Bram Lansen (1847–1931) heeft de nationale geschiedeniscanon niet gehaald. Dat komt volgens zijn biograaf Bert Altena omdat hij zich in het leger van diegenen bevond, die weliswaar een bijdrage hebben geleverd aan maatschappelijke veranderingen, doch zelden een gezicht krijgen. ‘Gewone’ mensen, die nooit opvallen maar bij nadere beschouwing heel interessant zijn. Dat gold volgens de auteur in hoge mate voor Bram Lansen, machinist en tempelbouwer. Altena, onder meer bekend van zijn studies over de anarchistische beweging in Zeeland en over Domela Nieuwenhuis, wilde van deze ‘gewone’ arbeider, een gezichtsloze uit de arbeidersklasse, een volledige biografie schrijven.

Terecht stelt de auteur dat de biografie als historisch genre inmiddels vrijwel algemeen geaccepteerd is als volwaardige bijdrage aan de geschiedwetenschap, maar dat doorgaans vooral personen uit de burgerij geportretteerd worden. Aan gewone arbeiders wordt beduidend minder aandacht besteed, vaak omdat er te weinig materiaal is voor een biografie. Dat gold niet voor Lansen. Naast zijn vele artikelen en schriftjes met gedichten schreef Lansen een uitgebreid verhaal over zijn leven voor zijn kleinkinderen.

Lansen werd geboren in Kruiswijk (Zeeuws-Vlaanderen), zijn vader kwam uit een familie van wagenmakers en zijn moeder uit een middenklassegezin. Lansen was een nieuwsgierig ventje, zacht van karakter en intelligent. Hij had het in zijn jeugd niet ruim maar kende ook geen armoede. Aanvankelijk kon hij niet doorleren vanwege het schoolgeld, maar hij volgde later wel op een plattelandsschool een opleiding tot kwekeling. Helaas moest hij die op vijftienjarige leeftijd afbreken omdat zijn beide ouders vrij snel na elkaar overleden aan longontsteking: een veel voorkomende ziekte in de arbeidersklasse. In 1873 begon Lansen in Vlissingen met een opleiding tot leerling-machinist. Stoommachines waren zeer in opkomst, maar het was een zwaar vak met lange werktijden.

Als socialist en vooral als vrijdenker had Lansen het erg moeilijk om een baan te vinden én te houden. Omdat het werk niet voor het oprapen lag, heeft hij rond 1885 nog geruime tijd met veel andere Nederlanders onder zeer slechte omstandigheden gewerkt bij de aanleg van het Panamakanaal. Dit is overigens een voorbeeld van een onderwerp dat de auteur mijns inziens te uitgebreid behandelt.

In 1872 publiceerde Lansen in het blad Recht door Zee zijn eerste artikel met daarin een krachtig pleidooi tegen de overheersende macht der geestelijkheid. Naast een behoorlijke politieke ervaring – hij werd in 1880 actief in de socialistische beweging als gevolg van zijn praktische ervaring op de werkvloer – nam hij afstand van zijn protestantse geloof en werd actief in de vrijmetselarij. De vrijmetselarij en de daarbij horende rituelen boden hem geestelijk vaste grond.

Na de Eerste Wereldoorlog voerden het gemeenschapsdenken en gezindheidssocialisme in zijn ideeën de boventoon, net als bij een groot deel van de linkse beweging in die tijd. Als socialistisch voorman streed hij tegen slaafsheid, tegen verkeerd standsbesef, tegen de drankzucht (jenever) maar vooral ook tegen de leringen van de kerk, die de arbeiders zouden hebben verlamd. Zijn socialisme was sterk moreel gekleurd en Lansen had weinig op met de wetenschappelijke discussie over theorie en praktijk van het socialisme zoals die gevoerd werd door intellectuelen in de socialistische beweging. Wel correspondeerde hij uitvoerig met Domela Nieuwenhuis. Hoewel Lansen in 1920 lid was geworden van de SDAP, kreeg zijn socialisme volgens Altena in de jaren twintig een heel eigen signatuur. Hij verliet de socialistische beweging en wijdde zich volledig aan de vrijdenkersbeweging. De kern van zijn vroegere ideeën hield hij hoog, maar hij ontdeed zich van het keurslijf van de socialistische partij. Lansen: ‘Dan ziet zoo goed als alles er op eens heel anders uit, omdat we onszelf dan een heel ander mensch voelen. Een gansch nieuw en zuiverder licht gaat dan voor ons op’ (207). Gemeenschapszin was voor Lansen de voorwaarde voor broederschap, die hij in eerste instantie gevonden had bij de vrijmetselaars en later ook bij de vrijdenkers.

Rond 1910 was de vrijdenkersbeweging zijn ideale wereld geworden, ook als vrijmetselaar. Altena geeft de nodige voorbeelden waaruit zou moeten blijken dat Lansen in de vrijdenkerij de vrijmetselarij kon praktiseren, zoals zijn pleidooi voor het houden van het zonnewendefeest en zijn streven naar wereldwijde broederschap. Altena noemt dat ‘vrijmetselarij als religieus atheïsme’ (208). Het is opmerkelijk dat Lansen loges bezocht die vielen onder het Nederlandse Grootoosten, terwijl juist de daarvan afgescheiden groep Nederlandse Vrije Loges een opvallende openheid vertoonde ten aanzien van de vrijdenkersbeweging.

Naarmate Lansen minder als arbeider werkte, publiceerde hij steeds vaker in de bladen van de vrijdenkers, vooral in De Dageraad (111 artikelen in vier jaar), maar ook in zijn opvolgers De Vrijgeest (vanaf 1925) en De Vrijdenker. Altena rekende uit dat hij tussen 1915 en 1930 gemiddeld iedere drie weken een artikel schreef. Lansen schreef in zijn leven eveneens een zeer groot aantal al dan niet gepubliceerde gedichten, die volgens zijn biograaf veel informatie over zijn geestelijke ontwikkeling en over zijn leven bevatten. Dat is opmerkelijk voor de socialistische beweging die niet veel dichters kende met slechts weinig scholing.

Het belang van deze biografie ligt in het feit dat Altena niet alleen Lansens rol in de vrijmetselarij, de socialistische beweging en de vrijdenkerij behandelt, maar ook zijn gezinsleven en zijn beroepswereld beschrijft. Daarmee biedt de biografie van Lansen vooral ook een inkijk in het zeer vroege Nederlandse socialisme én de wijze waarop in dat socialisme afstand werd genomen van de kerk. Interessant is eveneens dat zijn levensbeschouwing – een mengeling van vrijmetselarij, vrijdenkerij en socialisme – de rode draad in het leven van Lansen vormt.

Tot slot biedt deze biografie een belangrijke aanvulling op de historiografie van de vrijdenkerij, waarin de betekenis van het vrijdenken voor het leven van ‘gewone’ mensen tot op heden ontbrak. De grootste betekenis die Lansen mijns inziens heeft gehad is zijn rol als bemiddelaar van ideeën in de emancipatorische (de socialistische en de vrijdenkers) bewegingen. Deze bewegingen kenden geen heilige boeken en rituelen, maar door het werk en leven van personen als Bram Lansen werden de ideeën en tradities doorgegeven aan arbeiders die zelfstandig niet in staat waren zich deze eigen te maken.