Hoewel Nederland lange tijd niet bekend stond als een emigratieland (slechts 27.000 overzeese emigranten in de periode 1900-1930), vond er in de jaren vijftig van de twintigste eeuw een omslag plaats, waarin een half miljoen mensen naar landen als Australië, Canada, de VS, Nieuw Zeeland en Zuid-Afrika vertrokken en nog eens 237.000 hun heil binnen Europa zochten. Welke rol de Nederlandse staat en particuliere organisaties daarin speelden, en hoe het stimuleren van emigratie onlosmakelijk verbonden is met de vigerende denkbeelden over overbevolking en economische structuurpolitiek, dat is het thema van deze in 2014 verschenen dissertatie. De auteur, historica Marijke van Faassen, werkzaam bij Huygens ING in Den Haag, houdt zich reeds vanaf 2001 bezig met het thema emigratie en in deze lijvige studie gaat zij uitputtend in op het gevoerde beleid vanaf het begin van de twintigste eeuw. Want hoewel de ondertitel suggereert dat het boek de naoorlogse periode tot 1967 bestrijkt, komen (met name in hoofdstuk 4) ook de vooroorlogse wortels van het emigratiebeleid uitgebreid aan de orde. Met name aan de langzame maar gestage opbouw van de Nederlandse verzorgingsstaat vanaf 1918 besteedt Van Faassen, terecht, veel aandacht.

Het centrale thema van het boek betreft het overheidsbeleid en de rol van het (deels verzuilde) maatschappelijke middenveld. De emigranten zelf komen we in dit boek nauwelijks tegen. Van Faassen heeft namelijk bewust gekozen voor een beleidsmatige en organisatie-sociologische invalshoek, die veel inzicht geeft in processen van staatsvorming en aansluit bij theorievorming over ‘governance’, corporatisme en de werking van bureaucratieën en organisaties, zowel nationaal als internationaal. In dat opzicht reiken de implicaties van deze studie dan ook verder dan het emigratiethema zelf. Daarvoor moet de lezer wel eerst meer dan 500 dichtbedrukte pagina’s tot zich nemen, die hier en daar zwaar op de maag liggen. Met name de uitgebreide bespreking van de talrijke beleidsprocessen en de daarbij betrokken actoren (ministeries, particuliere emigratiecentrales, belangengroepen et cetera) vergen veel van de lezer. Hoewel de auteur de beschrijving van beleid steeds verbindt met het in de inleiding geïntroduceerde analytische en conceptuele gereedschap, waren een strakkere betooglijn en minder detail de toegankelijkheid en leesbaarheid van de studie ten goede gekomen. Dat neemt niet weg dat we nu beschikken over een bijzonder gedegen en op een aantal punten zeer interessante analyse van het emigratiebeleid als onderdeel van de opbouw van de verzorgingsstaat. In het bestek van deze bespreking concentreer ik mij op twee aspecten, planmatig-technocratisch denken en de rol van internationale organisaties.

Ten eerste de nauwe samenhang tussen het denken over emigratie als een oplossing voor overbevolking en planmatig economisch beleid. Van Faassen toetst en verfijnt hier de ideeën van Ido de Haan in diens proefschrift uit 1993 (Zelfbestuur en staatsbeheer), die de trage totstandkoming van de verzorgingsstaat plaatst binnen het kader van de strijd tussen ‘vernieuwers’ en ‘herstellers’ (217). Waar De Haan zich concentreert op het centrale niveau, laat Van Faassen zien dat zijn visie te zwart-wit is en dat op het meso-niveau van het emigratiebeleid deze twee richtingen vaak veel meer met elkaar verweven waren. Niettemin signaleert ook Van Faassen de strijd tussen meer sociaaldemocratisch angehauchte voorstanders van technocratisch staatsbeleid, met een grote nadruk op planning, en de corporatistische reflex van de confessionele partijen en het verzuilde maatschappelijk middenveld (civil society). Door de discussies over planning in de jaren dertig, als reactie op de economische crisis, en de daarop volgende doorbraak van de ideeën van William Beveridge gedurende de Tweede Wereldoorlog, te verbinden met het denken over bevolkingsontwikkeling, biedt deze dissertatie over emigratie een interessante lens om opnieuw naar deze veel bredere ontwikkeling te kijken. Niet alleen de bekende hoofdrolspelers als Van Rhijn en Drees passeren de revue, maar ook sociale wetenschappers zoals Steinmetz, Bouman, Hofstede, Groenman en Banning, die sterk in termen van ‘volksgemeenschap’ dachten en in de emigratie een manier zagen om de moderne samenleving mede vorm te geven.

De centrale rol in het naoorlogse beleid werd opgeëist door de in 1908 geboren domineeszoon Bastiaan Wouter Haveman, die vanaf de jaren dertig in diverse ambtelijke functies, zoals plaatsvervangend secretaris van de Hoge Raad van Arbeid (voorloper van de SER), werkzaam was en tussen 1950 en 1969 (Rijks) commissaris voor de emigratie was. En daarnaast vanaf 1962 ook nog directeur van het Intergovernmental Committee for European Migration (ICEM). Die laatste functie brengt ons bij het tweede aspect van deze studie dat nieuw licht werpt op het nationale en internationale migratiebeleid. Zo laat Van Faassen overtuigend zien hoezeer de discussies over arbeidsmigratie (en ‘gastarbeid’), zoals bestudeerd door Simone Goedings, Saskia Bonjour en Tesseltje de Lange, samenhingen met het denken over emigratie. Waar het eerste als conjunctuurbeleid werd beschouwd, diende emigratie op de lange termijn de structurele agenda. Beide waren, niet in de laatste plaats via de persoon van Haveman, nauw met elkaar verbonden. Vooral in hoofdstuk 8 laat Van Faassen zien hoe het emigratiebeleid vanaf het einde van de jaren vijftig steeds meer onderdeel werd van een – door de Verenigde Staten afgedwongen – koerswijziging in de richting van internationale hulpverlening en handelspolitiek (582), waarbij met name boerenzoons die geen bedrijf in Nederland meer konden starten vanaf het einde van de jaren vijftig als een soort ontwikkelingswerkers werden voorgesteld. In dit verband is het interessant dat Haveman geen bijster hoge pet op had van de gemiddelde Nederlandse emigrant, noch van immigranten. Zo schreef hij in 1961 dat moet worden voorkomen: ‘dat Nederland b.v. het toevluchtsoord wordt [...] voor diverse categorieën moderne “pinda-chinezen” van Europese oorsprong als mee-eters; wat de emigratie betreft, dient een afromingsproces verhinderd te worden, doch de deur naar buiten wijd opengehouden te worden voor structureel misbaren en de anderen voor wie emigratie mogelijkheden biedt, welke het eigen land, meestal in verband met hun relatieve middelmatigheid, nimmer kan geven’ (374). Dit soort pareltjes, die een onthullende inkijk geven in het ambtelijk denken over migratie, maken het boek de moeite waard en maken het tot een standaardwerk voor iedereen die zich met het thema (e)migratie bezighoudt. Tot slot is deze dissertatie uitermate relevant voor ons begrip van de hedendaagse Europese vluchtelingencrisis. Met name van de manier waarop internationale organisaties zoals de International Labour Organization (ILO), de UNHCR en de International Refugee Organization (IRO) de miljoenen vluchtelingen in goede banen wisten te leiden (hoofdstuk 3), ondanks alle kritiek die je op hun economistische invalshoek kunt hebben (134), kan het huidige Europa nog heel wat leren. Voor wie zich verder wil verdiepen in de boeiende Nederlandse emigratiegeschiedenis raad ik aan om de website http://resources.huygens.knaw.nl/emigratie te bezoeken waarop men direct toegang krijgt tot een handzaam overzicht van de instellingen en personen die bij het emigratiebeleid waren betrokken, alsmede een aantal tabellen en grafieken over de emigratie uit Nederland in periode 1945-1967.