De zestiende-eeuwse auteur Jan van Gorp van Beek alias Johannes Goropius Becanus is berucht vanwege zijn etymologische theorieën omtrent het Nederlands als de door Adam en Eva gesproken alleroudste taal ter wereld. Hij bewees zichzelf geen dienst toen hij op de titelpagina van zijn bekendste werk Origines Antwerpianae, sive Cimmeriorum Becceselana (‘De Antwerpse oergeschiedenis, of geneuzel over de Cimbren’) zijn theorieën met een woordspelerig bescheidenheidstopos omschreef als Becceselana (bij Aristophanes is Becceselenus een neuzelaar die gelooft in oeroude sprookjes, 74). Met deze erudiete zelfspot gaf Goropius zijn critici een stok om hem mee te slaan – en dat deden ze maar wat graag. Het afrossen van Goropius ging eeuwenlang door. Niemand minder dan Leibniz muntte de termen ‘becaniseren’ en ‘goropiseren’ voor ‘het bedenken van kolderieke etymologieën’ (203). Het geeft aan dat Goropius in de zeventiende en achttiende eeuw nog lang niet was vergeten, alhoewel weinigen zijn dikke Latijnse pil echt zullen hebben gelezen. Hij figureert nog steeds in heel veel publicaties, en dan meestal als boksbal. Maar langzamerhand klinken ook positieve geluiden over Goropius’ eigengereide pioniersrol in de genese van de algemene en de vergelijkende taalkunde. Een eigen biografie had Goropius nog niet. Daar is nu verandering in gekomen met dit boek van wijlen Eddy Frederickx (†1981), classicus, en Toon van Hal, taalkundige en eindverantwoordelijke auteur.

De voorliggende uitgave is een boek met een gebruiksaanwijzing. Het heeft vier hoofdstukken. Leven vat Goropius’ levensloop samen; Werken gaat over de totstandkoming van Goropius’ geschriften. In deze hoofdstukken grijpt Van Hal terug op het ongepubliceerde, door Jozef IJsewijn begeleide Leuvense proefschrift over Goropius van Frederickx uit 1973. Pas in de twee volgende hoofdstukken is Van Hal geheel op eigen merites aan het woord: Denkbeelden, waarin Goropius’ taalkunde in de zestiende-eeuwse context wordt geplaatst en waarin wordt uitgelegd wat de eigenaardigheden en, op de langere termijn bezien, de verdiensten van Goropius als ‘taalfanaat’ zijn geweest; en Nawerking, een belezen overzicht van Goropius’ reputatie door de eeuwen heen.

Van Hal stelt dat zijn uitgave mede is bedoeld om nader Goropiusonderzoek te stimuleren. Dit voornemen heeft zich vertaald in een biografie met veel bronnenmateriaal in de lopende tekst en in de bijlagen. Dat is mooi, maar heeft ook nadelen, want de auteursinterpretatie lijdt onder deze keuze. Cruciale gevolgen heeft bovendien Van Hals beslissing om de levensbeschrijving te baseren op Frederickx’ proefschrift. Van Hal heeft deze filologische dissertatie grondig omgewerkt, en de informatie aangevuld met nieuwe genealogische gegevens, handschriften, en secundaire literatuur, alhoewel lang niet alle in de noten vermelde recente titels fundamenteel zijn verdisconteerd in de biografische analyse van Van Hal. Het is de vraag of het een verstandige keuze is geweest dat oude proefschrift om te werken. Een zelfstandige biografische exercitie had het verslag van Goropius’ levensloop mogelijk meer focus gegeven, en beter doen aansluiten bij Van Hals interpretatie van Goropius als taalkundige. Wat nu voorligt betreft een tamelijk disparate verzameling anekdotes, over Goropius en over anderen, en dat ook nog eens deels gebaseerd op achterhaalde secundaire literatuur.

Consistenter en interpretatiever zijn de hoofdstukken Denkbeelden en Nawerking, waarin Goropius als taalkundige wordt geïnterpreteerd. Dankzij deze focus wint de biografie hier aan scherpte en diepte. Van Hal schrijft met gezag; hij is dan ook de auteur van Moedertalen en taalmoeders. Het vroegmoderne taalvergelijkende onderzoek in de Lage Landen (Brussel 2010) en De tuin der talen. Taalstudie en taalcultuur in de Lage Landen, 1450–1750 (Leuven etc. 2013). Hij leidt zijn Goropiusbiografie krachtig in met de opmerking dat het wetenschapshistorici inmiddels niet meer te doen is om de zestiende-eeuwse taalkunde te meten naar moderne wetenschappelijke maatstaven. Onderzoekers zijn nu geïnteresseerd in ‘de manieren waarop “kennis” tot stand komt door de tijden heen’ (9).

Om duidelijk te maken hoe dankzij Goropius een vroege taalkunde tot stand kwam neemt Van Hal veel ruimte om de principes van de algemene en vergelijkende taalkunde uit te leggen. Zodoende fungeert de moderne taalkunde in deze biografie als referentiekader bij het interpreteren van Goropius’ taalkundige activiteiten. Dat is begrijpelijk, en de cultuurhistoricus leert hiervan veel, maar hij mist ook een en ander. Wat ontbreekt, is uitleg over het zestiende-eeuwse geleerde referentiekader waaraan Goropius’ taalkundige activiteiten eveneens getoetst moeten worden. Een breder geïnformeerde cultuurhistorische benadering had antwoorden kunnen geven op vragen als: Wat was het wetenschappelijke zelfbeeld van Goropius? Waarom publiceerde Goropius zijn taalkundige theorieën in een chorografie (een geschiedkundig georiënteerde plaats- of streekbeschrijving)? En wat was de wetenschappelijke en cultuurpolitieke agenda van het chorografische genre waarbinnen Goropius opereerde?

Van Hal noteert dat Goropius zichzelf identificeerde als ‘arts, filosoof en (oud)historicus’ (96), niet als taalkundige. Hij brengt dit zelfbeeld echter niet in verband met de opzet van Origines Antwerpianae. Het is jammer dat de biografie juist bij het geciteerde zelfbeeld de Latijnse contemporaine terminologie niet vermeldt [‘(oud)historicus’?]. Het is geen kwestie van slordigheid, want slordig is Van Hal uitdrukkelijk níet. Het is een kwestie van benadering. Ook vragen over het genre waarbinnen Goropius werkte zijn opvallend afwezig in deze biografie. Van Hal doet zelfs geen poging de Latijnse titel van Origines Antwerpianae voor ons te vertalen, en aldus voor ons te duiden. Toch lijkt Goropius een archetypische chorograaf te zijn geweest: hij werkte buiten de academische kaders, hij was als leermeester van het chirurgijnsgilde nauw verbonden met het stadsbestuur, hij had de stad verzocht om een aanstelling tot stadsarts én tot schrijver van een stedenlof, en hij bewierookte de historie van zijn woonplaats in een publicatie die hij met een voorwoord opdroeg aan het stadsbestuur. Van Hals gebrek aan belangstelling voor de paratekst valt in dit verband op. Informatie over de inhoud van Goropius’ voorwoord blijkt ondergebracht in de paragraaf ‘Carrière als Antwerps arts’. Van Hal vertelt niet of er in het stadsarchief al dan niet iets is te vinden over een beloning van stadswege voor de publieke loyaliteitsbetuiging van Goropius (waarschijnlijk niet), zodat we niets lezen over de positieve dan wel negatieve reactie van het stadsbestuur op Goropius’ boek en opdracht. Het functioneren van wetenschap in de vroegmoderne samenleving is ook een vraag die wetenschapshistorici van vandaag de dag bezighoudt. Een antwoord op die vraag verschaft inzicht in de motivatie van de auteur en in de premissen van het genre waarin hij werkzaam is, in dit geval de chorografie.

In een chorografie werd de lokale geschiedenis niet alleen beschreven, maar ook geprezen. De ene chorograaf bewees de eerbiedwaardigheid van de plaatselijke historie op basis van archiefonderzoek, de andere op basis van archeologisch onderzoek, Goropius zocht het in het taalkundig onderzoek: het gaat steeds om variaties binnen een patroon. Goropius’ chorografische motivatie helpt zijn gedram op het Nederlands als wereldoertaal te verklaren. Taalkunde op zich vormde geen motivatie om te publiceren, de taalkunde als zelfstandige discipline was immers nog niet bedacht, ook niet door Goropius. De motor van zijn etymologische experiment was de stedenlof. Wat heel interessant blijft, hoe terecht Van Hals herwaardering van Goropius’ verdiensten als taalkundige pionier ook is, is de onmiskenbaar sceptische reactie van Goropius’ tijdgenoten. Zelfs Goropius’ uitgever Christoffel Plantijn liet zich sceptisch uit over de Origines Antwerpianae. Plantijn drukte het boek toch, omdat hij Goropius een vriendendienst was verschuldigd, en omdat deze uitgever drommels goed begreep dat een buitennissig boek gegarandeerd voor reuring zou zorgen, en dus voor geld in het laatje. Er waren veel meer chorografen actief. Ook die auteurs trachtten de lezer met een of ander bescheidenheidstopos inzake hun zogenaamde ‘geneuzel’ gunstig te stemmen. Die auteurs lukte dat wél: chorografen genoten doorgaans collegiaal respect in geleerde kringen. Dat was niet het geval bij Goropius: die werd meteen afgerost. Vond men dat Goropius zich met zijn taalkunde buiten het zestiende-eeuwse wetenschappelijke paradigma had geplaatst? Of waren het Goropius’ theoretische gladstrijkerij en redactionele gemakzucht die niet werden gepikt door de tijdgenoten? Misschien is dat stof voor een vervolg op Brabants arts en taalfanaat, met Goropius als de anti-held van de humanistische wetenschap en literatuur.