Ongeveer terzelfder tijd dat de beroemde dichter Jan Jacob Slauerhoff als scheepsarts reisde langs de kusten van China, verbleef in dat land een andere Nederlandse arts die net als Slauerhoff gefascineerd raakte door de Chinese cultuur: Johan Schotman (1892–1976). Het is dan een roerige tijd in China. Het land verkeert in chaos sinds in 1912 de laatste keizer van de troon is verjaagd en de republiek is uitgeroepen. De jonge psychiater, psychoanalyticus en dichter Schotman geniet ervan. Hij noemt het land ‘sterk, primitief en ruw’ en verblijft er uiteindelijk zes jaar. Tussen 1921 en 1927 is hij als geneesheer verbonden aan een Nederlandse expeditie die als doel had een spoorweg en een haven aan te leggen in China.

Hij was blij om even weg te zijn uit Holland. Zo bijtend mooi als Slauerhoff zijn weerzin verwoordde in het beroemde gedicht ‘In Nederland’, het land waar hij niet wilde leven vanwege de glurende buren en onderdrukte emoties, kon Schotman het niet. Maar de haat lijkt er niet minder om te zijn geweest. Hij noemde Nederland beperkt en ongezond: ‘We zitten te schimmelen en muf te worden in de bedompte hokjes onze eng-omgrensdheid, binnen de netjes-omrasterde en keurig-omhekte tuintjes en parkjes onzer fatsoenlik-vrome degelijkheid’ (71). De boze jonge Schotman zat vol ambities en talenten. Hij leerde zichzelf Chinees, vertaalde talloze werken uit het Chinees, Latijn en Engels naar het Nederlands, schreef gedichten, publiceerde uitgebreid over China, en profileerde zich na terugkeer in Nederland als cultuuranalyticus.

Schotman romantiseerde China als land waar het leven rustig was en ‘volkomen’, in tegenstelling tot de ‘nerveuse en ziekelijke haast van het Westen’. Ondertussen stond het Westen volgens hem voor een cruciale keuze tussen ‘bruut of brein’: een samenleving gebaseerd op ‘onbewuste tendenzen’ of op ‘redelijkheid en koel, zakelijk overleg’ – het laatste had zijn duidelijke voorkeur. In de geest van Freuds Das Unbehagen in der Kultur zag hij religie en ideologieën als primitieve vormen van het zoeken naar troost en zekerheid; het waren droombeelden en ‘atavistische verlangens’ waar mensen graag in vluchtten. Hier moest de beschaving overheen groeien, aldus Schotman, want ‘de realiteit is geen plaats voor kinderen’.

Positief is dat de biografie over Johan Schotman de aandacht vestigt op deze onbekende exponent van de boeiende cultuur van Nederland in het Interbellum. Dit is nog altijd een onderbelichte periode in de moderne geschiedenis van ons land, die ten onrechte te boek staat als saai en onbetekenend in vergelijking tot omringende landen. Meer specifiek is Schotman interessant voor de geschiedenis van de Nederlandse sinologie, als eerste vertaler van het Chinese Boek der Oden, de Sji Tsjing: een verzameling gedichten uit de periode tussen de elfde en zesde eeuw voor Christus. Jammer is dat biograaf A.H. Huussen, emeritus hoogleraar geschiedenis na de middeleeuwen aan de Rijksuniversiteit van Groningen, het leven van Schotman nauwelijks in een breder historisch kader plaatst. Hij doet weinig aan duiding van diens denkbeelden in de context van, bijvoorbeeld, de geschiedenis van psychoanalyse of kolonialisme, terwijl Schotman juist als onderdeel van de cultuur van zijn tijd het meest interessant lijkt. Als dichter, cultuurcriticus en psychiater gooide hij geen hoge ogen. Uit het (zeer) gedetailleerde overzicht dat Huussens biografie biedt van alle publicaties van Schotman en de reacties hierop, blijkt dat zijn tijdgenoten diens werk niet erg konden waarderen.

Willem Kloos noemde Schotmans gedichten onrijp en weigerde ze te plaatsen in De Nieuwe Gids. Slauerhoff vond dat Schotman zwolg in ‘rhetoriek, pathos en gezwollen beelden’ (131). Ook Schotmans psychoanalytische duidingen van de Chinese ‘geest’ leidden tot veel kritiek. De Chinees was volgens Schotman kinderlijk en psychisch onvolwassen. Hij zat vast in wat psycholoog Carl Gustav Jung ‘het denken-in-beeld noemt, het droomdenken’. Daarom was het land nog niet toe aan de zelfstandigheid die het nastreefde. De overgang van een geestelijk leven op het niveau van de middeleeuwen, naar dat van een moderne republiek, was simpelweg te groot. Schotman vond dat ‘de mannen van het Westen’ China nog maar even moest blijven helpen en begeleiden. Zijn visie op China kwam hem op veel kritiek te staan van andere China kenners, zoals sinoloog J.J.L. Duyvendak en schrijver en journalist Henri Borel. Zij noemden Schotmans visie op China oppervlakkig en kortzichtig.

Bij zijn psychiatrische vakbroeders riep Schotman blijkbaar ook weerstand op. Hij werd in 1934 om onbekende reden ontslagen uit zijn post als geneesheer in de Rotterdamse inrichting Maasoord en in 1949 verloor hij zijn registratie als psychiater vanwege een affaire met een patiënte. Het ging om een ‘hysterise juffrouw’, volgens Schotman, die beweerde dat hij haar met geweld had overgehaald tot ‘omgang’. Daar was geen sprake van, aldus Schotman, maar hij zag zich toch gedwongen zijn privépraktijk in Bussum op te doeken. Hij verhuisde naar het oosten des lands en was daar actief als imker en museumdirecteur in Zwolle.

Helaas komen we over zijn werkzaamheden als psychiater weinig te weten uit de biografie van Huussen. Uit een briefwisseling die Schotman voerde met schrijfster Marianne Philips blijkt dat hij tegen haar had geklaagd over zijn werk als afdelingsgeneesheer in Maasoord, waar hij ‘onmogelijke gedachten en absurde verhalen en klachten’ (176) van patiënten glimlachend moest aanhoren. Uit een gedicht dat zijn (derde) echtgenote Rie componeerde voor Schotmans vijftigste verjaardag, valt op te maken dat hij in Maasoord streed tegen de sleur en dat hij gelukkiger was in zijn latere privépraktijk, waar hij patiënten behandelde met hypnose.

Schotmans literaire ambities hebben hem echter ‘gehinderd in de optimale uitoefening van zijn beroep als zenuwarts’ (335), concludeert Huussen. Dan is het extra zuur dat hij als dichter in een zo laag aanzien stond. De beroemde J.C. Bloem omschreef hem als ‘excrement’ en een ‘walgelijk personage’. Ambitieus, vasthoudend en productief was Schotman in ieder geval wel, en dat – in combinatie met zijn unieke reportages over China in de jaren twintig – heeft hem uiteindelijk een biografie opgeleverd.