en kampbewakers.11

Voor het Nederlandse onderdeel onderzochten we de rechtsgang van 28 personen.12 Voor hun selectie werd het archief van B.J. Besier gebruikt, lid van de naoorlogse Commissie van Advies in Gratiezaken van Politieke Delinquenten. Zijn aantekeningen maakten het mogelijk actieve betrokkenheid bij de Jodenvervolging te detecteren.13 Er werden uitsluitend door deze commissie behandelde delinquenten opgenomen, personen die tot een gevangenisstraf van ten minste vijftien jaar waren veroordeeld. Dit waren allemaal zware gevallen.14 Van de 28 personen stond de helft terecht wegens een combinatie van verklikking en hulpverlening aan de vijand. In de andere gevallen bestond de aanklacht uit één van deze misdrijven.15 In de verklikkingszaken waren de slachtoffers merendeels Joden. Het feit dat er in Besiers aantekeningen meer dan honderd gevallen vermeld werden van (mede) wegens Jodenvervolging berechte Nederlanders toont aan dat zij geen uitzonderingen vormden. Door cassatie en gratieverleningen vielen de opgelegde straffen uiteindelijk minder zwaar uit: van de twaalf doodstraffen die door de Bijzondere Gerechtshoven tegen de hier onderzochte personen werden uitgesproken, handhaafde de Bijzondere Raad van Cassatie er acht. Twee doodstraffen werden uitgevoerd en bij zes personen werd de straf bij wijze van gratie omgezet in een gevangenisstraf. Ook de levenslange en tijdelijke straffen werden door middel van cassatie en gratie verkort: de laatste van de hier onderzochte veroordeelden verliet in januari 1962 de gevangenis.16

De Belgische casus baseert zich op het onderzoek Gewillig België, het door de Belgische senaat bestelde onderzoek over de verantwoordelijkheid van de overheden bij de Jodenvervolging. Dit onderzoek moest exhaustief zijn.17 Hier gaat het om Belgische collaborateurs die als actieve daders meededen aan de Jodenvervolging. Dat is een grote groep: de leden van collaborerende anti-Joodse verenigingen Volksverwering en Ligue la Défense du Peuple, de Belgen die werkten voor de Jodenafdelingen van de Duitse Sipo-SD (tolken, chauffeurs, informanten, Jodenjagers, kampbewakers), leden van de (vooral Antwerpse) Algemene SS Vlaanderen en collaborateurs die een rol speelden in de sociaal-economische uitbuiting van de Joden (in vervoerbedrijven en in Duitse organisaties).18 We hebben ook gekeken naar de ordediensten en met name de casus van de Antwerpse politie. Uit deze grote groep selecteerden we de meest vergelijkbare Belgische equivalenten voor de 28 Nederlandse daderprocessen.

Deze daderselectie biedt geen sociologische representativiteit. Wat het wel biedt, is een betrouwbaar overzicht van de naoorlogse bestraffing van de zwaarste vormen van actieve medewerking aan de Jodenvervolging door Belgische en Nederlandse daders. Een belangrijke opmerking is dat deze dossiers (meestal) niet beschouwd moeten worden als ‘Jodenvervolgingsdossiers’. Behoudens uitzonderingen was de Jodenvervolging niet het hoofdonderwerp van deze gerechtelijke onderzoeken (of de aanklacht of het vonnis), integendeel. Verklikkingen, aanhoudingen en geweldplegingen werden door deze daders vaak ook tegen andere groepen gepleegd, te weten: verzetsmensen, onderduikers (voor de verplichte tewerkstelling) of politieke gevangenen.

Contexten in vogelvlucht

Voordat we bij de daadwerkelijke rechtszaken komen moeten we kort de belangrijkste contextuele factoren naast elkaar zetten. Het gaat daarbij zowel om de vooroorlogse juridische kaders als om de ontwikkelingen van de jurisprudentie na de bevrijding.

Hoewel de juridische omstandigheden in beide landen verschillend waren, bleek de uitgangspositie voor de vervolging van aan de Jodenvervolging gerelateerde feiten in zowel België als Nederland gelijkaardig problematisch. In België was de bestraffing van ‘incivisme’ na de bevrijding in handen van het militaire gerecht. Dat was ook zo na de Eerste Wereldoorlog en werd in 1934 opnieuw wettelijk vastgelegd. Vanwege deze ervaring hadden de Belgen weinig incentives om juridisch te innoveren: de wetten en omkadering waren immers al aanwezig. Maar vanaf 1943 speelde er ook een cultuur van juridisch conservatisme.19 De Belgische regering in Londen weigerde categorisch om specifieke maatregelen in overweging te nemen met betrekking tot de Jodenvervolging, zowel op het gebied van herstel als dat van bestraffing.

België viel voor de bestraffing dus terug op de bestaande strafwet. Die omvatte enerzijds de gemeenrechtelijke misdrijven (het opzettelijk toebrengen van letsels, verschillende vormen van doodslag, slagen (mishandeling) en verwondingen met de dood tot gevolg, diefstal, woonstschennis (huisvredebreuk), vernieling van goederen) maar ook het willekeurig aanhouden en interneren van mensen (artikelen 434 tot 438 Strafwetboek). Belangrijker waren de strafwetartikelen met betrekking tot de externe veiligheid van de staat, die dateerden uit de negentiende eeuw maar (vooral) tijdens de Eerste Wereldoorlog en daarna nog in 1934, in 1942 en in 1944 waren aangepast. Wat de collaboratiedelicten betreft hanteerde het Auditoraat-generaal bij het militaire gerecht vanaf oktober 1944 een eenvoudige indeling van politiek-ideologische misdrijven (art. 118bis); economische collaboratie (art. 115); verklikking (art. 121bis) en ten slotte wapendracht (art. 113). Deze klassieke instrumenten zouden uiteindelijk ontoereikend blijken om feiten van Jodenvervolging adequaat te bestraffen. De strafmaten voor gemeenrechtelijke misdrijven waren te licht, de voorwaarden voor de materiële bewijsvoering te strikt en ook de noodzaak dat de misdrijven zich tot het Belgische grondgebied moesten beperken leverde problemen op.

Nederland miste de historische ervaring van België en moest dus noodgedwongen wél juridisch innoveren. Op 22 december 1943 werd het Besluit Buitengewoon Strafrecht (BBS) van kracht, waarin onder andere het in het Wetboek van Strafrecht opgenomen principe van hulpverlening aan de vijand gespecifieerd werd en nieuwe artikelen werden geïntroduceerd, waaronder het blootstellen van personen ‘aan opsporing, vervolging, vrijheidsberooving of -beperking, eenige straf of eenigen maatregel door of vanwege den vijand, diens helpers of een persoon’.20 Om te voorkomen dat vóór december 1943 gepleegde misdrijven onbestraft zouden blijven, werd het BBS met terugwerkende kracht van toepassing op de gehele bezettingsperiode. Analoog aan het Internationaal Tribunaal van Neurenberg werd dus een zekere mate van retroactiviteit geaccepteerd. Hoewel dit juristen in gewetensnood bracht, woog voor de overgrote meerderheid de noodzaak van adequate berechting zwaarder. Net als de Belgische collega’s weigerde de Nederlandse regering in ballingschap afzonderlijke maatregelen te treffen in het kader van de Jodenvervolging. De specificiteit van de tegen de Joodse bevolkingsgroep gerichte vervolging werd niet erkend, want uitzonderingsmaatregelen voor de Joden zouden ‘de Duitsche rassenleer aanvaarden’.21 België en Nederland volgden in dit opzicht eigenlijk een negentiende-eeuwse visie van de staat op nationaal burgerschap.

In beide landen sloot het juridisch kader om collaboratie te bestraffen misdrijven gepleegd tegen groepen op basis van hun afkomst uit. Dit beperkte de juridische speelruimte. Misdrijven tegen het ondergrondse verzet waren in België wél expliciet onderdeel van wettelijk omschreven politieke collaboratie. Misschien nog wel belangrijker echter was dat een duidelijk interpretatiekader ontbrak waarin de Jodenvervolging kon worden geplaatst. De in december 1944 opgerichte Belgische Commissie voor Oorlogsmisdaden moest een dergelijk kader creëren. Het door de Commissie in 1947 gepubliceerde rapport over de Jodenvervolging in België was echter juridisch een maat voor niets en werd in de daaropvolgende processen nauwelijks gebruikt.22 Tijdens processen tussen 1944 en 1950 bleek keer op keer dat een dergelijk kader nochtans noodzakelijk was om de bestaande juridische instrumenten efficiënt te gebruiken. Ook de Nederlandse onderzoeken liepen vertraging op omdat de overheid en de magistraten aanvankelijk niet helemaal begrepen hoe de door de bezetter ingestelde vervolgingsorganen precies gefunctioneerd hadden.23

In België werden tussen 1945–1948 diverse démarches ondernomen om te komen tot bepaalde juridische aanpassingen.24 Dit was ook zo in Nederland, waar een cassatieberoep voor de Bijzondere Raad van Cassatie (BRVC) leidde tot een schijnbare doorbraak. Het ging concreet om de zaak Herman B. die in dienst van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung Joden had opgehaald.25 Zijn advocaat voerde als cassatiemiddel aan dat dit geen hulpverlening aan de vijand was: ‘dit (hulpverlenen, N.W. en J.J.Z.) kan immers nooit uit zich zelve een misdrijf tegen den veiligheid van den staat opleveren’.26 Het leidde aanklager Langemeijer naar de volgende principiële stellingname: ‘De Jodenvervolging maakte deel uit van de Duitsche totale oorlogvoering en als Nederlander behulpzaam zijnde bij die vervolging verleende men den vijand hulp’.27 Naar aanleiding van deze uitspraak werd in het jurisprudentietijdschrift Tribunalen in Nederland gesteld: ‘De hulpverleening aan den vijand en zijn streven om de Joden uit Nederland te deporteeren is hulpverleening aan den vijand in den zin van art. 102 Sr’.28 Op het eerste gezicht lijkt dit een cruciaal juridisch verschil met België. Inderdaad zien we de bewuste toevoeging ook concreet opduiken in andere onderzochte Nederlandse aanklachten (die luidden dan bijvoorbeeld hulpverlening aan de vijand in diens streven ‘de Joden in Nederland te elimineren’; ‘de in Nederland verblijvende Joden te deporteeren’; ‘de Joden uit Nederland te verwijderen’; ‘of, nog explicieter: ‘het Joodse ras te vernietigen’).29

Medewerking aan de Jodenvervolging werd in Nederland dus vanaf 1946 juridisch ingeschreven in de strafwet. Dit op het eerste oog markante verschil was in de praktijk echter puur formalistisch van aard. Ten eerste had de specificatie nauwelijks significante impact op de berechting. Ten tweede moet de toevoeging ook tot zijn reële proporties herleid worden. Het was geen wetswijziging maar een vrij courante juridische praktijk in het kader van zich snel ontwikkelende jurisprudentie.

Naast de juridische omlijning was ook de materiële naoorlogse context problematisch. De overvloed aan dossiers en gebrekkige omkadering maakten strategisch pragmatisme in de vervolging noodzakelijk, zeker de eerste twee jaren. Dit betekende concreet dat magistraten gedwongen werden uniforme onderzoekspraktijken en vooral ook standaarden van strafmaten en vonnissen te ontwikkelen.30 In de Nederlandse zaken valt op dat de rechters, bij gebrek aan ervaring met het type misdrijven, steeds zochten naar vergelijkbare gevallen om een verdachte te kunnen inschatten en de strafmaat te bepalen. De complexiteit van de aan de Jodenvervolging gerelateerde zaken maakte snelle afhandeling echter moeilijk. Enerzijds was er de afwezigheid van de directe getuigen en/of slachtoffers. Anderzijds was er de fragmentatie in kleinere misdrijven van het globale vervolgingssysteem. Met andere woorden: de juridische en materiële context dwong magistraten bepaalde feiten voorrang te geven. Zeker in België werd de berechting van repressie tegen het verzet of tegen verplicht tewerkgestelden geprefereerd.

Het ‘minimaliseren’ van misdrijven tegen Joden in bepaalde grote processen (met name tegen Duitse oorlogsmisdadigers) kan echter niet zonder meer worden geïnterpreteerd als de toepassing van een Belgo-/Nederland-centrisch of zelfs latent antisemitische overtuiging onder magistraten.31 Uit onze analyse blijkt namelijk expliciet dat nogal wat betrokken magistraten zich al kort na de bevrijding bewust waren van het belang van de misdrijven tegen de Joden.

Ten eerste zijn er opvallend vroege individuele onderzoeksacties specifiek naar de Jodenvervolging.32 Ten tweede blijkt dat zeker in Nederland de strafmaat in veel gevallen hoog werd gelegd omwille van het feit dat de Jodenvervolging als extreem laakbaar werd beschouwd. In sententies tegen negen Nederlandse verdachten benadrukten de rechters dat zij de bijdrage van de verdachte aan de Jodenvervolging van dusdanige ernst achtten, dat zij zich genoodzaakt voelden een zwaardere straf op te leggen.33 In drie gevallen liet de aanklager zich in een reactie op de ingediende cassatiemiddelen op vergelijkbare wijze uit.34 Ten derde is er ook een aanwijzing in de formulering van bepaalde sententies, aanklachten, ingediende cassatiemiddelen of pleidooien. In heel wat Nederlandse zaken vallen de subjectieve en emotionele termen op waarin rechters hun uitspraken kracht bij zetten (‘Het is nauwelijks mogelijk in menschelijke taal over het gedrag van deze requirant te spreken’).35 Deze expliciete morele afkeuring is een patroon.36 De afkeer zette zich door in de latere gratieadviezen. De morele afwijzing geldt globaal ook voor België, al komt die daar toch vooral voor bij Duitse oorlogsmisdadigers.37 Er was dus bereidheid om tot vervolging over te gaan of beter: er was zeker geen onwil bij de Nederlandse of Belgische magistraten na 1945 om de feiten te erkennen en er gevolg aan te geven.

Nog een overeenkomst was het relatieve gebrek aan klachten van slachtoffers of nabestaanden. De Joodse gemeenschappen hadden in de directe naoorlogse jaren andere prioriteiten dan actief daderbestraffing te stimuleren.38 In Nederland (en in mindere mate ook in België) werden wegens tijds- en personeelsgebrek alleen verklikkingsonderzoeken gestart waarover klachten ontvangen werden. Veel gevallen van verklikking van Joden kwamen zo nooit aan het licht.39 De massale naoorlogse ‘afwezigheid’ van de omgekomen slachtoffers was een structureel obstakel voor efficiënte vervolging van de daders. In België sprak men in gerechtelijke onderzoeken tot mei/juni 1945 over de Joodse gedeporteerden als ‘de vermisten’, impliciet de verwachting uitsprekend dat de slachtoffers na hun eventuele terugkeer officieel een klacht zouden kunnen indienen. In september 1945 koesterde een Nederlandse getuige de hoop dat zijn vermiste familieleden misschien in leven waren: hij

[...] wist nog te verklaren dat volgens persberichten nog 2700 Nederlandsche joden in de Russische zone aanwezig moeten zijn die op repatrieering wachten, zoodat de mogelijkheid niet uitgesloten is te achten dat er nog personen [...] in leven zijn.40

Van Joden die in de vernietigingskampen waren omgebracht bestond geen overlijdensbericht.41 Zowel in België als in Nederland bleek nationaal gecoördineerd internationaal onderzoek naar het lot van de slachtoffers erg tijdrovend, waardoor er tot na 1946 onduidelijkheid bleef bestaan over het lot van sommige gedeporteerden.

Dit structurele gebrek aan een push-factor vanuit de slachtoffergemeenschap en de eerder passieve houding van het gerecht hadden uiteraard een impact op de onderzoeken. Die kwamen traag op gang en vorderden vaak langzaam. Bij politiemensen en particuliere verklikkers werd elk individueel geval van arrestatie of verklikking tot in detail onderzocht, waarbij ook het netwerk werd gereconstrueerd. Van de onderzochte Nederlandse zaken kwamen er maar twee voor het eerst voor de rechtbank in 1946, de rest concentreerde zich in de daaropvolgende twee jaren, met één laatkomer in 1950. De moeilijke zoektocht naar relevante getuigen liet de onderzoeken voortslepen. Bij de uiteindelijke vonnissen bleek telkens weer het belang van betrouwbare getuigen. De Belgische gerechtelijke dossiers waar men door omstandigheden wél over bepaalde getuigen beschikte, bleken telkens ook de zaken waar het gegeven van de Jodenvervolging zwaar doorwoog in het vonnis.42

Besluitend: ondanks de Belgisch-Nederlandse verschillen vertoonden de naoorlogse vervolgingscontexten wat de Jodenvervolging betreft dus vooral overeenkomsten: een moeilijke materiële overgangscontext voor de rechtbanken, een niet-specifiek gericht juridisch kader (ondanks meer ruimte voor juridische vernieuwing in Nederland), een gebrek aan een richtinggevend interpretatiekader met betrekking tot de Jodenvervolging, een initieel gebrek aan basisinformatie over de gepleegde feiten en tot slot een gebrek aan klachten van slachtoffers of betrokkenen. Deze factoren versterkten elkaar bovendien en bemoeilijkten een adequate berechting.

Politiemensen: slachtoffers van hun beroep?

Een eerste belangrijke dadercategorie waren zij die aanhoudingen (mee) uitvoerden, doorgaans de reguliere ordediensten. Tien van de onderzochte Nederlandse politieke delinquenten vallen onder de categorie ‘politie’. Zij waren werkzaam bij speciale afdelingen van de politie, met als taak het opsporen van mensen die Duitse verordeningen overtraden. Deze speciale afdelingen waren de Inlichtingendienst in Amersfoort, ‘Groep 10’ in Rotterdam, het Politie opleidingsbataljon (POB) Schalkhaar, de Documentatiedienst in Den Haag, de Politieke Diensten in Apeldoorn en Nijmegen en het speciaal op anti-Joodse politiek gerichte Bureau Joodsche Zaken in Amsterdam. Zeven van hen waren lid van een nationaalsocialistische organisatie en slechts drie van de tien waren vóór mei 1940 al in dienst van de politie. Dit bevestigt de specifieke Nederlandse bezettingscontext waar nieuwe politieke politie-eenheden werden opgericht met een grote instroom van collaborateurs.43 Deze tien politiemensen hadden samen honderden mensen aangehouden: naast Joden ook verzetsmensen en niet-Joodse onderduikers.

De Nederlandse politiemensen werden op één uitzondering na steeds aangeklaagd voor een combinatie van hulpverlening aan de vijand en blootstellen van personen aan opsporing en vervolging. Soms kwamen daar nog andere aanklachten bij die losstonden van de Jodenvervolging, bijvoorbeeld het in vreemde krijgsdienst treden als lid van de Waffen-SS.44 Verschillende politieagenten hadden zich na september 1944 rücksichtslos gestort op de bestrijding van het verzet, bijvoorbeeld in dienst van de Groningse Sipo-SD. In die gevallen is het soms moeilijk om in te schatten in hoeverre de bestraffing van de verdachten afhing van hun rol in de Jodenvervolging, of dat hun optreden tegen het verzet doorslaggevend was geweest. Soms hingen de bijkomende feiten wel samen met de Jodenvervolging, bijvoorbeeld als het ging om ‘wederrechtelijke bevoordeling’ (diefstal) of mishandeling gepleegd tijdens de arrestatie van Joden. We kunnen echter aannemen dat geweld of diefstal in het kader van de arrestatie van ondergedoken Joden meestal niet als aparte feiten zijn vermeld omdat er geen slachtoffers meer konden getuigen. Bij de politiemensen werden zes doodstraffen uitgesproken, die ofwel door de BRvC ofwel door middel van gratieverlening werden omgezet in een gevangenisstraf. De overige verdachten kregen twintig jaar of een levenslange gevangenisstraf.

Het klassieke argument van het ‘hogere bevel’ (het zogenaamde due obedience-principe) kwam in deze zaken vaak tot uiting.45 Een politieman verklaarde bijvoorbeeld: ‘Ik heb als politieman niet meer gedaan dan mij was of werd opgedragen. De opdrachten werden mij gegeven door mijn Nederlandsche superieuren’.46 Dit verdedigingsargument bleek een standaardpatroon.47 Een dergelijk ‘ambtelijk bevel’ werd door de rechters in de regel echter niet geaccepteerd. Men argumenteerde dat de bevelen in kwestie niet gegeven waren door een rechtmatige vertegenwoordiger van de Nederlandse overheid.48 Hoogstens (en uitzonderlijk) kon een beroep op ambtelijk bevel bij de ‘foute’ politiemensen wel strafverminderend werken. Die gevallen hadden dan vooral te maken met een meer radicale houding van de directe hiërarchische superieur in kwestie.49 Later, tijdens het gratieproces, kon het tekortschieten van leidinggevenden en de Nederlandse politie in het algemeen zelfs bij wijze van uitzondering dienen als argument voor het verlenen van gratie van de doodstraf of vrijheidsstraffen.50

Advocaat-fiscaal Langemeijer verklaarde na afloop van de Bijzondere Rechtspleging dat er geenszins sprake was geweest van een afrekening met politiek andersdenkenden en voegde daaraan toe dat hij zaken als verklikking en doodslag ‘los van alle politiek’ als zwaar criminele feiten beschouwde.51 Het criterium van de loyaliteit tegenover het vaderland bleef echter intrinsiek deel uitmaken van de toepassing van deze strafwetartikelen. Uit de overwegingen van de collega’s van Langemeijer blijkt inderdaad dat politieke overtuiging, ook bij deze zware feiten, in de berechting een belangrijke factor vormde. Volgens advocaat-fiscaal Bakhoven, die in het kader van de rechtszaak tegen twee agenten van het Amsterdamse Bureau Joodsche Zaken uitgebreid inging op dit probleem, kwam het uiteindelijk neer op de volgende vraag:

[...] zijn deze menschen min of meer het slachtoffer van hun beroep geworden doordat zij nu eenmaal politie-beambten waren en als zoodanig opdracht kregen tot deze arrestaties en omdat zij meenden zich aan de uitvoering van deze opdrachten niet of moeilijk te kunnen onttrekken, of hebben zij con amore aan de jacht op onze Joodsche medeburgers meegedaan?52

Dit pragmatische onderscheid tussen ‘goede’ en ‘foute’ politiemensen zien we in zowel België als Nederland terug in de naoorlogse berechting en zuivering. Terwijl politiek gemotiveerden of personen die zich overijverig of buitengewoon hadden ingezet bij de vervolging (zwaar) bestraft werden, bleven strafrechtelijke en zuiveringsmaatregelen uit tegen politiemensen die soms actief hadden geassisteerd bij de arrestatie van Joden maar zich daarbij niet bijzonder hadden onderscheiden.

In België bestond de politieke vorm van politionele medewerking die we hier bespraken niet op dezelfde manier: de bezetter kreeg er in veel mindere mate vat op het politieapparaat. Echte Belgische equivalenten zijn er dus niet. De meest relevante Belgische vergelijkingspunten zijn die van de Antwerpse stadspolitie en die van anti-Joodse verenigingen en specifieke milities.

Opsporingsbericht van de Binnenlandse ­Strijdkrachten. Linksboven zien we de Nijmeegse politieman Antoon Wiebe, die in dienst van de Politieke Dienst tientallen Joden arresteerde en beroofde. In 1950 werd hij veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

Beeldbank WO2NIOD.

De casus van de Antwerpse politie is wellicht het meest sprekende voorbeeld van hoe een nationaal-patriottisch paradigma inwerkte op de berechting. De Antwerpse politie werkte tijdens de zomer van 1942 actief mee aan enkele grote Jodenrazzia’s. Het ging hier om de reguliere stadspolitie, binnen reguliere lokale gezagskaders.53 Gezagvoerend burgemeester Leo Delwaide was een zwaargewicht binnen de Vlaamse vleugel van de Katholieke Partij en een groot deel van het Antwerps politiekorps was lid van het ondergrondse verzet. Verschillende politiemensen die in 1942 nog deelnamen aan de Jodenrazzia’s zouden in 1944 zelf worden gedeporteerd als politieke gevangenen. De raciale vervolging van de zomer van 1942 was met andere woorden niet het werk van een kleine groep politieke criminelen maar een delicate uitschuiver van het Belgische establishment. Het onderzoek naar de Antwerpse hoofdcommissaris van politie Lodewijk De Potter werd al in 1945 zonder gevolg afgesloten. De Jodenvervolging kreeg geen aandacht in dit onderzoek. De Antwerpse burgemeester Delwaide werd in 1946 na een gerechtelijk onderzoek buiten vervolging gesteld.54 Ook hier kwamen de Jodenrazzia’s van 1942 niet of nauwelijks naar voren. Daarnaast konden we nog 21 aparte gerechtelijke onderzoeken terugvinden over individuele leden van de Antwerpse politie. In veertien gevallen vormden de Jodenrazzia’s van augustus 1942 wel degelijk een centraal aandachtspunt.55 Het ging meestal (maar niet uitsluitend) om collaborerende leden van het korps die zich bij de razzia’s tegen de Joden hadden onderscheiden door ‘overijverig’ gedrag.

Net als in Nederland richtte het Antwerpse Krijgsauditoraat zich aanvankelijk enkel op deze overijverige politieagenten. De Antwerpse Krijgsauditeur Sabbe besefte echter al heel snel dat de inbeschuldigingstelling van een handvol nationaalsocialistische agenten een oncontroleerbaar sneeuwbaleffect zou hebben. Hij trok daarom in november 1945 persoonlijk de stekker uit de onderzoeken. Hij was eerlijk in zijn motivatie:

Gezien den uiterst kieschen aard dezer zaak, waarin heel de houding van de parketten besproken wordt en het feit dat de commissarissen onder moreelen dwang gehandeld hebben, meen ik in overweging te moeten nemen of het niet wenschelijk is deze zaak met een bevel van niet-vervolging te sluiten.56

De zaak van de Antwerpse politie was dus te delicaat, met name vanwege het aspect van de hogere hiërarchische verantwoordelijkheden.

De lopende onderzoeken werden één voor één zonder gevolg geklasseerd. Het had zelfs als kwalijk effect dat in die enkele onderzoeken waar de politieke collaboratie vrij duidelijk was, het aspect Jodenvervolging plots naar de achtergrond werd geduwd.57 Slechts één politiefunctionaris werd veroordeeld, adjunct-commissaris Gaston Jans van de Antwerpse wijk Deurne. Dit dossier verschilde van de andere onderzoeken in die zin dat Jans een uitgesproken collaboratieprofiel had en omdat hier wel enkele Joodse klachten aanwezig waren. Dit laatste kwam mogelijk omdat de Joodse nabestaanden beseften dat Jans omwille van zijn politieke profiel wel ‘in aanmerking kwam’ voor bestraffing. De weduwe van een in Auschwitz omgekomen man verklaarde bijvoorbeeld: ‘[...] vermits Jans algemeen als Duitsgezind bekend stond, voel ik me gerechtigd tegen hem klacht neer te leggen’.58 Zo werd de belangrijkste Belgische politionele medewerking aan de Jodenvervolging stilzwijgend onder de gerechtelijke mat geschoven.

We moeten vaststellen dat het er in Nederland wat betreft de reguliere politie niet fundamenteel anders aan toeging. In Amsterdam had de politie in de zomer van 1942 ook meegewerkt aan het ophalen van te deporteren Joden. In de naoorlogse politiezuivering was de medewerking aan die deportatie – tenzij de politieagent in kwestie lid was geweest van een collaborerende organisatie – geen reden voor schorsing, laat staan een veroordeling.59

In de beide landen werd geweldgebruik in de concrete acties beschouwd als de openlijke manifestatie van een politieke overtuiging. Bovenmatig gebruik van geweld tegen Joden was een manier om een juridisch onderscheid te maken tussen de nationaalsocialistische collaborateur en de patriottische politieman die gewoon zijn plicht had gedaan. Agenten die Joden hadden opgehaald maar verder niet bekend stonden als nationaalsocialisten bleven buiten schot.60

Naast de politiemensen werkten nog zes andere Nederlandse politieke delinquenten mee aan de arrestatie van Joden. Dit waren leden van paramilitaire organisaties zoals de Landwacht of Landstorm, of ze werkten bij Duitse instanties zoals de Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam of Referat IV B 4 in Den Haag.61 Zij kregen wegens hulpverlening aan de vijand, blootstellen aan vervolging en in één geval doodslag gevangenisstraffen van twintig jaar of levenslang, of de doodstraf.62 Voor deze groep zijn wel Belgische equivalenten, globaal genomen een bont allegaartje van mensen die als vertaler of informant in Duitse dienst een backoffice taak hadden tot zij die zelf gewapend de straat opgingen om Joden aan te houden (doorgaans met geweld).63 Sommigen van die laatste groep ontkwamen naar het buitenland terwijl anderen in Duitse dienst omkwamen in 1945.64 Anderen werden dan weer wel (zwaar) veroordeeld, maar vaak voor andere feiten dan die van Jodenvervolging.65 Feiten als diefstal of geweldpleging konden nauwelijks worden bewezen. De berechting van geweldplegingen tegen andere groepen (zoals verzetsmensen) kreeg de voorrang en klassieke collaboratieartikelen (hulp aan de vijand, wapendracht) bepaalden uiteindelijk het vonnis.

In België kwam de Jodenvervolging als centraal element enkel voor in het proces ‘Lauternborn en co’. In dit proces (dat het proces van ‘Volksverwering’ en de Landelijke Anti-Joodsche Centrale was) stonden naast leider Felix Lauterborn zeven andere beklaagden terecht. De wat zonderlinge figuur van Lauterborn werd door het Belgische gerecht en de media als Belgische hoofddader van de Jodenvervolging getypeerd. Opvallend was ook dat dit één van de weinige dossiers was, waarvoor ook Joodse belangengroepen actief getuigenverklaringen verzamelden.66 Dit atypische dossier werd zo het enige iconische Belgische ‘Jodendossier’. Juridisch was het onderzoek een succes. Lauterborn werd in 1950 veroordeeld tot levenslang (voor politieke collaboratie en voor slagen en verwondingen met onvrijwillige doodslag als verzwarende omstandigheid).67 ‘Jodenvervolging’ werd in dit vonnis expliciet als onderdeel van de anti-Belgische collaboratie gelijkgesteld. Alle andere beklaagden in het proces kregen ook vrij zware straffen. Maar zelfs hier was dat meestal niet voor specifieke feiten gerelateerd aan de Jodenvervolging. De verdachten bleken immers als lid van andere collaborerende bewegingen vaak meer ‘bruikbare’ misdrijven te hebben begaan.68 Zelfs dit emblematische proces hinkte dus wat dat betreft op twee benen.

Marginaal en laakbaar: het prisma van verklikking

Het fundament van het Duitse raciale vervolgingssysteem in de beide bezette landen steunde in essentie op het identificeren, registreren en opsporen van Joden. Louter op papier lijkt één strafwetartikel erg mooi te beantwoorden aan dit gegeven, namelijk verklikking. In België ging het om strafwetartikel 121bis. In algemene zin maakte dit artikel het bewust blootstellen van mensen aan de vervolging door de vijand strafbaar. In Nederland voorzag artikel 26 uit het BBS in het eerder bestaande hiaat in de strafwet. Dit artikel bestrafte het opzettelijk blootstellen van personen aan ‘opsporing, vervolging, vrijheidsberooving of -beperking’ door de bezetter of ‘diens helpers’.

Vijf van de onderzochte Nederlandse politieke delinquenten vallen onder de categorie van particuliere verklikkers. Het gaat hier om mensen met uiteenlopende sociale profielen die (ondergedoken) Joden verraadden aan Nederlandse of Duitse instanties. Meteen valt op dat deze mensen hun verklikkingen in zeer verschillende omstandigheden uitvoerden. Sommigen stapten zelf naar de betrokken diensten, anderen deden dit in een context van dreiging: omdat ze zelf waren gearresteerd of dreigden te worden gearresteerd, bijvoorbeeld omdat ze Joods waren of onderdak hadden verschaft aan Joodse onderduikers. De drie Nederlandse personen die als onderduikgever of onderduiker mensen hadden verklikt beriepen zich op de (vermeende) dwang die ze hadden ervaren.69 Het gerechtshof erkende dat Mozes B., die zelf Joods was en tientallen mensen had verklikt aan de SD, ‘in de bezettingstijd onder zeer moeilijke omstandigheden verkeerde’ en zag mede op basis daarvan af van een levenslange gevangenisstraf.70 Ook de BRvC hield rekening ‘met de gevaarlijke positie, waarin requirant als in handen der Duitsers gevallen Jood’ had verkeerd.71

Als niet-Joodse verdachten zich beriepen op dwang werd dit door de rechtbank niet aanvaard.72 Dat was ook het geval bij Adriana V. Zij was prostituee geweest en verloofd met een van haar Joodse klanten. Toen hij in 1942 naar Mauthausen werd gedeporteerd en daar omkwam, begon V. Joodse onderduikers te huisvesten. Begin 1943 kwamen agenten van Bureau Joodsche Zaken haar op het spoor. Om zelf niet gearresteerd te worden gaf V. adressen en namen van tientallen onderduikers en onderduikgevers door. Tijdens haar proces betoogde V. dat een SD’er haar had gedwongen mensen te verklikken onder het dreigement haar anders naar een concentratiekamp te sturen of dood te schieten. Onder andere op basis van het feit dat Adriana V. deze man eens voor haar verjaardagsfeestje had uitgenodigd verwierp het gerechtshof dit beroep op dwang. In de rechtsgang van V., maar ook in die van een andere verklikker die voordien zijn brood verdiend had als inbreker, valt op dat de marginale maatschappelijke positie van de verdachte regelmatig benadrukt werd als uitdrukking van zijn of haar algehele immoraliteit.73

Vier van de verklikkers werd een gevangenisstraf van vijftien tot twintig jaar opgelegd, waarbij opvalt dat in twee gevallen de BRvC de door de Bijzondere Gerechtshoven opgelegde straf verhoogde. Adriana V. werd tot de doodstraf veroordeeld, waarvan ze uiteindelijk gratie kreeg. Hoewel eerder gesuggereerd is dat Jodenverklikkers in Nederland in de regel de doodstraf kregen, blijkt uit deze gevallen dat de werkelijkheid wat genuanceerder was.74

De Belgische casussen waren ook divers maar toch duidelijker politiek. Het ging vooral om leden van de al vermelde anti-Joodse organisaties. Zij hadden Jodenlijsten opgemaakt en aan de Duitsers bezorgd of Joden ‘ontmaskerd’ in hun pers (met name Volksche Aanval, l’Ami du Peuple maar ook de Gazette de Charleroi). Buiten deze gevallen was er geen sprake van systematische Belgische gerechtelijke onderzoeken naar individuele ‘Jodenverklikkers’. Dit gebeurde enkel bij een handvol in het oog springende gevallen. De Belgische juridische voorwaarden – met name de bewijslast – voor het toepassen van verklikking bleken bijzonder restrictief. Doorgaans moest men beschikken over schriftelijke bewijzen, zoals een brief geschreven door de beklaagde. Ook moest er een direct aantoonbaar verband zijn tussen de verklikking en de daaropvolgende arrestatie. Tot slot moesten de gevolgen voor het slachtoffer ernstig genoeg zijn.

In het dossier tegen de Anti-Joodse Centrale – door de aanklagers een ‘verklikkerscentrale’ genoemd – was dat geen probleem. Leider Pierre Beeckmans werd inderdaad mede voor verklikking veroordeeld.75 Ook Volksverwering-kopman René Lambrichts werd (onder meer) voor verklikking veroordeeld. Een ander voorbeeld was de veroordeling van de journalist Joseph Archambeau, die (onder meer) veroordeeld werd voor de publicatie van tien namen en adressen van Joden in de Gazette de Charleroi van 8 augustus 1942.76 Globaal waren dit echter uitzonderingen. Wat het aanmaken van Jodenlijsten betreft, bleek dat de Duitse diensten vaak al via de reguliere Jodenregisters van de gemeenten geïnformeerd waren. In het proces ‘Volksverwering’ stelde de betrokken auditeur dat enkel de informatie die ‘nieuw’ was geweest voor de Duitsers voldoende juridische basis kon vormen voor een veroordeling wegens verklikking.77 Het bleek echter vrijwel onmogelijk dit jaren na de feiten nog te ontwarren. Verklikking was dus juridisch veel te lastig te bewijzen. Het aangeven van Joden werd in de meeste zaken daarom pragmatisch gebruikt om de politieke collaboratie (artikel 118bis) te versterken.78 Dit gold zelfs voor de toch wel meer krasse gevallen, zoals dat van de Antwerpse vrouw Josina K. die haar winkel had gebruikt als een soort ‘Jodenval’.79 Deze zaak kreeg ook wat persaandacht, maar uiteindelijk werd deze vrouw enkel veroordeeld voor het generieke ‘politieke collaboratie’ (en dus niet voor verklikking). Het systematisch registreren, identificeren en opsporen van Joden tijdens de bezetting werd met andere woorden nooit erkend als behorende tot één misdrijf dat gelijkgesteld kon worden aan verklikking.

In Nederland daarentegen werd de wetgeving op verklikking in de hier onderzochte zaken relatief vaak toegepast, regelmatig in combinatie met hulpverlening aan de vijand.80 Dat was ook het geval bij de hierboven behandelde politieagenten. Het belang van het verschil met België wordt echter helemaal duidelijk als we de globale cijfers bekijken. Voor Nederland telde Belinfante 1342 veroordelingen wegens verklikking.81 In België werden maar liefst 4101 mensen veroordeeld met verklikking als enige aanklacht (het aantal veroordelingen voor verklikking in combinatie met andere aanklachten was uiteraard nog veel groter).82 Hoewel in België dus significant meer mensen voor alleen verklikking werden veroordeeld dan in Nederland, lijkt het beeld voor de toepassing in delicten gerelateerd aan de Jodenvervolging net omgekeerd te zijn. In België werd er in gevallen van verklikking van Joden meestal voor gekozen ‘gewoon’ politieke collaboratie ten laste te leggen. In Nederland kwam de verklikking van Joden sterker op de voorgrond te staan in de processen, omdat de aanklacht vaker bestond uit een combinatie van hulpverlening aan de vijand en verklikking. Dit is een belangrijk verschil, waarvoor niet meteen een sluitende verklaring kan worden gegeven. Een hypothese is dat Nederlandse gerechtelijke onderzoeken naar verklikking van Joden globaal over meer betrouwbare getuigen en/of geschreven bewijsmateriaal beschikten. Een andere reden zou kunnen zijn dat het gerecht minder hoge eisen stelde aan de bewijslast, maar dat is lastig te controleren, aangezien de verschillende zaken moeilijk met elkaar te vergelijken zijn.

Gewelddadig en potentieel mediageniek: de concentratiekampbewakers

Tijdens de oorlog richtte de bezetter in beide landen kampen op in het kader van de Jodenvervolging. In België ging het om het transitkamp in de Kazerne Dossin in Mechelen en het concentratiekamp in Breendonk. In Nederland waren er onder andere kampen in Westerbork, Amersfoort en Vught. Het doel en het regime van de kampen verschilden onderling sterk. Dossin en Westerbork waren ‘doorgangskampen’, waar Joden werden verzameld alvorens te worden gedeporteerd. Breendonk was een klassiek concentratiekamp waar politieke en raciale gevangenen onderworpen werden aan systematische terreur. Vught was eveneens een concentratiekamp, maar fungeerde daarnaast enige tijd als doorgangskamp voor Joden. Het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort stond onder leiding van de Sipo-SD en herbergde politieke gevangenen, Joden en ontduikers van de gedwongen tewerkstelling, meestal voor een korte periode. In deze verschillende kampregimes werden ook Belgen en Nederlanders ingeschakeld voor de bewaking. Met deze kampbewakers hebben we nog een vorm van actief daderschap dat – althans op papier – na de bevrijding de basis had kunnen vormen voor een emblematisch ‘didactisch proces’ rond de Jodenvervolging.

Voor Nederland vallen zeven onderzochte gevallen onder de categorie kampbewakers. Zij hebben met elkaar gemeen dat hen specifiek tegen Joodse gevangenen gerichte mishandelingen ten laste werd gelegd. Slechts vier van hen dienden in de Nederlandse concentratiekampen Amersfoort en Vught, de drie anderen waren actief geweest in het Oostenrijkse Mauthausen.83 Eén persoon uit de Nederlandse selectie bekende tijdens zijn verhoren dat hij van augustus 1942 tot begin 1943 deel had uitgemaakt van het SS-Wachbatallion dat kamp Westerbork bewaakte. Hij beweerde echter uitsluitend in opleiding te zijn geweest. In zijn rechtszaak kwam de Westerborkperiode niet aan de orde.84 Tegen de Nederlanders die deel hadden genomen aan de bewaking van kamp Westerbork is nooit een centraal proces gevoerd. Dat is waarschijnlijk een gevolg van het feit dat het kamp door verschillende groepen werd bewaakt, soms slechts voor korte periodes: binnen de hekken was er een uit gevangenen bestaande Joodse Ordedienst en daarnaast waren bewakingstaken toegewezen aan de Marechaussee, een Nederlands politiebataljon en enkele SS’ers.85

De vier bewakers in de concentratiekampen Vught en Amersfoort werd hulpverlening aan de vijand ten laste gelegd. Dat het in de Bijzondere Rechtspleging ontbrak aan een ‘standaardmodel’ zien we aan het feit dat hun tenlasteleggingen van elkaar verschilden: bij de bewakers van kamp Amersfoort had de hulpverlening bestaan uit het mishandelen van gevangenen, terwijl de Aufseherin van kamp Vught zowel mishandeling als hulpverlening wegens haar werkzaamheden in het concentratiekamp ten laste gelegd werd.86 Opvallend bij de drie kampbewakers uit Amersfoort en de bewaakster uit Vught was de aandacht voor hun hardhandige optreden. In de motivering van de uitspraak tegen Jo van D. vormde het een overweging:

[...] dat verdachte’s wangedrag met name tot uiting kwam tegenover de vrouwelijke Joodse gevangenen, over wier harde lot en hetgeen haar te wachten stond, verdachte niet in het onzekere kan hebben verkeerd, doch welke omstandigheid haar tot generlei mededogen ten aanzien van die gevangenen heeft kunnen brengen.87

Tijdens het proces tegen de Amersfoortse bewakers bleek dat hun motief in antisemitische gevoelens had gelegen. Hun ‘haat tegen de Joden’ was naar eigen zeggen een gevolg van hun dienstneming bij de Waffen-SS en de propaganda die op hen was losgelaten.88 Daarnaast waren hun ervaringen aan het Oostfront vormend geweest. Eén van hen verklaarde tijdens het proces: ‘Ik heb veel vermoorde mensen in Rusland gezien en ze zeiden me, dat de Joden dat deden. Daarop kreeg ik een haat tegen de Joden’.89 De kampbewakers uit Amersfoort en Mauthausen kregen straffen van vijftien jaar tot levenslang. Eén kampbewaker uit Amersfoort werd de doodstraf opgelegd, waarvan hij later gratie kreeg. Hij zat zijn straf echter niet uit: op Tweede Kerstdag 1952 ontsnapte hij met zes andere politieke delinquenten uit de Koepelgevangenis te Breda, waarna hij de rest van zijn leven in Duitsland sleet. De bewaakster uit Vught kreeg een gevangenisstraf van tien jaar.

De Belgische gerechtelijke procedures rond Dossin en Breendonk vormen twee tegengestelde casussen. Twee jaar onderzoek leidde in het voorjaar van 1946 tot het collectieve proces Breendonk (in de populaire beeldvorming bekend als het proces van de ‘Beulen van Breendonk’) waar 23 beklaagden terechtstonden, waaronder veertien Vlaamse SS’ers, drie arbeiders en zes slaapzaalbewakers.90 Het was wellicht één van de meest gemediatiseerde Belgische processen in de periode 1945–1951. Het leidde tot zestien doodstraffen, waarvan er tien effectief werden uitgevoerd in april 1947. Het Duitse hoofd van het kamp, Philip Schmitt, werd pas in augustus 1949 veroordeeld. Hij was de enige Duitse oorlogsmisdadiger die na de Tweede Wereldoorlog door de Belgen werd terechtgesteld. Vooral in de eerste fase van het bestaan van het kamp werden er Joodse gevangenen geïnterneerd. Die Joodse specificiteit kwam echter helemaal niet aan bod in het gerechtelijk onderzoek of het collectieve proces en leidde op geen enkele manier tot een specifiek narratief.

In tegenstelling tot het Breendonkproces kwam het nooit tot een vergelijkbaar ‘Dossinproces’. Een vroeg onderzoek door de Antwerpse gerechtelijke politie naar de Kazerne Dossin leidde in 1944 tot niets en de onderzoeksresultaten werden in 1945 ook niet meer gebruikt. In de jaren die volgden werd het onderzoek naar het kamp van Dossin wat stuurloos uitgesplitst over diverse aparte onderzoeken van Vlaamse SS’ers en vooral Duitse oorlogsmisdadigers (met name het Brusselse Sipo-SD proces).91 Dit was best een grote onderzoeksinvestering. In oktober 1949 waren er al 1276 Joodse overlevenden van Dossin verhoord in uiteenlopende onderzoeken.92 De verspreide aanpak leidde echter niet tot een duidelijk narratief. De Belgische onderzoekstrategie richtte zich telkens tot zware misdrijven gepleegd in het kamp, naar analogie van Breendonk. Dat was voor Dossin een weinig nuttige vraagstelling. Het was een wezenlijke ontkenning van de rol die Dossin had ingenomen in het vervolgingssysteem. Veel slachtoffers hadden slechts enkele dagen in de kazerne verbleven en vonden dat het kampregime gunstig afstak tegen wat daarna gevolgd was in Auschwitz. Daarnaast konden slachtoffers nauwelijks daders herkennen of incidentele feiten aanhalen. Andermaal keek het Belgische militaire gerecht daarom toch pragmatisch naar andere misdrijven.

Wat ook in het nadeel speelde van de berechting van bewakers in Dossin, was dat Breendonk-leider Schmitt éérst Dossin had geleid. Schmitt werd echter – zeker in de publieke perceptie – enkel als ‘Breendonk-commandant’ terechtgesteld. In contrast daarmee werd het kampregime van zijn opvolger in Dossin, Hans Frank, gunstig geëvalueerd. De verbeteringen die Frank had aangebracht in het kampregime vormden één van de dominante narratieven in het onderzoek. Dezelfde Frank werd bovendien gezocht door de Nederlandse justitie voor feiten gepleegd in bezet Nederland rond de jaarwisseling 1944–1945. Omdat de Belgen meenden dat Frank in Nederland zwaarder zou worden veroordeeld, werd het voormalig hoofd van het Mechelse Dossin-kamp in april 1949 aan Nederland uitgeleverd. De Nederlanders veroordeelden Frank tot zes jaar hechtenis, maar leverden hem al in 1950 uit aan Duitsland.

Zicht op de Gotische Zaal in het Stadhuis van Mechelen tijdens het proces van de ‘beulen van ­Breendonk’. Dit was één van de meest gemediatiseerde processen van daders onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog in België. Het proces stimuleerde een inclusief narratief van nationaal slachtofferschap. Het kwam nooit tot een gelijkaardig proces over de Dossin Kazerne, het Duitse transitkamp voor Joden in Mechelen.

Collectie CEGESOMA, Brussel. Beeldnummer 93204.

Nationale rechtspraak en herinneringsculturen

De onderzoeksinitiatieven en rechtszaken tegen Nederlandse en Belgische medewerkers aan de Jodenvervolging vertoonden vooral overeenkomsten. In beide landen was het een moeizame onderneming.

Een eerste belangrijke vaststelling is dat de processen van de onderzochte Belgische en Nederlandse daders uiteindelijk een overwegend gelijklopend narratief produceerden. In essentie reduceerden deze processen de specificiteit van de Jodenvervolging tot een (secundair) onderdeel van anti-nationaal gedrag. Raciale vervolging werd geneutraliseerd als specifiek narratief. Er werden weliswaar cruciale bronnen samengebracht en ook was er de categorische morele afkeuring door de aanklagers. Maar de impact hiervan was verwaarloosbaar in het licht van de narratieven die in de vonnissen werden vastgelegd. Het meest frappante Belgisch-Nederlandse verschil is de verschillende toepassing van ‘verklikking’. In Nederland werd het aangeven van Joden vaker juridisch als ‘verklikking’ bestempeld. Een duidelijke verklaring daarvoor hebben we niet. Alleszins lijkt dit geen significante impact te hebben gehad in latere beeldvorming.

De gerechtelijke uitkomsten van deze onderzoeken en processen creëerden geen nieuwe narratieven. Integendeel, ze ondersteunden of bekrachtigden een al bestaande maatschappelijke ontwikkeling in de visie op de bezettingstijd en Jodenvervolging. De medewerking van de Antwerpse politie is het beste voorbeeld. Ontegensprekelijk is er een verband tussen de gerechtelijke beslissingen tot seponeringen en de daaropvolgende decennialange stilte rond de opmerkelijke gebeurtenissen in Antwerpen tijdens de zomer van 1942. De medewerking van de Antwerpse politie aan de grote Jodenrazzia’s was nooit een geheim. De feiten zelf waren publiek bekend en beschikbaar voor iedereen die daar waarde aan wilde hechten. Maar pas vanaf de vroege jaren negentig werd dit gegeven plots opnieuw ‘ontdekt’, waarna de Antwerpse burgemeester zich uiteindelijk gedwongen zag tot officiële excuses in 2007. De gerechtelijke seponering in 1945 was een bevestiging van een maatschappelijke normering, maar versterkte evenzeer de impact van die maatschappelijke beslissing tot afsluiten. Mede door dit sterke juridische ‘mandaat’ kon dat afsluiten decennialang standhouden.

Een andere manier om de impact te evalueren zijn de eventuele nieuwe politieke initiatieven die genomen konden worden in de directe nasleep van een gerechtelijk proces. De Belgische tegenstelling Breendonk-Dossin maakt concreet hoezeer de dossiers uiteenliepen. Amper één maand na het vonnis van het Breendonk-proces werd het eerste wetsvoorstel ingediend om van Breendonk een ‘nationaal gedenkteken’ te maken. Dat gebeurde vervolgens bij wet van oktober 1947.93 Het specifieke Joodse slachtofferschap was al tijdens het proces van Breendonk afgevlakt en het herinneringsbeleid bevestigde dit. De Belgisch-patriottische herinneringspolitiek lag dus volledig in het verlengde van een gerechtelijke beslissing. Maar ook de Joodse gemeenschap zelf schreef zich in het Belgisch nationale paradigma in.94 Het Graf van de Onbekende Soldaat, de Nationale Schietbaan en het kamp van Breendonk werden de centrale lieux de mémoire voor de Joodse herinnering aan de Tweede Wereldoorlog – en niet de Dossinkazerne. Het sluitstuk was de politieke beslissing van 1947 om ‘raciaal gedeporteerden’ niet als aparte officiële slachtoffercategorie te erkennen. Er is een verband tussen het uitblijven van een ‘proces-Dossin’ en het feit dat de kazerne vervolgens een culturele lieu d’oubli werd. De Mechelse kazerne zou uiteindelijk door projectontwikkelaars omgevormd worden tot privé-appartementen voor gezinnen die geen idee hadden op welke plek zij woonden. Pas in 1996 kwam er plaats voor een (bescheiden) museum.

Ook de publieke verslaggeving in de media in beide landen sloot aan bij de neiging de periode af te sluiten. Specifieke processen (zoals dat van Lauterborn-Volksverwering) konden rekenen op grote maar zeer kortstondige persaandacht. In Nederland werd over de meeste hier onderzochte rechtszaken wel bericht, maar veelal zeer beknopt.95 De verslagen raakten gemakkelijk ondergesneeuwd tussen de spectaculairdere grote nationale en internationale rechtszaken. Er was geen draagvlak voor significante publieke aandacht. In zowel België als Nederland verschenen tussen 1944 en 1947 al diverse geschriften over de Jodenvervolging.96 Deze geschriften werden nauwelijks opgemerkt. Over het algemeen werden Joodse slachtoffers in de publieke opinie tussen 1944 en 1951 volledig geassimileerd met de andere slachtoffercategorieën, wat een breder Europees fenomeen was.97 Vanaf 1946 zou aandacht binnen de Belgische publieke opinie trouwens steeds meer geabsorbeerd worden door de Koningskwestie; een typisch Belgisch probleem waarbij de Jodenvervolging geen aansluiting had. Een ander onderdeel was het bronnenmateriaal. In België werd veel essentieel bewijsmateriaal verzameld. Dat gebeurde echter stuurloos en gefragmenteerd. Mede ook door de ontoegankelijkheid, raakten die documenten vervolgens in de vergetelheid.

Al deze elementen samen hadden een grote impact op het uitblijven van de geschiedschrijving van de Jodenvervolging in België. De eerste die voorzichtig (en onopgemerkt) wees op het antisemitisme binnen Vlaamse collaborerende partijen was niet toevallig een Nederlander, Arie Willemsen, in zijn proefschrift van 1958. In de nasleep van het Eichmannproces publiceerde de Antwerpenaar Ephraïm Schmidt in 1963 een eerste poging tot studie van de Belgische (Antwerpse) situatie. Hij beschikte nauwelijks over cruciale bronnen en omzeilde bovendien het Belgisch daderschap. Het werk van Betty Garfinkels uit 1965 was een lofzang op de Belgische ‘omstaanders’.98 Zo bevestigde de Belgische geschiedschrijving de gerechtelijke afsluiting verder.

Datzelfde gold echter ook voor de wetenschappelijke geschiedschrijving in Nederland, die juist uitzonderlijk vroeg op gang kwam en veel publiek bereikte. Abel Herzbergs Kroniek der Jodenvervolging verscheen al in 1950. In datzelfde jaar ontving Jacques Presser de opdracht voor Ondergang, dat uiteindelijk in 1965 verscheen en waarvan binnen een jaar 141000 exemplaren werden verkocht. Het feit dat het werk van Presser en later dat van Loe de Jong geproduceerd werd onder de vleugels van het in 1945 opgerichte Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD), leidde ertoe dat hun onderzoek naar de Jodenvervolging ‘direct als een integraal onderdeel van de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog werd beschouwd’.99 Nederlands (mede)daderschap als zodanig stond in de geschiedschrijving van de ‘grote drie’ geschiedschrijvers van de Jodenvervolging niet centraal.100 Herzberg beschouwde de Jodenvervolging als een on-Nederlands gegeven dat niet voortkwam uit de eigen samenleving. Presser signaleerde wel de Nederlandse medewerking aan de vervolging en het ‘falen’ van de samenleving in dat opzicht, maar stelde altijd het Duitse initiatief centraal.101 Bij De Jong, wiens werk over de Jodenvervolging pas later verscheen, lag het genuanceerder.102 Toch hebben de fenomenen van Nederlandse politiemedewerking, verklikking en kampbewakers geen prominente plaats in Koninkrijk. De Nederlandse geschiedschrijving bevestigde dus aanvankelijk ook het afsluitende narratief dat de gerechtelijke procedures hadden gestimuleerd, hoewel de impact van de RIOD-geschiedschrijving zich daarna geleidelijk deed voelen.

De unieke rol van het RIODcreëerde al in een heel vroege fase een nauwe band tussen de rechtspleging en de historische collectievorming van oorlogsarchieven. Die collectievorming was echter gedurende deze eerste fase gericht op de directe afwikkeling van de bezetting (opsporing van vermisten, rechtspleging), het redden van documenten en het ontsluiten ervan.103 Deze collecties reikten allesbehalve heldere narratieven aan die onmiddellijk inzetbaar waren voor een geschiedschrijving die vervolgens een heersende consensus kon deconstrueren.

Een ander en vaker over het hoofd gezien belangrijk verschil met België was de maatschappelijke contestatie van onderuit. In Nederland zijn veel vroeger dan in België voorbeelden van ‘herinneringsincidenten’ rond ‘eigen’ daderschap in de Jodenvervolging; schandalen die de publieke opinie fundamenteel beroerden. Behalve de ophef rondom de (Duitse) ‘vier van Breda’ was er in 1956 bijvoorbeeld de ‘affaire Schokking’, waarin de toenmalige burgemeester van Den Haag aftrad nadat naar buiten was gekomen dat hij tijdens de bezetting een Joods gezin had aangegeven.104 Het zijn vooral dit soort incidenten die cruciaal waren om het stilzwijgen te doorbreken, dat ook in Nederland was opgetreden na het juridische afsluiten van deze zaken. Gedurende de jaren vijftig kwam de Jodenvervolging regelmatig in de media. Vanaf de jaren zestig nam dit toe, niet alleen als gevolg van rechtszaken in Israël en Duitsland maar ook door Nederlandse ‘affaires’ zoals die rondom Friedrich Weinreb en Pieter Menten.

België kende ook wel incidenten, maar de dossiers die aanleiding gaven tot schandalen bleken toch vooral die zaken die aansloten bij de klassieke politieke en communautaire breuklijnen. De Jodenvervolging vond daarin geen plaats. Het verschil met België was dat de Nederlandse herinneringsincidenten rond de Jodenvervolging geleidelijk aansluiting vonden bij meer algemene nationale maatschappijkritiek.105 De rol van Nederlanders in de Jodenvervolging en ook de vermeende mislukking van de Bijzondere Rechtspleging werden instrumenten om het establishment aan te vallen.106 Bij de ‘ontdekking’ van het eigen (mede)daderschap werd echter zelden teruggegrepen op de processen uit de jaren veertig. Het was net omgekeerd: de maatschappelijke verontwaardiging draaide deels om de ontdekking dat bepaalde zaken blijkbaar niet of gebrekkig berecht waren.

Besluitend: de Belgische en Nederlandse daderprocessen van de jaren 1940 liepen dus parallel en hadden aanvankelijk een vergelijkbare impact. De trial narrative van de rechtszaken tegen Nederlandse en Belgische collaborateurs bevestigde een naoorlogse consensus waarin medewerking aan de Jodenvervolging een secundair onderdeel was van antinationale collaboratie. In zowel Nederland als België raakten de processen en onderzoeksinitiatieven van eind jaren veertig in de vergetelheid. De casussen tonen daarmee aan dat rechtszaken ook een heel andere functie konden hebben dan de bekende iconische processen die breukmomenten teweegbrachten in de herinneringscultuur.

De kleinschalige rechtszaken en onderzoeksinitiatieven hadden in plaats van een agenderende juist een afsluitende functie. Ze vormden een gerechtelijke bevestiging van een bestaande of zich vormende politieke en culturele consensus. De Nederlandse casus suggereert dat maatschappelijke contestatie van onderuit belangrijk was om dit soort ‘juridische sluiting’ geleidelijk te doorbreken. Die contestatie ontstond los van de eerder gevoerde processen maar was er wel een reactie op (namelijk: het aanklagen van een gebrek aan berechting). In Nederland werd de geschiedschrijving in de jaren zestig beïnvloed door maatschappijkritische tendensen waaruit vooral verontwaardiging sprak over de detestabele rol van delen van de Nederlandse bevolking tijdens de bezetting en de vermeende laksheid van de naoorlogse rechtspleging. De verwijzing naar de Jodenvervolging maakte er zo deel uit van een nationale contestatie.

De Belgische casus toont dan weer aan hoe sterk en duurzaam dat maatschappelijke afsluiten kan zijn als geschiedschrijving en de civil society agency van onderuit ontbreken. In België groeven de onderzoeken en processen de maatschappelijke prioriteiten van 1945–1951 diep in de collectieve herinneringen in. Voor de geschiedschrijving was het vervolgens een grote uitdaging om een juridisch vastgelegde uitspraak over oorlogsmisdaden of schendingen van de mensenrechten in het publieke bewustzijn te wijzigen. In de Belgische casus zien we dat dit pas gebeurde in de jaren tachtig, toen historicus Maxime Steinberg de Jodenvervolging op de publieke agenda zette, opmerkelijk genoeg ook naar aanleiding van een proces: in West-Duitsland tegen het hoofd van de anti-Joodse afdeling in Brussel.