Inleiding

In zijn klassiek geworden The Persistence of the Old Regime omschrijft Arno Mayer het diplomatieke korps van de Europese grootmachten tijdens de lange negentiende eeuw als ‘a privileged preserve of the old nobilities’.1 Volgens deze visie domineerde de adel de diplomatieke korpsen van de Europese grootmachten, zowel in aantal als op het vlak van de diplomatieke cultuur. Deze omschrijving past in zijn algemene visie op de Europese samenleving in de lange negentiende eeuw, die volgens hem ‘thoroughly preindustrial and prebourgeois’ was. Volgens Mayer hadden de Europese elites van het ancien régime hun invloed niet verloren tijdens de Franse Revolutie, maar bleven zij nagenoeg alle aspecten van het maatschappelijke leven domineren tot aan de Eerste Wereldoorlog. Op economisch, sociaal, politiek, cultureel en filosofisch vlak bleef deze – door Mayer overigens slechts vaag gedefinieerde – ‘oude orde’ de touwtjes in handen houden. In het door Mayer beschreven Europa van de negentiende eeuw was de landbouw de belangrijkste economische sector, konden de Europese monarchen hun macht en aanzien bestendigen en zelfs verder uitbouwen, bleef de adel als klasse dominant, met een sterke interne cohesie en klassenbewustzijn en waren in de kunsten de avant-garde stijlen slechts een marginale uitdaging voor de bestaande dogma’s en stromingen. Hoewel Mayer veel kritiek oogstte met elk van deze controversiële standpunten, stimuleerde hij wel het historisch onderzoek naar de rol van de aristocratie in het moderne Europa. Auteurs als David Cannadine, Dominic Lieven en Ellis Wasson verwijzen dan ook expliciet naar de studie van Mayer als één van hun inspiratiebronnen.

Deze auteurs, die elk op hun eigen manier de impact van grote maatschappelijke evoluties op de Europese adel reconstrueerden, besteedden net als Mayer slechts een handvol pagina’s aan de rol van de adel in de diplomatieke korpsen.2 Hoewel hun beschrijvingen gedetailleerder zijn en ze, in tegenstelling tot Mayer, meestal wel konden voortbouwen op studies die het onderwerp meer in detail analyseren, kwamen zij grotendeels tot dezelfde conclusie. De diplomatieke korpsen van de voornaamste Europese landen zouden tot aan het begin van de twintigste eeuw een bastion van de oude aristocratie gebleven zijn. Naast het voortbestaan van een aristocratische diplomatieke cultuur, bleven edelen ook disproportioneel sterk vertegenwoordigd in de diplomatieke posten in het buitenland. Wassons conclusie luidt dan ook dat ‘the aristocracy still largely dominated nineteenth-century diplomacy’.3

Verschillende auteurs die de diplomatieke korpsen van de Europese grootmachten van de negentiende eeuw onderzochten, zijn de sociologische samenstelling in het algemeen en het belang van de adel in het bijzonder nagegaan. De literatuur die hierover beschikbaar is, beperkt zich meestal tot het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw en vaak werd er uitgegaan van eerder illustratief cijfermateriaal. Het wekt geen verbazing dat het belang van de adel in het diplomatieke korps sterk verbonden was met de aard van de staats- en regeringsvorm in een bepaald land. Er kunnen drie types worden onderscheiden. Ten eerste blijkt dat de diplomatieke korpsen in de grote absolutistische monarchieën in Centraal- en Oost-Europa voornamelijk en soms zelfs exclusief aristocratisch waren. Zo beschikte ongeveer zeventig procent van de Duitse diplomaten tussen 1871 en 1914 over een adellijk statuut. Bovendien behoorden alle Duitse ambassadeurs in de Europese hoofdsteden tot de adel, terwijl dit veel minder vaak gold voor de leiders van de weinig prestigieuze, niet-Europese posten.4 Voor het Habsburgse Keizerrijk becijferde William Godsey dat meer dan negentig procent van de leden van het diplomatieke korps aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog een adellijke titel droeg. Het is bovendien opvallend dat 44 procent tot een familie behoorde die voor 1500 tot de adel was toegetreden. Het Habsburgse diplomatieke korps bestond dus vooral uit leden van oude, hoog-adellijke families.5 Over Rusland is minder bekend, maar aan het einde van de negentiende eeuw hadden slechts twee hoge Russische diplomaten een niet-adellijke achtergrond. Verder was het korps exclusief aristocratisch.6 Tegenover dit imperiale model staat het republikeinse model, waartoe alleen Frankrijk gerekend kan worden, en dat gekenmerkt wordt door een opvallend lage adellijke vertegenwoordiging in het diplomatieke korps. Het Franse diplomatieke korps blijkt, in het bijzonder na 1877, het minst aristocratische van de Europese grootmachten op dat moment. Hoewel tussen 1870 en 1914 weliswaar 44 procent van de diplomaten een adellijke titel droeg, daalde het aandeel van de posthoofden met een adellijk statuut opmerkelijk van 72 procent tussen 1871 en 1878 naar nog geen 20 procent tussen 1903 en 1914. Edelen werden in deze periode doelbewust verwijderd uit de hoogste diplomatieke posities.7 Al even opvallend is de vaststelling dat het aandeel van de adellijke posthoofden8 in het interbellum opnieuw toenam tot 28 procent.9 Tussen het imperiale en het republikeinse model past het constitutioneel-monarchaal model, waar de adel een belangrijkere positie bezette dan in het republikeinse Frankrijk, maar waar ook niet-adellijke diplomaten hun plaats opeisten. Volgens Ray Jones droeg 52 procent van de Britse diplomaten tussen 1815 en 1860 een adellijke titel, en daalde dit percentage naar 38 procent tussen 1860 en 1914.10 Thomas Otte stelt dat Jones het aandeel van de adel onderschat en becijfert zelf dat 55 procent van de Britse ambassadeurs tussen 1856 en 1914 een adellijk statuut bezat.11 Dat is een hoger percentage dan het Franse aandeel van circa twintig procent, maar lag toch beduidend lager dan in Duitsland, Oostenrijk-Hongarije of Rusland gebruikelijk was.

In welk van deze drie modellen zou het Belgische diplomatieke korps het best passen? De huidige historiografie geeft geen sluitend antwoord op de vraag of het Belgische diplomatieke korps al dan niet door edelen gedomineerd werd. Zo maakte Martine Delsemme wel een nauwgezette studie van het Belgische diplomatieke korps in de vroege beginjaren van de Belgische staat, maar behandelde zij de aanwezigheid van de adel niet erg uitgebreid.12 Claude Roossens richtte zich dan weer voornamelijk op de wijzigende wetgeving over de toetreding tot de diplomatieke carrière.13 Dit is relevant voor deze studie, omdat deze wetgeving een belangrijke impact zou kunnen hebben gehad op het ‘democratische’ en ‘open’ karakter van het diplomatieke korps. In hun recentste studie van het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken, het diplomatieke en het consulaire korps bieden Rik Coolsaet, Vincent Dujardin en Claude Roossens een historisch overzicht van de wijzigende organisatie van het ministerie.14 Hierbij komt ook het diplomatiek personeel en hun rekrutering aan bod, al werd de evolutie van het adellijk aandeel niet uitvoerig bestudeerd. De auteurs tonen echter wel aan dat het adellijk aandeel in het diplomatieke korps geregeld politiek ter discussie stond, waarbij de aanwezigheid van edelen door sommige volksvertegenwoordigers als noodzakelijk werd geacht (om voldoende te wegen in de negentiende-eeuwse ‘aristocratische’ diplomatieke cultuur) maar door anderen weer als problematisch werd ervaren (omdat andere criteria dan een adellijke titel van belang zouden moeten zijn om tot een sterke diplomatieke vertegenwoordiging te komen).15 In zijn recente proefschrift heeft Michael Auwers de thematiek van deze bijdrage vanuit een enigszins ander perspectief benaderd. Auwers berekende de adellijke aanwezigheid in de Belgische buitenlandse vertegenwoordiging aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw vooral om te onderzoeken hoe processen van democratisering in de Belgische staat weerspiegeld werden in de evolutie van de Belgische diplomatieke cultuur.16

Deze bijdrage beoogt de lacune in de historiografie over de aanwezigheid van de Belgische adel in het diplomatieke korps in te vullen en daarbij bestaande hypothesen te toetsen en te herzien. Eerst zal het aandeel van de adel in de Belgische buitenlandse vertegenwoordiging nagegaan worden, met aandacht voor de evoluties op de langere termijn. Deze evoluties zullen worden getoetst aan de wijzigende wetgeving die de toegang tot het diplomatieke korps reguleerde. Hierdoor zal worden verduidelijkt dat er geen sprake was van een eenduidige, lineaire evolutie naar een ‘moderne’ of ‘democratische’ samenstelling van het diplomatieke korps.

Deze algemene gegevens zullen weliswaar een blik werpen op het numerieke belang van de adel in het korps, maar zullen ook nog veel elementen verhullen. Daarom wordt er vervolgens nauwkeuriger gekeken naar bepaalde facetten van de diplomatieke carrière, waardoor het oorspronkelijke beeld op sommige vlakken bijgesteld kan worden. Waren edelen sterker vertegenwoordigd aan de top van de diplomatieke carrière (bijvoorbeeld als leiders van diplomatieke vertegenwoordigingen) dan in de lagere rangen? Werd de voorkeur gegeven aan edelen om diplomatieke posten te leiden? Daarnaast zal onderzocht worden of edelen vaker naar de hoofdsteden van Europese grootmachten gezonden werden dan naar andere, politiek minder belangrijke en minder prestigieuze posten.

Hierna zal de focus verschuiven naar de adellijke diplomaten zelf. Omdat de Belgische adel geen homogene groep vormt, is het mogelijk om uitspraken te doen over hun belang in het diplomatieke korps door enkele aspecten van hun adellijk profiel toe te lichten. Zo zal de ouderdom van hun adellijk statuut worden onderzocht, waardoor bepaald kan worden in hoeveel gevallen het ging om ‘nieuwe edelen’, dan wel om leden van oude, adellijke families. Daarnaast wordt het fenomeen van de ‘adellijke dynastieën’ onderzocht: hoe talrijk waren de families waarvan verschillende leden tegelijk actief waren in de diplomatieke carrière of waarbinnen diplomatieke functies overgedragen werden van vader op zoon?

Ten slotte wordt het diplomatieke korps vergeleken met andere publieke sectoren in België. Diepgaande, nauwkeurige en volledige gegevens over het aandeel van de adel in een bepaalde sector zijn echter schaars. Daarom blijft dit deel beperkt tot een vergelijking met gegevens over het Belgische parlement en het lokale politieke bestuur.

Op empirisch vlak zal deze analyse steunen op de Almanach Royal officiel de Belgique.17 Hierin werden de namen van de Belgische diplomaten in buitenlandse posten weergegeven, de rang binnen de diplomatieke hiërarchie die ze in dat jaar bekleedden en de plaats waar ze op dat moment in dienst waren.18 Via een seriële analyse van deze publicatie kon de carrière van alle diplomaten met een adellijk statuut gereconstrueerd worden. Een lid van de Belgische adel werd herkend aan zijn adellijke titel. Hoewel leden van de ongetitelde adel op die manier door de mazen van het net glipten, werden ze toch opgespoord via andere referentiewerken.19

Dit onderzoek zal zich richten op de periode tussen 1840 en 1940. Het vertrekpunt van deze analyse is niet de oprichting van het onafhankelijke België in 1831, maar 1840, toen het wetgevend kader voor de toetreding tot de diplomatieke carrière vorm kreeg. Verder bleef het aantal diplomatieke posten in het buitenland, en dus het aantal diplomaten, in het eerste decennium na de Belgische onafhankelijkheid erg beperkt door het onzekere internationale statuut van België voorafgaand aan het Verdrag van Londen van 1839. Het eindpunt van de analyse ligt een eeuw later, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Hier zijn verschillende redenen voor. Zo beargumenteert Michael Auwers dat de Eerste Wereldoorlog een keerpunt betekende in de omgang van het Belgische diplomatieke korps met andere maatschappelijke actoren in België, zoals de politieke elite, de pers en de koning.20 Bovendien zal meteen na de Eerste Wereldoorlog de toegang tot de diplomatieke carrière grondig hervormd worden. Wanneer het interbellum in de analyse geïntegreerd wordt, kunnen beide vaststellingen getoetst worden aan eigen kwantitatieve gegevens.

De evolutie van de adellijke vertegenwoordiging in het Belgische diplomatieke korps

Na onderzoek in de Almanach Royal werd een lijst opgesteld met alle 234 individuele adellijke diplomaten, actief tussen 1840 en 1939. Sommigen onder hen behoorden slechts een jaar tot de Belgische vertegenwoordiging in het buitenland, anderen hun hele professionele leven. De carrière van elke diplomaat met een adellijk statuut kon met de beschikbare informatie volledig gereconstrueerd worden, waarbij werd vastgelegd op welke post en met welke rang in de diplomatieke hiërarchie hij op dat moment actief was.

Figuren 1 en 2 geven het gemiddeld aantal diplomaten weer die per jaar actief waren, gegroepeerd naargelang hun al dan niet adellijk statuut. Over de gehele onderzoeksperiode bezat 43 procent van de Belgische diplomaten een adellijke titel en behoorde negen procent tot de ongetitelde adel. Deze laatsten voerden geen adellijke titel, maar hun naam werd wel voorafgegaan door het adellijk predicaat ‘jonker’ of ‘jonkheer’.21 Ongetitelde edelen bevinden zich eerder in een schemerzone tussen getitelde edelen en de bourgeoisie, omdat ze, bij gebrek aan titel, niet onmiddellijk als edelen herkenbaar zijn.

Figuur 1: 

Samenstelling van de adellijke vertegenwoordiging van het Belgische diplomatieke korps tussen 1840 en 1940.

Figuur 2: 

Tienjaarlijks gemiddelde van de samenstelling van het Belgische diplomatieke korps tussen 1840 en 1940.

Het aandeel van de adellijke vertegenwoordiging in het diplomatieke korps is aan belangrijke schommelingen onderhevig. Zo bereikte het aandeel van de getitelde adel in 1853 met 28 procent een minimum (11 edelen op 39 diplomaten), terwijl dit aandeel in 1890 met zestig procent nooit groter was (32 edelen op 53 diplomaten). Vanzelfsprekend wordt hiermee duidelijk hoezeer de adel buitenproportioneel vertegenwoordigd was in het diplomatieke korps. Deze cijfers wijzen echter geenszins op een aristocratische dominantie van het diplomatieke korps, zoals bijvoorbeeld door Arno Mayer of Ellis Wasson werd beschreven.

Ook de evoluties door de tijd heen kunnen toegelicht worden. Deze resultaten tonen aan dat er in de negentiende eeuw geen sprake was van een eenzijdige modernisering of democratisering. Het diplomatieke korps werd niet in toenemende mate toegankelijk voor kandidaten uit bredere lagen van de bevolking. Toch daalde het percentage getitelde edelen in de eerste twee decennia van onze onderzoeksperiode. Tot 1860 was het percentage van de diplomaten met een burgerlijke achtergrond relatief hoog. Het is opmerkelijk om vast te stellen dat hierna het aandeel van de adellijke diplomaten toenam, vooral tussen 1870 en 1885. Vervolgens bleef het percentage edelen tot aan de Eerste Wereldoorlog relatief hoog, onder meer door een stijging aan het einde van de eeuw, al werd de ongetitelde adel nu talrijker. Vanaf 1900 nam het aandeel van de getitelde adel weer af en aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog werd opnieuw het niveau van 1870 bereikt. Meteen na de Eerste Wereldoorlog kromp het aandeel van de adel met zo’n tien procent. Tijdens het interbellum wijzigden de verhoudingen verder nauwelijks: de getitelde adel schommelde rond de 35 procent en 54 procent van de diplomaten had een burgerlijke achtergrond.22

De algemene evolutie van het adellijk aandeel in het diplomatieke korps wijst op een de-aristocratisering tussen 1840 en 1860, een re-aristocratisering vanaf 1870 tot aan de Eerste Wereldoorlog (vooral veroorzaakt door een scherpe toename van het adellijk aandeel tussen 1870 en 1885) en een stabilisering op een lager niveau tijdens het interbellum. Voor de periode tot 1914 beschrijft Michael Auwers een vergelijkbaar patroon.23

Er bestaat geen duidelijk verband tussen deze evoluties en de ontwikkeling van de toelatingscriteria voor de diplomatieke carrière.24 Elk wettelijk kader ontbrak in de eerste jaren na de Belgische onafhankelijkheid en de toegang tot de diplomatieke carrière werd pas voor het eerst geregeld in 1841. Jonge diplomaten begonnen helemaal onderaan de ladder als gezant, zonder aan een examen te moeten deelnemen. Een benoeming door de minister van Buitenlandse Zaken was voldoende om als gezant te worden uitgezonden. Tijdens deze procedure won het ministerie informatie in over het gedrag, de sociale afkomst en de financiële situatie van de kandidaat en zijn familie.25 Vele jonge diplomaten maakten van deze regeling dan ook gebruik om na afloop van hun studies ervaring op te doen in het buitenland en er een sociaal netwerk uit te bouwen.26 Zij beschouwden een positie als gezant in het diplomatieke korps als een buitenlandse stage. Meer dan een derde van de diplomaten actief tussen 1831 en 1850 kwam immers nooit verder dan de laagste graad van gezant.27 Vanaf 1841 werd voor het eerst een diplomatiek examen georganiseerd, wat een belangrijke belemmering vormde om te promoveren in de diplomatieke hiërarchie. Alleen gezanten konden deelnemen aan het examen en een succesvol resultaat was noodzakelijk om de volgende rang van secretaris tweede klasse te bereiken.28 Een benoeming tot gezant was dus een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen deelnemen aan het diplomatiek examen. Op die manier hield het ministerie, met de willekeur van de benoemingsprocedure, de touwtjes zelf in handen. Aan deze regeling dankte de diplomatieke carrière haar gesloten karakter in deze periode. Deze situatie wijzigde pas in 1888. In een context waarin de Belgische industrie expandeerde en in toenemende mate nieuwe, buitenlandse afzetmarkten zocht, werd de doorstroming in de diplomatieke carrière afhankelijk gemaakt van het slagen voor een zogenaamd commercieel examen. Dit tweede examen was enkel toegankelijk voor secretarissen tweede klasse, en slagen was noodzakelijk om benoemd te worden tot secretaris eerste klasse.29 Dit wijzigde echter niets aan de benoemingsvoorwaarde helemaal onderaan de carrièreladder. Pas in 1924 werd de noodzakelijke benoeming tot gezant geschrapt. Met het Koninklijk Besluit van 30 november werd de toegang tot de laagste graad van gezant afhankelijk gemaakt van het slagen voor het diplomatieke examen, dat bovendien competitief georganiseerd werd.30 Het commercieel examen bleef ongewijzigd bestaan. Met deze wijzigingen verloor het diplomatieke korps voor een aanzienlijk deel zijn gesloten karakter, al bood het mondelinge onderdeel van het examen de examinatoren nog steeds de mogelijkheid ‘de persoonlijke kwaliteiten’ van de kandidaten te beoordelen.31

De de-aristocratisering noch re-aristocratisering kunnen op basis van de veranderende toelatingscriteria verklaard worden. De wetswijziging van 1924 kan wel worden aangewend om de uiteindelijke daling van het adellijk aandeel in het interbellum te verklaren, al tonen de resultaten aan dat het aandeel van de getitelde adel reeds in 1920 aanzienlijk gedaald was, terwijl de percentages daarna min of meer stabiel bleven. Naast de veranderende toelatingscriteria zullen dus andere verklaringen nodig zijn om het evoluerende adellijke aandeel te interpreteren.

Bovenstaande resultaten hebben aangetoond dat er geen sprake is van een lineaire daling van het percentage edelen in het diplomatieke korps, die het gevolg zou zijn van een ‘modernisering’ of ‘democratisering’ van de carrière. De evolutie van het adellijk aandeel vertoont een grillig patroon, met een opvallende toename van het percentage edelen aan het einde van de negentiende eeuw. Michael Auwers stelt een hypothese voor om deze re-aristocratisering van het diplomatieke korps te verklaren. De re-aristocratisering zou een tegenstrijdigheid vormen met tendensen om de samenleving juist in toenemende mate te stoelen op een democratische basis. Deze tegenspraak zou de verklaring vormen voor de re-aristocratisering van de diplomatieke carrière. Op het moment dat, vooral door de uitbreiding van het stemrecht, de politiek steeds minder aantrekkelijk werd voor Belgische edelen, bleef de diplomatieke wereld, doordrongen van aristocratische waarden en gewoonten, een uitgelezen carrièrekeuze.32 Dat de diplomatieke en politieke wereld deel uitmaakten van eenzelfde ‘systeem’ is onbetwistbaar. Dat edelen echter zomaar zouden verhuizen al naargelang ze worden aangetrokken of afgestoten door de ene of de andere zijde, is minder aannemelijk. Zelfs indien het organiseren van het politieke veld op basis van democratische principes onmiddellijk resulteerde in een afname van het aantal politiek actieve edelen, dan zou dit al gebeurd zijn voor de re-aristocratisering van het diplomatieke korps omstreeks 1870. Hoewel het opvallend is dat de diplomatieke carrière nooit door meer edelen werd bevolkt op het moment dat de politieke wereld in toenemende mate democratiseerde, hoeft dit niet te betekenen dat hiertussen ook een oorzaak-gevolgrelatie bestaat.

Prins Eugène de Ligne (1787–1851) behoorde tot een van de oudste adellijke families van het land. Tussen 1843 en 1848 leidde hij de Belgische ambassade in Parijs. Tussen 1840 en 1940 waren zes prinsen de Ligne actief in de Belgische diplomatie.

Portret van Eugene Lamoral, Prins de Ligne ­d’Amblise et d’Epinoy, voorzitter van de Senaat (1852 tot 1879).

Alexandre Nestor Nicolas Robert, 1854.

KIK-IRPA, Brussel, www.kikirpa.be.

De periode van re-aristocratisering eindigde pas na de Eerste Wereldoorlog, al bleef het percentage edelen, met zo’n 35 procent, ook tijdens het interbellum nog relatief hoog. De Eerste Wereldoorlog betekende geen definitieve breuk voor de adellijke vertegenwoordiging in de diplomatie. Volgens Auwers wijzigde de Eerste Wereldoorlog de verhouding tussen de diplomatie en de politieke elite, pers en publieke opinie.33 Uit bovenstaande resultaten blijkt dat dit zich niet onmiddellijk vertaalde in een de-aristocratisering van het korps. Daarop is het wachten tot na de Tweede Wereldoorlog, wanneer de adellijke vertegenwoordiging sterker daalt.34 Dit is vooral te verklaren door de grote toename van het aantal diplomaten en diplomatieke posten, het samenvoegen van de diplomatieke en consulaire carrière in 1947, het streven naar een linguïstisch evenwicht in het korps vanaf de jaren 1960, en de verdere democratisering van verschillende maatschappelijke sectoren, in het bijzonder het onderwijs.35 De democratisering van het korps kwam dus vooral na de Tweede Wereldoorlog in een stroomversnelling.36

Het diplomatieke korps ontleed: de verschillende rangen in de diplomatieke carrière

Verschillende elementen inherent aan de diplomatieke carrière en de Belgische adel bleven door deze algemene beschouwing buiten beeld. Sommige vastgestelde evoluties, zoals de re-aristocratisering aan het einde van de negentiende eeuw, konden bovendien niet verklaard worden. Daarom wordt in de volgende paragrafen nadrukkelijker gekeken naar het profiel van de adellijke diplomaten en de verschillende geledingen binnen het diplomatieke korps.

In figuur 3 worden de leden van het diplomatieke korps eerst onderverdeeld naar de rang die de diplomaten bekleedden en naar hun al dan niet adellijke statuut. Uit het algemeen gemiddelde over de hele periode blijkt dat de topposities in de diplomatie zowel door edelen als door niet-edelen ongeveer gelijk bezet werden. In verhouding tot hun vertegenwoordiging in het geheel van het diplomatieke korps hadden bijgevolg relatief meer edelen de leiding over een diplomatieke post. Uit de cijfers over de lagere rangen van de diplomatieke carrière blijkt ook dat edelen er met 39 procent een minderheid waren. Wijst dit erop dat het ministerie van Buitenlandse Zaken er de voorkeur aan gaf om edelen aan het hoofd van een buitenlandse vertegenwoordiging te plaatsen? Of zijn deze resultaten eerder het gevolg van een groot aantal edelen met een burgerlijke achtergrond die een adellijke titel verwierven, juist omdat ze een hoge positie hadden in het diplomatieke korps?

Figuur 3: 

Tienjaarlijks gemiddelde van de Belgische diplomaten naar rang en adellijk statuut tussen 1840 en 1940.

De schommelingen in deze cijfers weerspiegelen gedeeltelijk de bevindingen uit de vorige paragraaf. Zo blijkt dat de afname in het percentage edelen in de eerste twee decennia toe te schrijven is aan een daling in de laagste rangen van het korps. Onder de leiders van diplomatieke missies hielden de edelen tussen 1840 en 1860 immers nog relatief stand. Ook de re-aristocratisering van het diplomatieke korps keert in figuur 3 terug. Wanneer het relatieve aantal adellijke diplomaten een hoogtepunt bereikte in de jaren 1880, was ook het aandeel edelen in de laagste rangen met zestig procent maximaal. Deze re-aristocratisering manifesteerde zich ook onder de posthoofden. De chronologie is hierbij echter verschillend: hoewel de re-aristocratisering een hoogtepunt bereikte tussen 1880 en 1890, domineerden edelen de hoogste posities van het korps pas vanaf 1890. De re-aristocratisering van de hoogste hiërarchische posities trad dus met vertraging op. De verklaring ligt voor de hand: de relatieve toename van het aantal adellijke diplomaten in de jaren 1870 zorgde pas later, na hun promoties, voor een sterkere vertegenwoordiging in de hogere rangen.

Gelijktijdig met de re-aristocratisering van de top van de carrière, nam het aandeel edelen in lagere functies stelstelmatig af. Deze daling zette zich al in vanaf 1890, maar wordt duidelijk rond de eeuwwisseling, toen nog slechts één op drie diplomaten met een lagere rang een adellijk statuut bezat. In de laagste rangen van de diplomatie werden niet-adellijke diplomaten dus reeds voor 1914 talrijker. Beide fenomenen hebben geleid tot een interessante situatie aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Hoewel de basis van de diplomatieke hiërarchie in toenemende mate door diplomaten met een burgerlijke afkomst werd bezet, waren de topfuncties voor zestig à zeventig procent in handen van edelen. De gevolgen van deze situatie zijn moeilijk in te schatten. Misschien heeft de nieuwe generatie jonge diplomaten, met een andere sociale achtergrond, wel bijgedragen tot een andere houding ten opzichte van de politieke elite en de pers na de Eerste Wereldoorlog zoals Auwers die vaststelde. Mogelijk leidde deze situatie ook intern tot fricties, wanneer diplomaten met een verschillende sociale achtergrond, tijdens de moeilijke oorlogssituatie, met elkaar dienden samen te werken.

Deze niet-adellijke basis van het diplomatieke korps wijst er eveneens op dat de kiemen voor de geleidelijke afname van het adellijk aandeel al voor 1914 te vinden zijn. Ook in het interbellum bleef de basis van de carrière voor twee derden bezet door niet-adellijke diplomaten. Daarnaast werd de adel nu ook in de hoogste rangen overvleugeld. Diplomaten zonder adellijk statuut die aan het einde van de negentiende eeuw al de laagste rangen domineerden, promoveerden namelijk tijdens het interbellum. De openstelling van de diplomatieke carrière was met andere woorden een proces dat over meerdere decennia verliep. Omstreeks de eeuwwisseling zijn de eerste sporen merkbaar in de laagste rangen van de hiërarchie, terwijl pas na 1945 de democratisering volledig doorbrak.

Ook een studie van de landen waarin adellijke diplomaten actief waren biedt een bijkomende analyse van het adellijk aandeel in het diplomatieke korps. Indien bijvoorbeeld edelen disproportioneel vertegenwoordigd waren op de meer prestigieuze diplomatieke posten zou dit kunnen betekenen dat het idee bestond, bij edelen of bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat een adellijk statuut een meerwaarde vormde op deze belangrijke posten.

Bepalen welke diplomatieke posten als prestigieus beschouwd werden, is enigszins arbitrair. Voor de negentiende eeuw blijft dit beperkt tot de hoofdsteden van de Europese grootmachten (Wenen, Berlijn, Sint-Petersburg, Parijs en Londen). Gezien het tanende belang van Wenen na de Eerste Wereldoorlog en de opkomst van de Verenigde Staten als grootmacht, werd deze diplomatieke post voor het interbellum vervangen door Washington.

In figuur 4 geeft het onderste deel van de kolom telkens het percentage aan van de edelen die in dat steekproefjaar actief waren in de hoofdsteden van Europese grootmachten. De doorlopende lijn geeft het relatieve aantal diplomaten (zowel adellijk als niet-adellijk) in deze centrumposten ten opzichte van het aantal diplomaten weer. Dit percentage loopt vrijwel steeds in dalende lijn, door de constante toename van het aantal diplomatieke posten in het buitenland. Deze tendens versnelt tijdens het interbellum, omdat België in een groter aantal landen werd vertegenwoordigd en omdat het pas in 1936 opnieuw diplomaten naar Moskou zond, nadat de vertegenwoordiging er sinds de oprichting van de Sovjet-Unie geschrapt was. Figuur 5 geeft ook het absolute aantal edelen per steekproefjaar weer. Hoewel het om lage aantallen gaat, zijn de resultaten toch richtinggevend.

Figuur 4: 

Tienjaarlijkse steekproef van de verdeling van de adellijke diplomaten naar de plaats van de diplomatieke missie.

Figuur 5: 

Tienjaarlijkse steekproef van de verdeling van de adellijke diplomaten naar plaats van de diplomatieke missie.

Het percentage edelen in centrumlanden schommelt tussen 25 en 52 procent. In de jaren 1870, 1880 en 1890 steeg het aandeel van de adellijke diplomaten bij de grootmachten, hoewel het belang van de Belgische vertegenwoordiging in deze landen afneemt. Op het hoogtepunt van de adellijke vertegenwoordiging waren er dus meer edelen actief in de centrumposten. Deze cijfers wijzen opnieuw op de re-aristocratisering van het diplomatieke korps aan het einde van de negentiende eeuw.

Tijdens de periode van re-aristocratisering van het diplomatieke korps was de adel sterker dan voordien vertegenwoordigd in topfuncties en in de meest prestigieuze diplomatieke posten. Het is mogelijk dat er bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in deze periode voorkeur bestond voor het plaatsen van edelen op deze belangrijke posities, wellicht omdat de dominante diplomatieke cultuur er meer gelijkenissen vertoonde met de aristocratische waarden, gewoonten en levensstijl. Het is echter niet duidelijk waarom hetzelfde niet zou opgaan voor de jaren 1850 en 1860, wanneer het adellijk aandeel net afnam. Bovendien zou in dat geval ook in andere Europese landen dergelijke voorkeur voor aristocraten merkbaar moeten zijn. Cijfers voor Frankrijk en Groot-Brittannië suggereren echter een daling van het aantal adellijke diplomaten omstreeks de eeuwwisseling. Het volwaardig toetsen van deze hypothese vereist echter vooral kwalitatief onderzoek en valt daarmee buiten het bestek van deze bijdrage. Een alternatieve verklaring die hier verder onderzocht zal worden, gaat uit van een re-aristocratisering door het toetreden van een groot aantal recent geadelde diplomaten. Hiervoor is het nodig om de focus te verschuiven naar het profiel van de adellijke diplomaten zelf.

De adel ontleed: adellijke anciënniteit en dynastieën

Net zoals er verschillende graden en rangen bestaan in de diplomatieke carrière, vormt ook de Belgische adel geen homogene groep. Behalve het onderscheid tussen getitelde en ongetitelde edelen kunnen de adellijke diplomaten ook ingedeeld worden op basis van de ouderdom van hun adellijk statuut. Deze adellijke anciënniteit is essentieel om het belang van de adel in de diplomatie in te schatten. Hiermee kan immers nagegaan worden hoeveel diplomaten hun adellijk statuut slechts recent verkregen hadden, bijvoorbeeld omdat zij persoonlijk of omdat een familielid recent geadeld werd. In deze paragraaf worden daarom de adellijke diplomaten zelf van naderbij bestudeerd. Tot welke families behoorden zij? Ging het om oude adellijke geslachten, die met meerdere diplomaten in hun rangen dynastieën vormden? Of bestond de groep van adellijke diplomaten vooral uit recent geadelden, die kort daarvoor nog tot de hogere burgerij behoorden? Hoe vaak kwam het voor dat een diplomaat tijdens zijn carrière geadeld werd? Biedt de adellijke anciënniteit misschien een verklaring voor de evoluties in het diplomatieke korps?

Bijeenkomst van de top van de Belgische diplomatie op 5 april 1940, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Van links naar rechts: Fernand Van Langenhove (secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken), burggraaf Jacques Davignon (ambassadeur te Berlijn), baron Pierre Van Zuylen (directeur-generaal Politieke Zaken), Pol Le Tellier (ambassadeur te Parijs), graaf André de Kerchove de Denterghem (gevolmachtigd minister te Rome), Leon Nemry (gevolmachtigd minister te Den Haag), Paul-Henri Spaak (minister van Buitenlandse Zaken), en baron Emile de Cartier de Marchienne ­(gevolmachtigd minister te Londen).

Collectie CEGESOMA, Brussel. Beeldnummer 40464.

Het onderzoek leverde een lijst op van 234 individuele adellijke diplomaten, waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen de ancien régime-adel, de negentiende-eeuwse adel en de persoonlijk geadelden. Tot de eerste en de tweede categorie behoren edelen die hun statuut via overerving verkregen; de derde categorie bevat de ‘nieuwe adel’.37Figuur 6 deelt deze diplomaten in naar hun adellijke anciënniteit en dateert hen naar het jaar waarop zij toetraden tot de diplomatieke carrière.

Figuur 6: 

Verdeling adellijke diplomaten naar het moment van hun intreden in de diplomatieke carrière en hun adellijke anciënniteit.

Twee derde van de adellijke diplomaten behoorde tot een familie die voor de Franse Revolutie over een adellijk statuut beschikte. Sommigen van hen maakten deel uit van de oudste adellijke families van het land en voerden hoge adellijke titels. Bovendien telden verschillende van deze families meerdere diplomaten. De families Ricquet de Caraman-Chimay, Van den Steen de Jehay, d’Ursel, d’Oultremont, de Ligne en d’Anethan, bijvoorbeeld, telden over de gehele periode ten minste vier diplomaten en beschikten over een adellijk statuut dat kon teruggaan tot de zestiende of zeventiende eeuw.

Een derde van de adellijke diplomaten behoorde pas sinds de Franse Revolutie tot de adel. De meesten onder hen (23 procent van het totaal) dankten hun adellijk statuut aan een familielid dat sinds de heroprichting van de adelstand in 1815 geadeld was. Slechts een minderheid (tien procent van het totaal) werd persoonlijk geadeld. De meesten van deze nieuwe edelen traden bovendien als enige van hun familie toe tot de diplomatie. Toch zijn er ook hier enkele families terug te vinden met meerdere diplomaten in hun rangen. De familie Nothomb is hiervan de voornaamste, met vijf diplomaten tussen 1840 en 1940. Als voormalig lid van het Nationaal Congres, eerste secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken en meervoudig minister en regeringsleider, werd Jean-Baptiste Nothomb in 1845 benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Berlijn, waar hij in 1853 geadeld werd. Hij zou de functie tot aan zijn dood in 1881 bekleden. In 1858 werd Nothomb’s titel van baron ook aan zijn afstammelingen verleend. Twee van zijn zonen, zijn broer en diens zoon traden eveneens toe tot het diplomatieke korps. Dit soort recente adellijke geslachten met meerdere diplomaten waren echter uitzonderlijk.

Twee derde van de adellijke diplomaten behoorde dus tot een familie die al generaties lang tot de adel behoorde. Voor het overige dateerde het adellijk statuut uit de negentiende of de vroege twintigste eeuw. Een op de tien adellijke diplomaten was persoonlijk geadeld. De vraagt dringt zich op in hoeverre die nieuwe adel reeds ten volle de adellijke levensstijl omhelsd had. Bevond deze groep zich niet eerder in een schemerzone tussen adel en hoge bourgeoisie? Hoewel een dergelijke hypothese kwalitatieve onderbouwing vereist, is de vaststelling dat een op drie adellijke diplomaten tot de recente adel behoorde een stevig argument tegen een typering van het diplomatieke korps als ‘a privileged preserve of the old nobilities’.38 Het diplomatieke korps was, ook in de negentiende eeuw of op het moment dat de adel er het best vertegenwoordigd was, niet exclusief voorbehouden voor de oude adel. Nieuwe edelen waren hiervoor te sterk vertegenwoordigd.

Figuur 6 laat bovendien de evoluties door de tijd heen zien. Logischerwijs was de rekrutering binnen de negentiende-eeuwse adel eerst nog beperkt maar dit nam in de loop van de tijd steeds toe. Hoewel de lage absolute aantallen nopen tot enig voorbehoud, gingen perioden met een toename van het adellijk aandeel (bijvoorbeeld tussen 1850 en 1860, of tussen 1890 en 1900), tweemaal gepaard met een hoger percentage geadelden dat toetrad tot de diplomatie (respectievelijk 23 en 19 procent). De significante schommelingen in het adellijk aandeel tijdens de negentiende eeuw, met vooral de re-aristocratisering van het diplomatieke korps, waren dus te wijten aan de toetreding van een hoger aantal recent geadelden. De re-aristocratisering was een gevolg van het intreden van recent geadelde diplomaten met een burgerlijke achtergrond.

Tot aan de Eerste Wereldoorlog bleef het percentage van de ancien régime-adel relatief constant. De Eerste Wereldoorlog bracht een generatiewissel met zich mee. Vele nieuwe adellijke diplomaten traden toe (terwijl hierboven wel aangetoond werd dat het adellijk aandeel met ongeveer tien procent afnam) en bovendien ging het in grote mate om recentere, negentiende-eeuwse adel. Het profiel van de adellijke diplomaat die actief was in het interbellum was dus anders dan dat van zijn negentiende-eeuwse voorgangers.

Het diplomatieke korps in vergelijkend perspectief

Een vergelijking met andere maatschappelijke sectoren kan deze onderzoeksresultaten beter duiden. Kwantitatief vergelijkingsmateriaal over de adel in verschillende maatschappelijke of openbare sectoren dat ook de evolutie ervan over de langere termijn weergeeft is echter bijzonder schaars. Het ministerie van Buitenlandse Zaken biedt waarschijnlijk de beste basis voor een vergelijking met het diplomatieke korps, maar het profiel van de personeelsleden werd echter nog niet grondig onderzocht.39

Op basis van de Almanach Royal werd een reeks samengesteld van de adellijke burgemeesters in de provincie Oost-Vlaanderen.40 Uit figuur 7 blijkt dat het percentage adellijke burgemeesters tot de jaren 1960 fluctueerde tussen de acht (met 18 adellijke burgemeesters op een totaal van 232 gemeenten) en vijftien procent (34 adellijke burgemeesters); merkbaar lager dan in het diplomatieke korps. Enerzijds was een burgemeesterspositie misschien minder prestigieus dan een diplomatieke functie, maar anderzijds ligt de verklaring wellicht bij de beperktere lokale verspreiding van de adel, waardoor edelen lang niet in alle gemeenten een burgemeester konden leveren. Door de fusies van de lokale besturen kromp het aantal gemeenten vanaf 1970 sterk, en ook het aantal adellijke burgemeesters daalde tot een marginaal niveau. Interessanter is de observatie dat deze gegevens geen graduele daling tonen van het adellijk aandeel in de negentiende eeuw, maar dat er ook hier sprake kan zijn van een re-aristocratisering. Verder onderzoek naar deze gegevens en naar het profiel van deze adellijke burgemeesters is nodig om te bepalen of deze toename ook hier werd veroorzaakt door een instroom van recent geadelden. Ook voor de nationale politiek, meer bepaald voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat, zijn vergelijkbare gegevens beschikbaar. Deze cijfers worden weergegeven in figuur 8.41

Figuur 7: 

Percentage adellijke burgemeesters in de provincie Oost-Vlaanderen (1840–2008).

Figuur 8: 

Adellijke vertegenwoordiging in de Kamer van Volksvertegenwoordigers (boven) en de Senaat (1840–1940).

Baron Jean-Baptiste Nothomb in 1835, als lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Na verschillende politieke functies werd hij in 1845 benoemd tot gevolmachtigd minister in Berlijn, een positie die hij tot zijn dood in 1881 zou bekleden. Ook twee van zijn zonen, zijn broer en diens zoon doorliepen de diplomatieke carrière.

Charles Baugniet, 1835.

Brussel, Koninklijke Bibliotheek, Prentenkabinet.

Dat het percentage edelen in de Senaat consequent veel hoger lag dan in de Kamer valt te verklaren door het minimale cijnsniveau dat betaald diende te worden om verkiesbaar te zijn voor de Senaat. Zo representeerde de Senaat tot aan het einde van de negentiende eeuw de hoogste vermogens, waarin de adel het sterkst vertegenwoordigd was.

De evoluties in de percentages voor de Kamer en de Senaat zijn min of meer gelijklopend. Het adellijk aandeel daalde immers steeds wanneer vermogenscriteria aan belang inboetten: in 1848 (met de daling van de kiescijns voor de Kamer), 1893 (de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht) en 1919 (de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht). De adel verloor dus vertegenwoordigers in het Parlement wanneer de parameter waarop zijn politieke macht en vertegenwoordiging gebaseerd was, vermogen, steeds minder doorwoog. In het Parlement was er dus, in tegenstelling tot in het diplomatieke korps, wel sprake van een graduele daling van de adellijke aanwezigheid. Een opvallende uitzondering: ook in de Senaat nam het relatieve aantal edelen tijdelijk toe aan het einde van de negentiende eeuw.42

Deze resultaten betwisten ten slotte de hypothese dat het toenemend aantal aristocraten in de diplomatie werd veroorzaakt door de politieke democratisering aan het einde van de negentiende eeuw. De toename van het relatieve aantal edelen in de diplomatie in de jaren 1880 en 1890, laat zich in ieder geval niet verklaren door de democratisering in het Parlement, waar het percentage edelen niet merkbaar daalde in deze periode. Integendeel, het percentage edelen in de Senaat – dé adelskamer bij uitstek – nam licht toe tussen 1885 en 1893.

Conclusie

De voornaamste doelstelling van deze bijdrage was het in kaart brengen van de adellijke vertegenwoordiging in het diplomatieke korps. Zijn de beschrijvingen van Arno Mayer, David Cannadine en anderen, die de diplomatie typeren als een adellijk bastion, toepasbaar op de Belgische casus? Een gedetailleerde analyse van het jaarlijks aantal adellijke diplomaten actief in de Belgische vertegenwoordiging tussen 1840 en 1940 toonde duidelijk aan dat de adel geen numeriek dominante factor vormde in het diplomatieke korps. Hoewel internationale vergelijkingen moeilijk zijn, onder meer door een gebrek aan volwaardig vergelijkingsmateriaal, vertoont het Belgische model de meeste gelijkenissen met het Britse diplomatieke korps en past dus het best in het constitutioneel-monarchale model. Van de Europese staten waar vergelijkbare gegevens over beschikbaar zijn, was aan het einde van de negentiende eeuw alleen in Frankrijk de adel minder sterk vertegenwoordigd.

Tegen de verwachting in vertoont de evolutie van het adellijk aandeel in het diplomatieke korps een grillig patroon. Van een geleidelijke ‘modernisering’ of ‘democratisering’ van het korps is zeker geen sprake. In tegenstelling tot een lineaire, graduele daling van de adellijke vertegenwoordiging, werd een re-aristocratisering van het korps vastgesteld aan het einde van de negentiende eeuw. Deze werd veroorzaakt door een snelle aangroei van het aantal edelen tussen 1870 en 1885, waarna het aandeel van de adel relatief hoog bleef tot aan de Eerste Wereldoorlog. Dat de adel in deze periode een belangrijkere rol speelde in de diplomatie wordt verder aangetoond door het proportioneel groter aantal edelen in topfuncties in deze periode. De verklaring voor de re-aristocratisering die in deze bijdrage naar voren geschoven wordt, komt voort uit de analyse van de adellijke anciënniteit van de adellijke diplomaten. Hieruit bleek dat het percentage recent geadelde diplomaten hoger was in de periode van re-aristocratisering. Om deze hypothese verder te onderbouwen is verder onderzoek nodig, vooral naar het beleid van adelsverheffingen aan het einde van de negentiende eeuw en naar de sociale en professionele achtergrond van deze geadelden. Is het mogelijk dat men bij het verlenen van adellijke titels in deze periode meer dan voorheen de voorkeur gaf aan burgers actief in belangrijke overheidsfuncties? Mogelijk keert een gelijksoortige re-aristocratisering in dezelfde periode immers ook in andere publieke sectoren terug, zoals blijkt uit voorlopig en illustratief cijfermateriaal voor de Oost-Vlaamse lokale besturen en de Senaat.

Na de periode van re-aristocratisering nam het adellijk aandeel in het diplomatieke korps weer af. De eerste kiemen van die democratisering van de diplomatieke carrière zijn terug te vinden aan het einde van de negentiende eeuw. Op dat moment werden edelen in de laagste rangen van de diplomatie overvleugeld door ambtsgenoten met een burgerlijke achtergrond. Opvallend genoeg gebeurde dit precies op het moment dat de adel de topfuncties in de carrière meer domineerde dan ooit tevoren. Tijdens het interbellum stabiliseerde het adellijk aandeel, weliswaar op een lager niveau dan voorheen. De definitieve openstelling van de carrière naar bredere lagen van de bevolking vond pas na de Tweede Wereldoorlog plaats, wanneer de uitbreiding, professionalisering en toenemende complexiteit van de buitenlandse vertegenwoordiging er samen met de democratisering van het openbare leven voor zorgde dat de rol van de adel als significante groep in het diplomatieke korps definitief was uitgespeeld.