Sinds 2012, na de publicatie van ‘Wij weten niets van hun lot’, van de Leidse historicus Bart van der Boom, woedt er een breed, soms ook fel, debat over de houding van de Nederlandse ‘omstander’, alsook het Joodse slachtoffer zelf, bij de Shoah. In het kielzog hiervan verscheen ook Leven naast het kamp, een studie van ondergetekende naar de rol en houding van de buren van Kamp Vught – de Vughtenaren dus. Dit werk paste in een breder, internationaal debat over de manier waarop omstanders reageerden op de nabijheid van plekken van naziterreur, zoals getto’s, kampen, executieplaatsen en moordfabrieken. Sommige inwoners uit Vught lazen Leven naast het kamp echter als een aanklacht tegen hun ouders, of voorouders; een van die inwoners is Bert Oomen, een net na de oorlog, in het dorp geboren ingenieur.

Voor het schrijven van zijn boek, Ze bouwen daarginds een concentratiekamp, dat mede werd gefinancierd door de gemeente Vught, noemt hij drie motieven. Allereerst vindt Oomen dat de Vughtse kampgeschiedenis ‘veel aanknopingspunten’ biedt voor het doen van een soort moreel appèl (‘een morele vorming’), als een antidotum tegen de in zijn ogen ‘toenemende onzekerheid en vertwijfeling [...] extreme overvloed en armoede [...] (en) amorele bankiers en speculanten’ (14). Ten tweede wil de auteur de morele worsteling van de oorlogsgeneratie, maar vooral die van zijn eigen moeder, beter begrijpen. Zij maakte als inwoner van het dorp de oorlog en het kamp mee en worstelde nadien met haar geweten: ‘Mijn moeder vertelde me dat ze ooit de kans had gehad om een Joodse vrouw hierbij te helpen, maar dat ze het toen niet had aangedurfd’ (207). De derde – en belangrijkste – reden voor het ontstaan van dit boek is zijn boosheid (‘erg boos’) (13) over Leven naast het kamp. In dit boek zou er volgens Oomen een ‘moreel oordeel’ zijn geveld over de inwoners van ‘zijn’ dorp, ‘dat niet alleen foutief is, maar in de geschiedschrijving überhaupt niet thuis hoort’ (179). Deze Vughtenaren, ‘onder wie dus ook mijn ouders [...] zouden hun bezwaren tegen het kamp mede hebben laten varen omdat ze flink van het kamp geprofiteerd zouden hebben’ (13).

Als reactie hierop introduceert de auteur een alternatieve stelling, een contradictoire combinatie van structure/agency argumenten – die merendeels chronologisch is opgebouwd en verspreid over drie secties. Volgens hem was ‘niemand onverschillig’ (208), maar stonden inwoners machteloos ten opzichte van een zogenaamd allesoverheersende bezetter. Tegelijkertijd benadrukt hij dat ze toch verzet, vooral ‘lijdelijk’ verzet, boden en, in de geest van Loe de Jongs these, ‘eensgezind’ (151) waren in hun afwijzing van de bezetter en het kamp. Bovendien, zo impliceert Oomen, deden ‘echte Vughtenaren’ (156) niet aan collaboratie. Met deze sterk revisionistische stelling tracht hij, vrij geïnspireerd op het boek ‘Wij weten niets van hun lot’, een zogeheten reconstructie te geven van de Vughtenaren en hun indertijd heersende gedachten.

Deze argumentatie overtuigt om grofweg vier redenen niet. Ten eerste moeten er serieuze bedenkingen worden geuit over zowel de methodiek als het bronnenapparaat van de auteur. Hij erkent ‘geen historicus’ (210) te zijn, maar is wel erg vrijmoedig omgegaan met de minimale eisen en de te volgen codes van dit genre. Een voorbeeld hiervan is dat hij aan het begin van zijn betoog erkent dat ‘er te weinig bronnen zijn om te kunnen zeggen hoe de inwoners echt over het kamp dachten’ (14–15), maar dit weerhoudt hem er niet van om aan allerlei ‘speculaties’ (15, 203) te doen. Hij doet bijvoorbeeld (zeer) vergaande uitspraken over de economische ontwikkeling en werkloosheidscijfers van het dorp (62), de stemming onder de bevolking (75), en de reactie van inwoners op kerkelijke protesten (88), zonder dat hij hiervoor voldoende empirisch bewijs aanlevert ondanks de legio voetnoten. Deze onderzoeksmethodiek lijdt verder onder een gebrek aan systematisch, laat staan vernieuwend, (primair) bronnenonderzoek. In zijn boek heeft de auteur veel gebruik gemaakt van bestaande secundaire literatuur, waarin relatief weinig (nieuwe) informatie staat over zijn centrale vraagstelling: wat was de exacte stemming binnen het dorp? In plaats daarvan citeert hij met enige regelmaat Van der Booms werk om de stemming elders in het land te peilen, ook met de suggestie dat dit voor Vught zou (kunnen) gelden, hoewel overtuigend bewijsmateriaal hiervoor uitblijft.

Een nog serieuzer, en dit is het tweede, probleem is dat Oomen hierbij niet altijd de gepaste, soms broodnodige, bronnenkritiek toepast. Dit probleem uit zich bijvoorbeeld bij de selectieve manier waarop de auteur lastige, maar potentieel zeer bruikbare, bronnen als memoires, naoorlogse interviews en dagboeken – waarvan er overigens niet veel bekend zijn – heeft gebruikt. Selectief gebruik van bronnen en vormen van bias komen ook naar voren bij de manier waarop hij het belangrijke, maar volgens sommigen (C. Morina, ‘The “Bystander” in Recent Dutch Historiography’, German History 32:1 (2014) 101–111) controversiële, werk van Van der Boom heeft aangewend. De kritiek op dit boek, geuit door zowel historici (Gans, Cohen, et cetera) als niet-historici (De Swaan, Meershoek), is door de auteur buiten beschouwing gelaten. Mede hierdoor, en door de eerder geconstateerde problemen, komt hij tot conclusies als: ‘Het onderzoek [...] van Van der Boom (over het kennisniveau van Nederlanders over de Holocaust, B.V.D.) bevestig(t) het beeld dat ik zelf in gesprekken met mijn moeder en met dorpsgenoten die de bezetting nog hebben meegemaakt, hierover heb gekregen’ (158).

Ten derde schetst de auteur een vaak onjuist of op zijn zachtst gezegd weinig gebalanceerd beeld van Leven naast het kamp. Met grote regelmaat citeert hij tekstonderdelen uit dit werk zonder daarbij de juiste of volledige context te geven en laat hij haast stelselmatig belangrijke nuanceringen weg. Ook is het jammer dat hij bepaalde conclusies of denkargumenten bijna consequent uitlegt als een vorm van kritiek – ‘negatieve inkleuring’ (191), zonder dat dit de bedoeling is geweest of als zodanig redelijkerwijs moet worden vermoed. Zo kan de lezer de indruk krijgen dat Leven naast het kamp zou betogen dat ‘de’ Vughtenaar voornamelijk, zo niet uitsluitend, opportunistisch, meegaand, geldbelust, of onverschillig handelde. Tevens doet de auteur voor alsof ‘echte Vughtenaren’ geen misdaden zouden hebben gepleegd (het tegendeel is waar) en dat ‘Joodse Vughtenaren geen naam krijgen’ (opnieuw incorrect). Hiermee wordt een onzuiver beeld geschetst van de basisgedachten van deze studie.

Ook wil hij doen voorkomen alsof ondergetekende de (belangrijke) rol van de kerkelijke autoriteiten heeft genegeerd (21). In werkelijkheid komt die rol wel degelijk in Leven naast het kamp ter sprake, maar is die wellicht minder groot dan gewenst. De reden hiervoor is niet dat dit onderdeel over het hoofd is gezien, maar dat de kerkelijke autoriteiten, bisdom en parochie, voor inzage in hun dossiers geen toestemming gaven, zoals in dit boek ook expliciet staat vermeld. De auteur lijkt evenmin gebruik te hebben gemaakt van die kerkelijke bronnen getuige zijn voetnoten. Definitief uitsluitsel over de exacte rol van clerici bij Kamp Vught is er dus (nog) niet. Ook op dit punt is de bijdrage van Oomen van weinig toegevoegde waarde.

De vierde reden waarom zijn boek onvoldoende overtuigt is dat de auteur (te) selectief is omgegaan met historische feiten die intussen bekend zijn. Onwelgevallige of gevoelige dossiers, zoals de soms nauwe banden tussen Vughtenaren en de SS-elite, onder wie de kampcommandant(en) zelf, verraad, misdaden, de internering van Vughtenaren in het naoorlogse Kamp Vught, de Bijzondere Rechtspleging, alsook de naoorlogse zuivering, laat de auteur deels of volledig weg. Een voorbeeld hiervan is de weinig subtiele en gedistantieerde wijze waarop Oomen bepaalde historische figuren, zoals de lokale burgemeester, in zijn boek beschrijft – of juist achterhoudt. Na de oorlog kwam op het functioneren van deze gezagsdrager vanuit verschillende maatschappelijke geledingen, waaronder het georganiseerde verzet, stevige kritiek. In hun ogen had hij tijdens de bezetting te zwak opgetreden of te weinig gedaan voor het verzet. De burgemeester werd uiteindelijk niet strafrechtelijk vervolgd of ontslagen, maar vertrok zelf naar ’s-Hertogenbosch.

Deze belangrijke episode, die overigens de nodige inzichten had kunnen bieden in zowel de dilemma’s van deze burgemeester alsook de onderlinge verhoudingen binnen het door het kamp verdeeld geraakte dorp, had een prominentere plek verdiend. Het ontbreken daarvan roept allerlei problematische vragen op en werpt ook een sterk revisionistische schaduw over dit boek, te meer daar het mede werd gefinancierd door de gemeente Vught.