De handelseditie van het proefschrift van Femke Deen past in een rijke traditie van studies over de publieke opinie in de vroegmoderne tijd, met het werk van Jürgen Habermas uit 1962 als historiografisch ijkpunt. Habermas is weliswaar een belangrijke bron van inspiratie geweest voor dit type onderzoek, maar zijn boek heeft ook veel weerstand opgeroepen. Er is onder andere kritiek op de definiëring van het begrip ‘public sphere’ (te statisch), op de periodisering (te vroeg of te laat) en op de sociale – burgerlijke – focus (te exclusief). Deen stelt terecht dat vooral het begrip ‘publieke sfeer’ dermate geërodeerd is, dat het beter is om voor een specifieke context, alternatieve, meer dynamische, begrippen te kiezen. Zij introduceert daarom het begrip ‘publiek debat’ dat vooral het informele, heterogene en toevallige karakter van opinievorming benadrukt. Een belangrijke vraag in dit boek is hoe de aard van dit publieke debat tot een groter politiek bewustzijn heeft geleid. Daartoe onderzocht ze het samenspel tussen gebeurtenissen, politieke besluitvorming, overheidscommunicatie, de rol van oppositionele media en meningsvormingsprocessen bij burgers. De veelvormigheid van het publieke debat wordt door Deen als een ‘partituur van stemmen’ (een mooie metafoor) aangeduid.

De historische casus is Amsterdam tijdens de Nederlandse Opstand, toegespitst op de jaren 1566–1578. In deze periode ontwikkelde de stad zich van een standvastige katholieke enclave tot een protestants en opstandig bolwerk. Het boek is opgebouwd aan de hand van een chronologisch-thematische structuur. Tegen de achtergrond van vier gemarkeerde perioden wordt de ontwikkeling van het publieke debat ontrafeld: 1566–1567 (van Smeekschrift tot de komst van het Spaanse leger); 1567–1572 (het repressieve bewind van Alva); 1572–1576 (het begin van de gewapende opstand); 1567–1578 (de Vredesonderhandelingen en de Alteratie). De keuze voor juist deze perioden komt voort uit de doelstelling van Deen om de ‘wisselende machtsverhoudingen en het effect van die veranderingen op het publieke debat’ te onderzoeken (24). Deen komt tot de conclusie dat vooral in de periode 1566–1567 en 1572–1578 de condities gunstig waren voor een open publiek debat. Tussen 1567–1572 beheerste het katholieke stadsbestuur het debat.

Om zicht te krijgen op het publieke debat worden per periode de interactie tussen verschillende actoren, communicatievormen en media onder de loep genomen. We krijgen zodoende zicht op een complex samenspel van geschreven, mondeling overgedragen en gedrukte genres zoals plakkaten, publieke afkondigingen, processies, petities, pamfletten, rederijkerstoneel, brieven, liedjes en geruchten. Deen laat zien dat deze ogenschijnlijk heel verschillende vormen van communicatie in elkaar overlopen, op elkaar reageren en uiteindelijk allemaal hetzelfde doel hadden: de bevolking te beïnvloeden.

Waar het in deze periode in Amsterdam om draait, is de globale strijd tussen de katholiek gezinde en absolutistisch georiënteerde stedelijke overheid en de Oranjegezinde, protestants georiënteerde maar religieus tolerante oppositie. Door de hele periode heen gebruikten alle partijen het argument dat hun activiteiten bedoeld waren om de harmonie en stedelijke eenheid te bewaken of te bevorderen. Ondanks deze tweespalt hechtte Amsterdam belang aan haar stedelijke autonomie. Dit laatste druiste per definitie in tegen de Spaanse centraliseringpolitiek. Vooral na de komst van Alva in 1567 begon de afkeer van de wrede machthebber de interne tweestrijd te overvleugelen. Tot in 1572 bleek de stedelijke overheid in staat om de bevolking te disciplineren en het publieke debat, onder andere door censuur, te smoren. Er ontstond echter een klimaat waarin de publieke opinie zich langzaam maar zeker tegen de Spanjaarden keerde. Aan deze periode van repressie en strenge en publieke straffen heeft de stad (en dit boek) de bijnaam ‘moorddam’ te danken.

Een belangrijke bevinding van deze studie is dat in de onderzochte decennia, uitgezonderd de jaren 1567–1572, de stedelijke overheid haar greep op de politieke communicatie verloor en het debat steeds meer op straat en in andere informele circuits werd gevoerd. Tevergeefs probeerde de overheid door keuren en repressie de oppositie de mond te snoeren. Vooral de oncontroleerbaarheid van de informele nieuwsvoorziening en opinievorming in deze periode is sterk inzichtelijk gemaakt. Factoren die daarbij een rol speelden waren bijvoorbeeld het open karakter van een handelsstad als Amsterdam waar allerlei nieuws via informele circuits (kooplieden, boeren, ambachtslieden, geestelijken et cetera) vrijelijk circuleerde. Verder waren er orale vormen van communicatie zoals liedjes en geruchten die even effectief als ongrijpbaar waren. Niet alleen konden zo ook ongeletterden aan het debat deelnemen, ook liedjes – denk aan de geuzenliederen – konden gemakkelijk aangepast worden aan de omstandigheden en politieke voorkeur. Na 1572 waren vooral geruchten, al dan niet bewust verspreid, een belangrijk instrument in de propagandaoorlog. De invloed van deze geruchten werd nog eens versterkt door de interactie met handgeschreven (brieven) en gedrukte (pamfletten) media.

Een moeilijk te controleren fenomeen was het feit dat bepaalde communicatievormen een andere, voor de overheid onvermoede, functie konden krijgen. Petities bijvoorbeeld, waren aanvankelijk bedoeld als politiek communicatiemiddel tussen de burgers en de stedelijke overheid, maar werden steeds vaker – gedrukt dan wel geschreven – als opiniërend of propaganderend medium gebruikt. Bovendien werd opiniërend drukwerk zoals pamfletten, liedjes, petities en brieven, vaak illegaal en anoniem geproduceerd en op publieke plaatsen door irreguliere verkopers zoals omlopers en liedjeszangers verkocht. Daarnaast diende dit drukwerk niet alleen een ideologisch, maar ook een commercieel doel, wat de brede verspreiding alleen maar bevorderde. Desalniettemin komt Deen tot de intrigerende conclusie dat drukwerk helemaal niet zo’n belangrijke rol speelde in het meningsvormingsproces in deze periode; pamfletten en andere vormen van drukwerk representeerden vooral reeds gevestigde meningen. Handgeschreven media en mondelinge geruchtenstromen waren veel directer betrokken bij het proces van meningsvorming.

De betekenis van dit rijke en goed geschreven boek ligt dus niet zozeer in nieuwe inzichten in de politieke ontwikkelingen in het Amsterdam van voor de Alteratie en evenmin in een conceptuele bijdrage aan het Habermas debat. Het vernieuwende en onthullende is vooral te vinden in de minutieuze, onconventionele en inzichtelijke analyse van de werking van het publieke debat en de invloed daarvan op de politieke besluitvorming. Deze aanpak verdient zeker navolging voor latere perioden.