Heldenmoed, solidariteit, verraad. Drie klassieke ingrediënten voor een verhaal over het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog die aan bod komen in Hans Schippers’ geschiedenis van de Westerweelgroep. Voeg daar nog een non-conformistische held aan toe die niet vies is van de vrije liefde en Joodse jongeren die vastbesloten zijn aan de bezetter te ontkomen en alle elementen voor een spannend boek zijn aanwezig. Helaas mankeert het in De Westerweelgroep en de Palestinapioniers aan een heldere rode draad en aan een consequent toegepaste analytische insteek om deze geschiedenis volledig tot haar recht te laten komen.

De Westerweelgroep bestond uit een vijftiental Joodse en niet-Joodse kernleden, die erin slaagden 250 tot 275 Joodse jongeren in veiligheid te brengen via onderduik en ontsnappingsroutes naar Frankrijk en Spanje. Die laatsten waren veelal Duitse en Oostenrijkse adolescenten die zich eind jaren dertig in Nederland aan verschillende land- en tuinbouwschoolachtige opleidingen voorbereidden op emigratie naar Palestina. Als de Palestinapioniers zich in de zomer van 1942 moeten melden voor transport ‘naar het Oosten’, besluiten velen van hen onder te duiken. Joop Westerweel, die via zijn werk bij Kees Boekes pedagogisch experiment De Werkplaats in de jaren dertig connecties heeft met enkele pioniers, schiet te hulp. Na de eerste onderduikactie ontstaat een netwerk dat ook andere pioniers probeert te onttrekken aan de deportatie. Daarbij komen behalve het verkennen en organiseren van ‘gewone’ ontsnappingsroutes en onderduikplaatsen in binnen- en buitenland soms spectaculaire acties kijken waarbij jongeren uit Westerbork ontsnappen of met valse papieren dienst nemen bij de Organisation Todt in Frankrijk. Het werk was natuurlijk niet zonder risico’s: door infiltraties in opdracht van de Sicherheitspolizei en eigen onvoorzichtigheden worden verschillende leden van de groep aangehouden. Joop Westerweel zelf loopt in maart 1944 tegen de lamp als hij twee meisjes over de Nederlands-Belgische grens probeert te loodsen. Enkele maanden later wordt hij na een verblijf in concentratiekamp Vught gefusilleerd.

Schippers’ boek past in een traditie van vooral descriptieve geschiedschrijving over het verzet, gericht op de reconstructie van verzetsnetwerken en vooral hun activiteiten. De auteur is mateloos gefascineerd door de groep en laat zich vooral daardoor leiden. Dat betekent niet dat het boek een hagiografie is geworden: Schippers blijft kritisch over hoofdpersoon Joop Westerweel (die vlak voor zijn arrestatie door zijn vele werkzaamheden eigenlijk niet meer geschikt was voor het uitvoeren van grote operaties) en over sommige pioniers (die vooral in Frankrijk bij vlagen roekeloos handelden, soms met ernstige gevolgen). Fascinatie is natuurlijk een prima uitgangspunt voor een historisch werk, maar problematisch is dat Schippers pas achteraf meer analytische vragen lijkt te hebben geformuleerd. Hij beschrijft minutieus de activiteiten, achtergrond en individuele lotgevallen van de groep, maar gaat daarin vaak te ver, waardoor de lezer in een kluwen van personages en gebeurtenissen de draad kwijt raakt. Dit is waarschijnlijk deels te wijten aan het gebruikte bronnenmateriaal, dat vooral bestaat uit verklaringen van leden van de Westerweelgroep uit de jaren vijftig en langere interviews afgenomen tijdens de jaren tachtig en negentig. Die bronnen geven volgens Schippers ‘een goed feitelijk beeld van de gebeurtenissen waarbij de groepsleden betrokken waren’. Het lijkt erop dat de auteur daar te dichtbij heeft willen blijven, met als resultaat dat hij te veel vertelt en te weinig analyseert.

In de conclusie probeert Schippers uit het descriptieve te breken, onder andere door aansluiting te zoeken bij theorieën over verschillende types hulpverleners op basis van hun motivatie (bijvoorbeeld vriendschappelijke verbondenheid met Joden, medeleven of religieus-ideologische overwegingen). Helaas komen de analytische vragen pas helemaal op het eind, nadat de lezer zich eerst door een soms moeilijk te volgen verhaal heeft geworsteld. Schippers’ conclusies over het non-conformisme van de groep, de op de gedeelde socialistische overtuigingen van de Joodse en niet-Joodse leden terug te voeren goede onderlinge verhoudingen, het gebrek aan professionaliteit, de rol van pacifisme en genderverhoudingen komen daardoor niet zo goed uit de verf. Ze vormen meer een nawoord dan de kern van het verhaal. Een structuur die meer op deze kwesties was gericht had het boek wellicht toegankelijker gemaakt.

Schippers komt desalniettemin tot interessante conclusies. De belangrijkste is zijn idee dat zowel de Palestinapioniers als de leden van de Westerweelgroep linksradicale buitenbeentjes waren in de Nederlandse samenleving. Dit dreef hen om zich in te zetten voor de ontsnapping van (mede)pioniers. Deze verklaring voor de activiteiten is overtuigend, des te meer omdat ze in het hele boek steeds terugkomt. De pioniers leefden in afgeschermde gemeenschappen in voorbereiding op de alijah en stonden door hun zionistische opvattingen en soms strenge religiositeit aan de rand van de Nederlandse samenleving. Ook Joop Westerweel was, behalve een innemende en enthousiaste man die nog wel eens de buitenechtelijke liefde opzocht, door zijn christelijk-pacifistische idealen en betrokkenheid bij de onderwijsvernieuwingen van Kees Boeke niet bepaald doorsnee. Omdat veel leden van de Westerweelgroep door hun afwijkende politieke en religieuze ideeën weinig ophadden met het staatsgezag, waren ze wellicht eerder geneigd regels te overtreden dan de gemiddelde burger.

Jammer is dat deze conclusie nauwelijks gecontextualiseerd wordt door vergelijkingen te maken met de samenstelling van andere verzetsgroepen en/of voorbeelden uit andere landen. Daardoor blijft het onduidelijk in hoeverre de Westerweelgroep, zoals Schippers in zijn inleiding opmerkt, ‘uniek’ was door de samenwerking tussen Joden en niet-Joden met verschillende sociale en politieke profielen. Een kijkje over de grenzen (bijvoorbeeld in Bob Moores Survivors: Jewish Self-Help and Rescue in Nazi-Occupied Western Europe (Oxford 2010)) en een dosis common sense doen alvast vermoeden dat samenwerking tussen Joden en niet-Joden bij hulp aan onderduiken en ontsnappingsroutes bepaald niet uitzonderlijk en zelfs noodzakelijk was.

Uiteindelijk zijn de zwakke punten van dit boek (te nauwgezette reconstructie van de feiten, een weinig analytische benadering en gebrek aan een internationaal kader) kwalen waaraan meer publicaties over verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog lijden. Voor de eerlijkheid moeten we opmerken dat die publicaties vaak geen academisch publiek viseren, wat mogelijk voor De Westerweelgroep en de Palestinapioniers ook het geval is. De (verdere) professionalisering van de geschiedschrijving van het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft recent een nieuwe impuls gekregen door een onderzoeksprogramma aan het NIOD (‘Heel gewoon of juist bijzonder? Nieuwe visies op mensen in verzet tijdens de Duitse bezetting van Nederland 1940–1945’). Het is belangrijk om dat proces door te zetten en op het grote publiek gerichte publicaties mee te nemen in deze ontwikkeling. Schippers’ studie van de Westerweelgroep etaleert voorzichtige ambities in die richting, maar maakt de verwachtingen niet helemaal waar.