De afgelopen twee jaar is de boekenmarkt overspoeld met studies over de Eerste Wereldoorlog in Nederland. Bij deze publicaties valt op dat veel auteurs worstelen met het multi-interpretabele begrip ‘neutraliteit’. Het woord impliceert een wat fluïde constructie waarmee Nederland zich in de oorlog staande hield. De conclusie luidt dan: Nederland bleef neutraal in en afzijdig van de oorlog. Punt. Dat was het. Maar uit Nederland Neutraal blijkt dat er over die neutraliteit veel meer te zeggen is.

Het boek is geschreven door de drie historici Wim Klinkert, Samuël Kruizinga en Paul Moeyes. Het bevat negen biografische portretten, netjes verdeeld over de auteurs. Deze portretten bevatten een mix van descriptie en analyse en gaan over de personen op belangwekkende politieke of maatschappelijke posities in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog: koningin Wilhelmina, minister van Buitenlandse Zaken Loudon, minister van Landbouw, Nijverheid en Handel Posthuma, de ‘nationale handelsman’ Van Aalst, militaire leiders Snijders en Van Royen, admiraal Heldring, De Telegraaf-hoofdredacteur Schröder en spion Fabius. De verhalen gaan niet alleen over het persoonlijke leven, tragedies en successen, maar vooral over de oorlog, de bewapening, de militaire strategieën en de internationale handel. Hoe keken de geportretteerden aan tegen de neutraliteitspolitiek? En wat was hun positie daarin? De biografietjes geven een dwarsdoorsnede van Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog.

De auteurs hebben zich niet laten verleiden tot een zoveelste exposé over de theorie achter de term neutraliteit. Ze willen de veelzijdigheid laten zien die schuil gaat achter een neutrale politiek. Nederland blijkt helemaal niet zo neutraal te zijn geweest. Door zijn open economie, zijn internationale handelsbetrekkingen, zijn overzeese koloniën en zijn centrale ligging ten opzichte van de oorlogvoerende landen was Nederland feitelijk nooit volledig afzijdig van de oorlog (7). Sterker nog, je kunt zelfs stellen dat Nederland door de neutraliteitspolitiek er juist middenin zat.

Nederland zat ingeklemd tussen machtig wapengekletter en geopolitiek gebulder. Hoe lastig die positie was toont het hoofdstuk over C.J.K. van Aalst, directeur van de Nederlandse Handelmaatschappij. Deze ‘brutale’ Van Aalst opereerde met de NHM in een wereld van internationale faillissementen, vuige zakenlieden, beursgang, miljoeneninvesteringen en oorlog. Dat leverde problemen op inzake de belangenverstrengeling.

Een ander voorbeeld is het hoofdstuk over J. Loudon, de keurige minister van Buitenlandse Zaken. Loudon werd klem gezet door de Duitse regering die bouwmaterialen over Nederlands grondgebied naar België wilde vervoeren. De sympathieke, rijzige jonkheer kon niet bewijzen dat Duitsland iets anders van plan was dan enkel het vervoer van bouwmateriaal en kon de doorgang vanuit de neutraliteitsvoorwaarden niet weigeren. Gevolg: Engeland beschuldigde Nederland van een pro-Duitse houding en besloot in 1917 Nederland van het internationale telegraafverkeer af te sluiten (het waren Britse kabels). Dat was een fikse tegenvaller voor het Nederlandse bedrijfsleven. Uiteindelijk kon door diplomatieke kunststukjes van de slinkse Van Aalst de ergste ramp voor Nederland worden afgewend. Deze complexe episode is exemplarisch voor hoe ingewikkeld internationale politiek en handel in deze jaren waren.

Naast de internationale verhoudingen demonstreert het boek hoe botsende personen en tegenstrijdige karakters bepalend kunnen zijn voor de politieke koers van een land. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de vete tussen De Jong en Snijders over het leger of de botsing tussen Posthuma en Treub over het te voeren landbouw- en oorlogsbeleid, met name inzake voedselvoorziening. En wat te denken van Schröder die zich als hoofdredacteur van De Telegraaf moest verdedigen voor opruiende cartoons en nieuwsberichten die niet altijd even secuur bleken. Niet voor niets werd hij door sommige Nederlanders een ‘landverrader’ genoemd, zoals gouverneur-generaal Idenburg vanuit Batavia. Wie het boek leest, begrijpt dat het haast een wonder was dat Nederland niet ten onder ging aan interne verscheuring. Tegelijk was het natuurlijk begrijpelijk dat er zoveel spanningen waren. Het ging immers ergens om. Nederland stond op scherp.

De auteurs stellen een aantal interessante vragen zoals: welke houding moest de legerleiding innemen bij een inval van vijandelijke legers? Of: was de tegenstander van een schender van Nederlands grondgebied automatisch een bondgenoot van Nederland (92)? Vragen als deze tonen de complexiteit van neutraliteit. Qua onderwerpskeuze is het boek actueel. Het gaat over een cartoon-discussie, kredietcrisis, toenemend internationaal militarisme, spionage en afluistertechnieken en bovenal de interstatelijke vrede die eindig en feilbaar bleek. ‘Het ene geslacht na het andere geslacht was ingedommeld […]’ en werd pas wakker geschud toen het oorlog was. Iets wat historicus H.Th. Colenbrander in 1914 al schreef en ook naar voren komt in de bundel Wankel evenwicht (Soesterberg 2007) onder redactie van Martin Kraaijenstein en Paul Schulten. Het ‘dommelen ten tijde van woelige baren’ klinkt tegenwoordig weer bekend in de oren.

De auteurs zetten helder uiteen hoe activerend en participerend de neutraliteit in Nederland was. Wilhelmina verlangde van minister-president Cort van der Linden dat het kabinet de neutraliteit zou uitdragen. Niet passief: ‘hoe kon de neutraliteit het best worden “bewaard”?’, maar juist pro-actief: ‘hoe kon deze worden “verdedigd”?’. Volledig passend bij de militaire offensieve premisse die begin van de eeuw in de koloniën leidend was en de koningin zo blijvend had beïnvloed. Maar het waren de ministers die de vorstin hierin voorgingen. Niet andersom. Conflictmijding en conflictoplossing waren zijden van dezelfde medaille. De auteurs concluderen dat Wilhelmina geen ideale neutraliteitsleider was (71).

Een paar kleine aandachtspuntjes. Om te beginnen dekt de titel de lading niet. Afgaand op de titel lijkt het boek een soort monografie van Nederland en zijn neutraliteitspolitiek. Het is echter een bundeling van negen biografieën en perspectieven op neutraliteit. Daardoor des te interessanter om te lezen. Maar dat had best genoemd mogen worden in een ondertitel. Een tweede is de terminologische afbakening. Hoewel het boek geen theoretische exercitie is, had er in de inleiding toch wel iets meer gezegd mogen worden over de neutraliteitspolitiek. Hoe is de term tot stand gekomen in de historiografie? Wat bedoelen de auteurs er vandaag de dag mee? Dan wordt namelijk in het begin al duidelijk dat dit beginsel vooral ook een koloniaal reliek is. Een overblijfsel uit de dynamische negentiende-eeuwse geopolitieke strijd om koloniaal areaal. Verderop in het boek komt dat trouwens zijdelings wel aan de orde.

Verder was het wellicht interessant geweest om niet alleen naar de Amerikaanse president Woodrow Wilson te kijken, maar ook naar Herbert Hoover. In het eerste deel van zijn memoires getiteld Years of Adventure geeft deze Amerikaanse president zijn mening over de Nederlandse neutraliteit. Hij beschrijft kort wat de hoogste Amerikaanse politieke bestuurders van de Nederlandse neutrale houding vonden. Uit zijn beschrijving blijkt dat de Amerikanen de Nederlanders gebruikten en vooral misbruikten. Maar ook hoe de Nederlandse regering door een pragmatische opstelling de Amerikanen juist uit de brand hielpen. Op gezette tijden had Nederland dus een onderscheidende rol. Een gegeven dat de auteurs elders in het boek trouwens wel degelijk goed uit de verf laten komen.

De verschillende schrijfstijlen van de auteurs zijn in het boek herkenbaar. Het ene artikel is met een vlottere pen geschreven dan het andere, maar echt storend is dit niet. Bovendien, het ene biografische portret of onderwerp leent zich ook beter voor een leesbaar stuk dan het andere. Het boek is goed leesbaar en geeft een verfrissende kijk op de Nederlandse neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog. De deskundige auteurs bieden middels de negen portretten een diorama van de Nederlandse maatschappij tussen 1914 en 1918, en laten zo de veelzijdigheid van de politieke neutraliteitspremisse zien. De vakliteratuur over de Eerste Wereldoorlog is verrijkt met een optisch en inhoudelijk mooie publicatie.