Anno 2016 lijkt een publicatie die concepten als verzuiling, ontzuiling en secularisatie ter discussie stelt – op het eerste gezicht – weinig nieuws te kunnen bieden, zeker niet voor wat betreft Nederland. De bundel Achter de zuilen. Op zoek naar religie in naoorlogs Nederland verscheen inderdaad op een sterk verzadigde markt, met een vraag en antwoord die al lang uitgesproken lijken te zijn (zie bijvoorbeeld het themanummer: Gesellschaft und Religion seit der Mitte des 20. Jahrhunderts Säkularisierung und Neuformierung des Religiösen, Archiv für Sozialgeschichte 51 (2011)). Al jaren is er een academische consensus dat theorieën over een lineair verval van het belang van religie, met secularisatie- en ontzuilingstheses en harde cijfers over ontkerkelijking, geen recht doen aan de werkelijkheid en de veranderende vormen van geloofsbeleving in Europa. Toch, of juist precies door dit debat, blijven begrippen zoals ontzuiling en secularisatie hardnekkig aanwezig in wetenschappelijk onderzoek.

Al sinds de jaren tachtig hebben steeds meer historici de concepten ontzuiling en secularisatie, die vooral werden gemodelleerd door sociologen en politicologen in de jaren zestig en zeventig maar ook graag in de mond werden genomen door politici, gebruikt als schietschijf. De historische werkelijkheid is immers altijd zoveel complexer dan een model of theorie. De begrippen en beelden van verzuiling en secularisatie hebben daarom hun nut bewezen voor kerk- en religiehistorici: ze kunnen zich positioneren in de meer mainstream sociale, culturele en politieke contemporanistiek. De zuilmetafoor heeft bovendien het voordeel van analytische bevattelijkheid en geeft structuur aan wat Arend Lijphart al in de jaren zestig een multidimensionaal en ‘wanordelijk proces’ van ontzuiling noemde. Ontzuiling structureert inderdaad een complex geheel van maatschappelijke transformatieprocessen, zoals de veranderende samenstelling van religieuze groepen en de groei van interne polarisatie (of pluralisme), de vervaging van externe scheidslijnen, de opkomst van ‘inclusieve’ vormen van religie en een veranderende verhouding van het middenveld tot de politieke ‘bovenbouw’. Het is dus een uitdaging om analytische structuur te brengen in de diverse en ambivalente posities die religieuze groeperingen hebben aangenomen tegenover de dramatische veranderingen van de afgelopen zeventig jaar zonder daarbij terug te vallen op de vertrouwde wegen van de zuilenanalyse. Want wanneer men ontzuiling als analytische categorie verwerpt, zoals deze bundel ambieert, dan ontstaat ook onmiddellijk de vraag naar alternatieve modellen en narratieven.

Dat grote alternatief biedt het boek niet. Het toont integendeel en enigszins paradoxaal aan hoe de zuilmetafoor zelfs voor critici van analytische waarde blijft. Niet alleen in de titel, maar ook in de indeling van de bundel blijft die immers terug te vinden. De structuur van drie delen die respectievelijk de interne verhoudingen en standpunten van gelovigen, de veranderende positie van het middenveld (de ‘civil society’ genoemd) en de gewijzigde relatie tussen religie en de politiek behandelen, bouwt eigenlijk verder op de vertrouwde dimensies van de concepten verzuiling en ontzuiling.

Toch is de bundel een verdienstelijke bijdrage aan het onderzoeksveld over religie en samenleving. Allereerst omdat de bijdragen stilstaan bij de instrumentalisering van de concepten verzuiling en ontzuiling. Zoals de inleidende hoofdstukken van Peter van Dam en James Kennedy duidelijk maken, is een geschiedenis van de constructie, verwetenschappelijking en politisering van deze begrippen even interessant als de realiteit die zij proberen te beschrijven. Ten tweede is de bundel een goed experiment in het verkennen van de mogelijkheden en problemen om de religiegeschiedenis van de naoorlogse periode te schrijven. Ontzuiling en secularisatie ter discussie stellen blijkt in theorie immers gemakkelijker te zijn dan in de historiografische praktijk. De twee grote narratieven in het ontstaan en functioneren van religies – de drang naar macht of de drang naar zingeving – lopen ook in de bijdragen van deze bundel door elkaar. Beide interpretaties laten zich moeilijk empirisch vastleggen. Historici hebben hier evenwel andere mogelijkheden dan sociologen en politicologen, met meer aandacht voor petite histoire, biografische details, kritische cultuurkritiek en een rijker palet aan beeldtechnieken.

In haar bijdrage over de conservatieve bewegingen binnen de Nederlandse kerkprovincie, bijvoorbeeld, brengt Marjet Derks een geschiedenis van minutiae over grote en kleine mannen (en vrouwen) binnen een netwerk dat theologische faculteiten en bisschoppelijke paleizen in Roermond en Utrecht verbond met kloosters, nieuwe zieneressen, mirakels en de media. Ze biedt een mooi overzicht met figuren als de ‘zwarte monseigneur’ Karel Kasteel en adellijke initiatieven. Voor specialisten is dit bijzonder boeiend, maar voor sommige lezers kan het nogal lijken te neigen naar anekdotiek.

Duco Hellema plaatst, in zijn bijdrage over religie in de contestatiebewegingen van de jaren zeventig, de conservatieve tegenreactie binnen de veranderende behoeften naar zingeving in de Nederlandse samenleving. Deze behoeften werden deels beantwoord door alternatieve vormen van religie en de groeiende onderlinge toenadering tussen kerkelijke groepen die een bewuste minderheid werden. De drang naar macht wordt onder andere uitgewerkt in de bijdrage van Frans Becker over de strategie van christendemocraten en sociaaldemocraten tegenover elkaar, de veranderende rol van de kerk, individualisering en morele bevrijding, en de doorbraak van de welvaartstaat. Veranderende standpunten over ‘kerk, kroeg en kapitaal’ waren niet louter een kwestie van electorale profilering of strategieën, maar bleven ook in de naoorlogse periode voortkomen uit de voortdurende godsdienstige inbedding van politieke en maatschappelijke principes bij zowel sociaal- als christendemocraten. Die religieuze omkadering gebeurde niet alleen op publiek niveau, maar beïnvloedde ook de individuele overtuiging en motivaties van politici, zoals Hans Renders in zijn bijdrage over de rol van religie in politieke biografieën beargumenteert.

Een andere meerwaarde van de bundel ligt in de ontwikkeling van het argument dat een deconstructie van verzuiling en ontzuiling ook in grote mate een deconstructie van nationale beeldvorming en mythes is. Dat gebeurt enerzijds door te wijzen op de tegengestelde beelden die op de Nederlandse religieuze identiteit werden geprojecteerd. Net zoals kerken graag het historiserende beeld van een sterke en combattieve zuil cultiveerden in wat Bram Mellink de ‘retrospectieve organisatiecultuur’ van de jaren vijftig noemt, zo werd het in de jaren zestig vooral bon ton om Nederland voor te stellen als de beste leerling van de klas wanneer het ging om progressiviteit, secularisatie en ontzuiling. Zoals verscheidene bijdragen duidelijk maken, werd dat beeld bewust uitgedragen door allerlei progressieve groeperingen, in de academische wereld en in de politiek. Anderzijds slaagt de bundel er ook in om de idee van een Nederlandse Sonderweg en ‘Nederland-gidsland’ te relativeren door de impact van buitenlandse contacten en voorbeelden – zoals de Duitse christendemocratie en Amerikaanse evangelische bewegingen – serieuzer te nemen. Dit argument had misschien nog meer aan kracht gewonnen wanneer dieper werd ingegaan op de rol en het perspectief van religieuze minderheden, nieuwkomers en niet-religieuze groepen die zich buiten de traditionele verzuiling bevonden. De bijdragen over het jodendom en de islam zijn soms iets te veel vanuit het Nederlandse perspectief geschreven. In een bundel die expliciet een ‘transnationaal’ perspectief wilt geven had ook de buitenlandse beeldvorming over religie in Nederland meer aan bod mogen komen, zeker omdat deze het Nederlandse zelfbeeld mee vorm gaf. Vanuit België is Nederland bijvoorbeeld een land vol paradoxen op gebied van religie. Het beeld van progressiviteit en ontzuiling was daar al sinds de jaren zeventig sterk bijgesteld door de voorbeeldrol die Nederlandse bisschoppen zoals Joannes Gijsen voor conservatieve katholieken vervulden. Daarnaast gaven de verscheidenheid en veerkracht van religies – onder andere uitgedragen door Nederlandse televisiezenders en de religieuze thematiek van romanciers en mediafiguren zoals Maarten ’t Hart, Michel van der Plas en Godfried Bomans – het land een bijzonder religieuze bijklank bij het brede Vlaamse publiek.

Desalniettemin is de bundel in zijn geheel een toegankelijke en uitdagende bijdrage aan het wetenschappelijke en maatschappelijke debat, die zeker nieuwe pistes en methodes aanreikt voor verder historisch onderzoek, zowel binnen als buiten Nederland.