In het najaar van 2014 werden in Nijmegen en Amsterdam twee proefschriften verdedigd die beide handelen over de wijze waarop in de recente Nederlandse geschiedenis over burgerschap is gesproken. In Van wie is de burger? Omstreden democratie in Nederland 1945–1985 onderzoekt Wim de Jong hoe voorstellen voor burgerschapsvorming begrepen kunnen worden als reflecties van democratische repertoires. Aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde Rogier van Reekum op Out of Character: Debating Dutchness, Narrating Citizenship, een studie over het publieke en politieke debat over het Nederlandse burgerschap vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw. Beide boeken begeven zich op het snijvlak van geschiedenis en sociologie, maar verschillen in opzet, toon en uitwerking.

Wim de Jong is een historicus die een reeks van voorbeelden van politieke vorming en burgerschapseducatie ordent aan de hand van het begrip ‘repertoires’. Dit is een term ontleend de socioloog Charles Tilly, en wordt door De Jong gedefinieerd als ‘clusters van ideeën, praktijken en stijlelementen met betrekking tot politiek die in politieke strijd worden ingezet en daarin vaak worden uitgevonden’ (21). De Jong onderscheidt vijf repertoires, georganiseerd rond de termen ‘diversiteit’, ‘saamhorigheid’, ‘disciplinering’, ‘libertaire ontplooiing’ en ‘politisering’. Op basis daarvan bespreekt hij een rijk palet aan initiatieven, onder andere de burgerdagen die eind jaren veertig door gemeenten en jongerenorganisaties van de politieke partijen werden georganiseerd om nieuwe kiezers tot verantwoordelijke burgers op te voeden (onderscheiden doch saamhorig); de activiteiten van de in 1963 opgerichte Stichting Burgerschapskunde (schipperend tussen disciplinering en ontplooiing); tot en met de loopgravenstrijd over de politisering van het in 1969 ingevoerde schoolvak maatschappijleer in de Nederlandse Vereniging voor Leraren Maatschappijleer (1970) en de Commissie Modernisering Leerplan Maatschappijleer (1971), die zo uit de hand liep dat het vak begin jaren tachtig weer afgeschaft dreigde te worden. Op basis daarvan concludeert De Jong dat de naoorlogse democratie heen en weer slingert tussen de vrees dat de burgers onvoldoende competenties hebben om de democratie aan te kunnen en de angst dat de opvoeding tot burgerschap uitmondt in ondemocratische indoctrinatie.

Van Reekum benadert zijn materiaal in de eerste plaats als socioloog, in die zin dat zijn historische observaties dienen ter onderbouwing van een theoretische duiding van het debat over het Nederlandse burgerschap. Kern van die duiding is dat niet zozeer de inhoud, maar de performativiteit van dat debat de kern vormt van de wijze waarop sinds de jaren zeventig over burgerschap wordt gesproken. Het Nederlandse burgerschap wordt eerder uitgevoerd dan beschreven in een ‘dialogisch Nederlanderschap’, dat volgens Van Reekum sinds de jaren zeventig vorm krijgt in een reeks terugkerende narratieven over de Nederlandse gematigdheid, tolerantie en bereidheid tot dialoog. Op grond daarvan betoogt hij dat het recente ‘neo-nationalistische’ burgerschapsdiscours geen breuk is met het verleden, maar een geradicaliseerde hervertelling van de Nederlandse burgerdeugden. Als casus en bronnenmateriaal voor zijn onderzoek baseert Van Reekum zich op de debatten onder medesociologen, zoals Jacques van Doorn, Abram de Swaan, Willem Schinkel, Dick Pels alsmede Van Reekums promotoren Jan Willem Duyvendak en Evelien Tonkens. Daarnaast komen historici als Jan Bank, Piet de Rooy, Maria Grever en Susan Legêne, journalisten als Gijsbert van Es en Paul Scheffer, en politici als Frits Bolkestein en Pim Fortuyn aan het woord.

Dat onderzoek ‘in eigen kring’ oogt problematisch. Dit zijn allemaal mensen die zichzelf niet dom vinden en er wel voor waken al te essentialistische uitspraken over de Nederlandse volksaard te doen. Dat komt nog het beste naar voren in Van Reekums analyse van het debat over de historische canon, waarin de paradox van een dialogische (en daarmee ook altijd decanoniserende) identiteit op de spits wordt gedreven. Enigszins gechargeerd zou je kunnen zeggen dat deze Nederlandse intellectuele elite de conservatief-liberale erfenis van Fruin, Huizinga en Kossmann voortzet; zij zijn de hedendaagse vertegenwoordigers van de groot-protestantse rekkelijkheid die sinds het midden van de negentiende eeuw de grondtoon van de Nederlandse burgerij is. Maar er waren ook andere stemmen, van Kuypers opruiende neo-calvinisme, het radicale socialisme van Domela Nieuwenhuis, het polderfascisme van Mussert, tot en met Provo’s anarcho-libertarisme. In het licht van die veel minder dialogische traditie valt op dat Van Reekum Pim Fortuyn wel noemt, maar zijn filippica tegen de islamisering van de samenleving buiten beschouwing laat. Zo blijft in het geschetste debat inderdaad iedereen netjes binnen de lijntjes van de Nederlandse dialogische gematigdheid kleuren, maar zien we ondertussen niet veel meer dan de in steeds andere toonzettingen geformuleerde zelffelicitatie van de Nederlandse burgerij.

Tegelijkertijd betoont de socioloog Van Reekum zich gevoeliger voor historische continuïteiten dan de historicus De Jong. De laatste hanteert de statische sociologische notie van repertoire en deelt aan de hand daarvan de recente geschiedenis op in blokken zonder dat goed duidelijk wordt hoe men van het ene in het andere repertoire terecht kwam. Bovendien is het de vraag of de notie van repertoire, die Tilly introduceerde als analytisch instrument voor een sociologische analyse, wel gebruikt kan worden als aanduiding voor een historische episode, waarin de historische actoren zich in termen van dat repertoire met elkaar uiteen zouden zetten. Terwijl De Jong de actoren op het historisch toneel neerzet als protosociologen, presenteert Van Reekum zijn deelnemers aan het debat eerder als proto- (maar soms ook echte) historici, die in het debat zoals zich dat de afgelopen jaren heeft afgespeeld gebruik maken van een steeds weer terugkerend narratief over de Nederlandse identiteit.

Ten slotte roepen beide studies de vraag op waartoe hun analyse precies dient. Van Reekum noemt als belangrijkste bevinding van zijn werk dat hij een correctie biedt op de zogeheten ‘culturaliseringsthese’, de gedachte van Schinkel, Duyvendak en Tonkens dat sinds Pim Fortuyn burgerschap besproken wordt in termen van onoverbrugbare culturele verschillen tussen autochtonen en allochtonen. Volgens Van Reekum is dat culturele vertoog veel ouder en is in het huidige debat slechts de toonhoogte, maar niet de melodie anders. De Jong biedt vooral een verdere verfijning in de analyse van het debat over de Nederlandse democratie. Beiden bieden daarmee een nieuw inzicht in de begrippen die in het Nederlandse debat over burgerschap werden en worden gehanteerd. Maar beiden roepen tegelijk de vraag op in welke context die debatten zich dan afspelen, met name in welke institutionele contexten het burgerschap in de Nederlandse samenleving zich heeft gemanifesteerd. Had burgerschapsvorming meer dan een marginale betekenis, als je dat vergelijkt met de kracht waarmee in de verzorgingsstaat vorm is gegeven aan rechten en plichten? Is de discussie in academische kringen en de opiniepers van zoveel belang, als burgers zich ondertussen manifesteren in massa- en sociale media, op de werkvloer en in voetbalstadions, in protesten op straat en in de bewogenheid met leed op grote afstand? Kortom: waar is de burger in het debat over burgerschap?